Wat blijft

Veel verzetsdaden keren zich in de eerste plaats tegen de verzetter zelf. Zo besloot ik, nadat mijn fiets voor de derde keer in een half jaar tijd was gestolen, uit protest geen nieuwe te kopen. Bekijk het maar!

Wie het bekijken moest was ik, natuurlijk. Ineens was ik een wandelaar geworden in een stad die ik alleen als fietser kende, een stad die zozeer door zijn fietsers wordt gedefinieerd bovendien dat hij zonder niet eens zichtbaar zou zijn op satellietfoto’s.

Het gebrek aan respect voor wandelaars is de drijfveer van iedereen die zich door mijn stad beweegt, ja, ook van de wandelaar zelf, wier zelfverachting en doodsangst de pijlers vormen van haar identiteit.

Maar zoals de Sisyfus van Camus verlossing vindt in de omarming van zijn zinloze arbeid, zo begon ik al gauw gehecht te raken aan mijn zelf opgelegde martelaarschap. Mijn vertraging maakte niet alleen dat ik nieuwe dingen zag, maar meer nog dat ik bekende dingen opnieuw zag. Een wandeling van oost naar west, zes kilometer, werd een landschap van opeengestapelde tijdlagen, samengeperst als bloemblaadjes in de bloemdroger die ik als kind eens voor mijn verjaardag kreeg. Zo zag ik ineens weer het bedrijfspand aan de Sarphatistraat, waar ik jaren geleden de sleutel van mijn studentenhuis had opgehaald. Negentien was ik, ik woonde net een paar weken in de stad, het was nog vóór de tijd van Google Maps. De Sarphatistraat, zo redeneerde ik, moest wel aan het Sarphatipark liggen. Op goed geluk was ik erheen gefietst, om er voorgoed achter te komen dat park en straat, behalve hun naamgever, niets met elkaar gemeen hebben.

Even verderop passeerde ik het Amstel Hotel, waar ik eens verregend was binnengelopen, een kamer in, een bad met aan de kraan een kaartje: WAARSCHUWING IN ÉÉN MINUUT VOL. De Hortus Botanicus, waar ik op een lentemiddag een eerste afspraakje had, witte wijn en zachte schaduwen. Het scherpgehoekte gebouw van de Filmacademie, een feestje op het dak. Het Spui waar ik stoned met een man op een bankje had gezeten, kauwend op droge rendang uit een kartonnen bakje. Ik wil je leren mediteren, had de man gezegd, ik wil je leren mediteren op mijn hotelkamer.

Ik heb het altijd een wonder gevonden, hoe de plekken blijven bestaan terwijl de tijd er dwars doorheen trekt. Dat je op een kruispunt kunt staan en je herinnert hoe je daar, jaren eerder, iemand een kus gaf in de nacht. Waar is die gebeurtenis gebleven? Het is aantrekkelijk te denken dat hij met de plek verweven is geraakt, maar het is onwaar, de plek heeft er niets mee te maken, die is wat ze is: een plek. Het geheugen is voorbehouden aan de mens. Of aan God misschien, als je in zulke dingen gelooft.

Ik wil je leren mediteren, had de man gezegd, ik wil je leren mediteren op mijn hotelkamer

Deze week zitten er twee boeken in de tas die ik op mijn wandeltochten met me meedraag. Het eerste is de gloednieuwe vertaling van Walter Benjamins Kinderjaren in Berlijn rond 1900. Het boek bestaat uit schetsen van plekken uit Benjamins kindertijd, flarden van gedachten en sensaties: een gepofte appel die ‘schuimig’ geurt, de nachtgeluiden van de eerste telefoons, mousselinen gordijnen in het schijnsel van gaslicht op een koude winteravond. Een Berlijn dat voorgoed was verdwenen, en waar Benjamin, die in de jaren dertig naar Parijs vluchtte voor de nazi’s, ook nooit meer zou terugkeren.

Het mooiste verhaal is dat over de visotter in de Zoologischer Garten. Bijna nooit laat de otter zich zien, maar de kleine Walter blijft stug door de tralies turen. Sporadisch wordt hij beloond met een glimp van het dier, zwart en glanzend, nauwelijks te onderscheiden van het donkere water.

De kooi van die visotter bevindt zich in een ‘profetische uithoek’ van de dierentuin. Over zulke uithoeken schrijft Benjamin: ‘Het zijn meestal verlaten oorden, of ook boomtoppen die tegen muren staan, doodlopende straten of voortuinen waar geen mens zich ooit ophoudt. Op zulke plaatsen lijkt het alsof alles wat ons nog te wachten staat al verleden tijd is.’ Hij is het hier allebei: de kleine jongen en de volwassen man, verbaasd en wijs, in een stad die nooit ergens anders heeft bestaan dan in het geheugen van de schrijver. En, gelukkig voor ons, op papier.

Het tweede boek in mijn tas is een geniaal kunstwerk, dat ik cadeau kreeg, en dat ik vanaf nu aan iedereen cadeau ga doen. Het heet Here, werd gemaakt door Richard McGuire en valt het best te omschrijven als een graphic novel. In Here staat nauwelijks tekst, de beelden vormen het verhaal, en het verhaal is zo groot als de geschiedenis en de toekomst van de wereld, van drie miljard jaar voor Christus tot 22.175 jaar erna. Alle tijden kriskras door elkaar, alles gezien vanuit één plek. Het is duizelingwekkend en tegelijkertijd volkomen helder.

‘Life has a flair for rhyming events’, zegt een achttiende-eeuwse man van stand ergens halverwege het boek, rijdend in een koets. En zo valt het misschien alsnog samen te vatten, dit hele gekke leven, de tijd, alles wat blijft en alles wat vervliegt.


Niña Weijers schrijft sinds mei een column in Dichters&Denkers, afwisselend met Christiaan Weijts