Wat ben je in godsnaam aan het doen

Het is ingrijpend om min of meer bewust afscheid te nemen van dat wat jou heeft gevormd en bepaald. Het mag dan ook niet verbazen dat Roelof ten Napel (1993) relatief kort na zijn sterke poëziedebuut Het woedeboek (2018) alweer een nieuwe dichtbundel heeft gepubliceerd, waarin wederom de worsteling met religie en de kerk als instituut centraal staat. Ooit bepaalde het christendom het dagelijks (gezins)leven, nu niet meer. Maar een verleden laat je niet zomaar achter je.

Dat een dergelijke breuk de gezinsverhoudingen aantast, was al te lezen in Het woedeboek. Homoseksualiteit, waarvoor binnen de strenge geloofsgemeenschap geen plaats is, speelde een cruciale rol. Dat aspect keert weliswaar terug, maar blijft in vergelijking met het debuut op de achtergrond. In deze nieuwe gedichten draait het om de vraag wat ‘pijn’ precies is, en hoe die pijn zich verhoudt tot het lichaam en tot de taal.

In het vlees is een omvangrijke bundel die in twee delen uiteenvalt. In deel II, ‘Het uitschot: Iskariot’, kruipt de dichter in de huid van Judas. De monoloog is te lezen als een apocriefe tekst en heeft geen paginacijfers. Deel I, ‘Het intieme, wrede: confessies’, bestaat uit 139 genummerde sonnetten, gevolgd door een gedicht van drie pagina’s dat zich laat lezen als een traktaat. Het vlees, dat in de voorafgaande sonnetten veelvuldig wordt aangesproken en verbeeld, behoort boven de wet te staan, die verondersteld wordt min of meer tijdloos te zijn: ‘het vlees leeft langs wegen/ die de wet op voorhand breken, ze heten/ liefde, medelijden, vergeving’. Het vlees ‘zucht onder de last van/ verval en doelloosheid’ en ‘kent geen geschiedenis die ons voorbij ons leven/ met elkaar verbinden zou, het kent/ liefhebben, eten, lijden, sterven’. Gelijkenissen treffen tussen verschillende levens en verhalen levert niet méér kennis op, we zijn werkelijk aan onszelf en onze individuele keuzes en daden overgeleverd. De vraag waar alles uiteindelijk om draait, ook al word je daar niet naar gevraagd, ook al heeft het antwoord geen (negatieve) consequenties, is: ‘wat doe je, wat doe je, wat ben je/ in godsnaam aan het doen’.

Het is een krachtige samenvatting van de sonnetten in de eerste afdeling. Die tellen weliswaar steeds netjes veertien regels, maar lijken in de verste verte niet op het traditionele sonnet, een tekstvorm die doorgaans geassocieerd wordt met vormbeheer en ambachtelijkheid. De verminking van de traditionele vorm is een bewuste:

nu wil ik dat de geesten zichzelf gekweld gaan weten, ik wil
dat het sonnet gaat leren hoe het is om pijn te lijden, ik wil
dat het zich verminkt voelt, zich bevat weet
in leed dat het dwingt te vergeten
welke eisen het zichzelf ooit heeft gesteld

De bundel als geheel sluit af met ‘Sonnet I’. De overige 139 sonnetten in deel I zijn flink door elkaar gehusseld, alsof er een oorspronkelijke brontekst was. De taal lijkt op het oog stellig, met strofes als ‘ons leed is onaanraakbaar en blijvend,/ hoeft zich zelfs niet te verbergen: daarom/ verschijnt het niet, maar zeggen we het te lijden’. Toch is deze poëzie voortdurend op zoek, bijvoorbeeld naar de status van het geloof wanneer dat niet meer beleden wordt. Wat ‘we begrepen of beleefden onder de naam van god’ is misschien niet langer te benoemen, zo stelt ‘Sonnet IX’, het heeft wel degelijk plaatsgehad:

ik noem het pijn, omdat pijn in de buurt komt
van hoe ik denk dat god was, toen hij er was –
ik bedoel niet dat we god ervoeren als pijn, maar dat god en pijn
ondeelbaar zijn

In ‘Sonnet CXVI’ staat dat de ‘ik’ niet zozeer gestopt is met geloven, ‘het kan me gewoon/ weinig schelen of je bestaat’. In die ambivalentie, die deze poëzie tekent, ligt de woede. Want de ‘pijngod’ is afgezworen, verdwenen is hij niet. Soms denkt de ‘ik’ verlangend aan deze entiteit terug, ‘voordat ik je bitter weer/ doodbijt, fijnkauw, doorslik en verteer’. De leegte die blijft, moet worden opgevuld met het hier en nu, met het vlees, met de eigen lichamelijkheid en de lichamelijkheid van de ander, ‘gescheiden/ door niets, door vel nog dunner dan bijbelpapier’.

De strenge abstractie van deze ‘verminkte’ sonnetten wordt verluchtigd met dikwijls bedrieglijk eenvoudige beeldspraak, bijvoorbeeld als er sprake is van de geruststellende gedachte dat er ‘al mensen zijn geboren/ die je zullen overleven, die al klaarstaan om/ een overkant te vormen’. Wat we niet weten is niet als de nachtelijke duisternis, maar ‘als de kloof die je in dat donker niet ziet,/ terwijl je hem nadert’.

De sonnetten zijn belijdenissen van een mens die beschouwd wordt als een afvallige en verrader, en ook iemand die zich verlaten weet, zoals Christus door zijn vader. Deel II, waarin Judas het woord voert, lees ik als een apologie en een verkapt zelfportret, met als een van de kernvragen:

als jezus weet had
van zijn einde,
waarom maakte hij mij dan
tot zijn volgeling?

Zonder verraad was verlossing niet mogelijk geweest, maar Judas’ lijden is bovendien verzwaard met een onmogelijk schuldgevoel. De taal in dit deel is losser (‘judas is back, bitches!’), maar niet minder tragisch. De tekst is een radicale doodsverklaring, maar hier is óók een geliefde gestorven.

De dichtheid en de omvang leiden hier en daar onvermijdelijk tot een herhaling van zetten. Een lijdensweg is echter niet weer te geven met zomaar een paar stoeptegels. Het eindresultaat is een uiterst boeiende, intense en uitdagende dichtbundel.

Sonnet XVI

hier is het beslissende ogenblik,
het beslissende ogenblik: god
is op aarde teruggekeerd, maar hij weet niet zo goed
wat hij moet doen, hij herkent het hier niet, alles is zo
anders geworden – we zijn hem stilzwijgend voorbijgestreefd,

hij was niet dood, hij was gewoon even wandelen –

god huilt –
god huilt, want hij begrijpt het niet,
wil iemand hem troosten?

zijn leeggelopen handen beetpakken
en zeggen: het is goed,
het is goed zo,
ze vasthouden tot het
avond, ochtend wordt