Wat bezielt de mens?

Na Kees ’t Hart en Arie Storm is het nu aan schrijfster Wanda Reisel om op deze plek het debat over de toekomst van de Nederlandse roman voort te zetten. Aanleiding van de discussie is Thomas Vaessens’ studie De revanche van de roman.

Thomas Vaessens lezende kwam mij het volgende beeld voor ogen: in een kantoorgebouw staat iemand tegen een dood paard aan te hengsten, terwijl er op het dak al lang een troep andere dieren trappelt en hinnikt. De hedendaagse schrijver (m/v) moet volgens de hooggeleerde de straat op en in de publieke ruimte zijn ‘engagement’ tonen. Zijn schrijfsels zijn van niet zulk immens belang, zij zijn alleen een aanleiding. De schrijver moet uit zijn navelstaarderige lethargie komen en in allerlei media de roeptoeter hanteren om zijn ‘urgente wereldbeeld’ rond te bazuinen. Hij is geëquipeerd om die verschillende registers en media te bespelen. Hiermee zal hij een terechte plek in het hedendaagse publieke debat én een trouwe lezersschare bemachtigen.
Het lijkt meer op een vacaturebeschrijving bij BNN of Llink. Maar slaat het ook op het schrijven van romans? Het is in de praktijk al lang werkelijkheid, want een handjevol sterschrijvers weet deze marketingformule al jaren met succes te hanteren. Zij zijn sterren omdat ze succesvol zijn bij een groot publiek. En omdat ze succesvol zijn verschijnen ze vaak in de media, omdat de media succes met ze hebben. Ze dragen daar van alles maar vooral zichzelf uit om dat publiek blijvend aan zich te binden. De 21ste eeuw vraagt om een dergelijke strategie voor de sterren. Goed passend in een periode waarin al het elitaire verdacht is. We leven in de westerse wereld, die meer en meer op die van de Verenigde Staten gaat lijken, en daar heersen harde, strenge kapitalistische regels. Weg oud Europa.
De hooggeleerde Vaessens ziet alleen nog een levensvatbare rol voor de literatuur weggelegd als die zich aan deze wetten van de marketing aanpast: die gedachte gaat er vanuit dat er in deze tijd alleen nog maar ruimte voor supermarktkunst is. Wie daar niet goed in is of niet uitverkoren wordt, sterft zijn artistieke doodje in het Rosa Spierhuis voor boeken. De literatuur zal zo om niet meer dan twintig schrijvers in Nederland draaien. Gelukkig is V. geen adviseur voor uitgeverijen, want die geven, terwijl ze hopen op die echte literaire seller, voorlopig nog een heel aantal kwalitatief goede boeken uit. De hooggeleerde wil ‘de laatpostmoderne schrijver’ het liefst als een Kuifje zien, vergezeld van de fotograaf Weegee, afreizend naar de brandhaard van het moment, verkleed als soldaat of slachtoffer. En in de geest van Walraff en Hemingway doet de geëngageerde schrijver daar zijn veldwerk voor zijn urgente roman, die hij in korte tijd schrijft, anders is die natuurlijk niet urgent meer. De stijl of de kwaliteit dondert niet zo, als het maar bevlogen is (hoor je het Isaac Stern al tegen een jonge violiste zeggen?).
Vaessens zegt in de huidige literatuur ‘een heroriëntatie op ethiek, op politiek, op moraal’ te zien (dan is het er toch al?). Hij wil dat een schrijver iets beweert, stelling neemt. Dat wil zeggen dat hij van elke roman verlangt dat het een roman à thèse is, een roman die een theorie of wereldbeeld uitdraagt. Maar dat hoeft natuurlijk niet. De bloemtelersbond neemt ook geen genoegen met maar één bloemensoort.
‘L’art c’est la nature vue à travers une tempérament’ – woorden van de ouderwetse schrijver Emile Zola. Kunst is de wereld gezien door de blik van een specifieke kunstenaar heen, de floers van de schilder, het karakter van de schrijver. De roman nestelt zich in een plooi van ons brein en prikkelt daar onze waarneming, ons denken én ons gevoel. Niet alleen onze rechterhersenhelft, waarmee wij rationeel ‘begrijpen’. De roman poogt ook juist iets vaags omcirkelend in kaart te brengen, een virtueel punt, wat als je ernaar kijkt of grijpt verdwijnt, maar desondanks iets wezenlijks onthult. De goede roman werpt licht op wat meestal verborgen blijft en brengt nieuwe verbanden aan. En zo is het ook met het wereldbeeld. Of het decor een zaterdag is waarop de buitenwereld te hoop loopt tegen de Amerikaanse invasie in Irak of een emigrantencentrum waar een psychotische Vietnamees zijn geweer leegschiet of Seksclub Satyricon in de Roompotstraat is, is wel de noodzakelijke achtergrond van die ene roman waartegen de thematiek afsteekt, er de vorm en urgentie aan geeft, maar politiek ligt voor een romanschrijver vaak te dicht bij de waan van de dag. In het licht van de eeuwigheid en in abstracto maakt het wat er onder de plooi leeft alleen schijnbaar interessanter of toegankelijker.
Het is aantrekkelijk hierover W.F. Hermans te citeren: ‘Omdat de mens in het duister tast (over zijn werkelijke beweegredenen), is hij geneigd theorieën te ontwerpen, waaraan hij zich zou kunnen houden, maar dat zijn schijntheorieën, theorieën met geen enkele basis.’
Vragen omtrent moraal en ethiek zijn per definitie van alle tijden. Het gaat daarbij uiteindelijk om de blik van een bepaalde schrijver op de drijfveren en emoties van mensen, om de worsteling met hun lotsbestemming; daarin zit zijn ambitie besloten, het beschrijven van de verwringing én veerkracht van de menselijke geest: wat bezielt de mens? Maar wel met onmiskenbaar talent geschreven. Dat is niet onderhandelbaar, zoals de hoogleraar denkt. ‘Goed geschreven’ hoeft helemaal niet ‘mooi’ of ‘krullerig’ te zijn, maar inhoud en vorm moeten wel een noodzakelijke eenheid hebben. En hoe de zinnen doel treffen, à travers une tempérament, is wel degelijk van groot belang.
Nee, de hippe hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Vaessens popelt om vadermoord te plegen en zo zelf in de schijnwerpers te komen. Hij heeft zijn pijlen eigenlijk op de (merendeels dode of gepensioneerde?) mandarijnen onder zijn vakgenoten gericht, want dát zijn voor hem klaarblijkelijk degenen die zich nuffig in hun zelfgenoegzame papieren vesting hebben teruggetrokken en zich angstvallig vastklampen aan hogere literatuurtheorieën. Die moeten de 21ste eeuw in gesleurd worden. Zo niet de ploeterende schrijvers, van wie maar een klein deel voorbestemd is om ook het talent van een standwerker te bezitten, de geknipte tv-kop te hebben en op het juiste moment te midden van een oneindige variatie de hartenklop van zijn tijd of een brandende kwestie bij de staart te hebben. Vaak zijn dat toevalstreffers, dan lijken die boeken over iets actueels te gaan, maar ze vallen alleen in de goeie groef van de tijd. ‘De wereld verandert, zonder dat iemand precies weet hoe en waardoor’, is in dit verband een prikkelende uitspraak van W.F. Hermans.
Het mag ironisch heten dat juist het getalenteerde enfant terrible Grunberg voor Vaessens hét grote voorbeeld van de Nieuwe Schrijver is. Het is nog maar de vraag of het politiek of ethisch bedoeld is dat Grunberg dit keer een Nederlandse soldaat, die in Afghanistan gelegerd was, als loopjongen voor zijn eventuele tweede Libris Literatuurprijs benoemd heeft, of dat het gewoon superieure ironie is. Het had immers ook een geit kunnen wezen. Bij Grunberg weet je het nooit, misschien zal het door de hoogleraar zo gewenste ‘engagement’ slechts een pr-stunt blijken, of een middel tegen uitdroging. We zijn gewaarschuwd.