Zuid Afrikaanse oorlogsveteranen tijdens de viering van het 100jarige bestaan van het ANC. Achter hun de portretten van Nelson Mandela (L), Thabo Mbeki (M) and South Africa President Jacob Zuma, Bloemfontein, Zuid Afrika, 2012 © Alexander Joe / AFP / ANP

Zij aan zij staan ze in zijn boekenkast, de stille getuigen van een tijdperk: Gangster State, The President’s Keepers, How to Steal a City, Shadow State, The Unaccountables. De Zuid-Afrikaanse historicus André Odendaal haalt zijn schouders op. Ach, er zijn er nog zo veel meer, met titels als How Long Will South Africa Survive?, The ANC Billionaires, License To Loot, Our Poisoned Land - elke maand komt er wel één bij. Tezamen vertellen ze in duizenden pagina’s het verhaal van een land en zijn politieke partij, en hoe die partij dat land naar de knoppen hielp.

Die partij kennen we als het African National Congress (anc), dat in 1994 na de eerste democratische verkiezingen aan de macht kwam, met de charismatische Nelson Mandela als leider. De wereld juichte. Zuid-Afrikanen, wit, bruin en zwart, vielen elkaar snikkend in de armen. Een rassenoorlog was afgewend, en Zuid-Afrika met zijn parlementaire democratie en progressieve grondwet zou gidsland worden voor de rest van Afrika. En nu? Een gangsterstaat met jeugdwerkloosheid van rond de zestig procent, ontstellende misdaadcijfers, gigantische corruptie en de geroemde bevrijdingspartij die richtingloos ronddobbert, langzaam kapseizend. Waar ging het mis?

Die vraag wil de 68-jarige Odendaal niet beantwoorden, ook al heeft hij een flink aantal boeken over het anc geschreven. Zo neemt hij in zijn recentste werk Dear Comrade President de Zuid-Afrikaanse grondwet onder de loep. Die ging in 1996 van kracht en wordt beschouwd als het onwankelbare fundament van de democratie, waarin de rechten van individuen en minderheden zijn verankerd. Vol passie praat Odendaal over het anc van de jaren tachtig, dat volgens hem onder aanvoering van Oliver Tambo met ongekende energie aan dit unieke, vooruitstrevende handvest werkte. ‘Het boek laat de strategische visie zien, de durf en de innovatie van het anc. Het was een partij van verschillende generaties – zwart dat zijn eigen toekomst creëerde’, zegt hij. Hij recht zijn rug, en vervolgt: ‘Dat anc bestaat niet meer.’

Veel meer wil hij niet zeggen over de complexe partij die is gebaseerd op een alliantie van drie elkaar deels overlappende groeperingen: het anc, de South African Communist Party (sacp) en de vakbondsfederatie Cosatu. Tezamen vormen die het geraamte. Daarbinnen heb je vijf spiergroepen: zij die in ballingschap leefden, zij die in de gevangenis belandden, zij die in Zuid-Afrika tegen de apartheid streden, zij die te jong waren om de apartheid bewust te hebben meegemaakt, en de opportunisten.

Odendaal, die de anc-top goed leerde kennen tijdens de oriënterende gesprekken tussen progressieve witten en de zwarte ballingen in Dakar in 1987, lijdt aan een vorm van ontkennen waar veel anc-sympathisanten van het eerste uur aan lijden: het gevoel dat anderen het toch niet zullen begrijpen, dat ze jouw woorden verkeerd zullen interpreteren – net zoals je je naaste familie niet analyseert in het bijzijn van vreemden.

Na wat aandringen wil hij alleen kwijt dat je naar de context moet kijken, dat het haast onvermijdelijk was dat het perfide apartheidssyteem (zelf een reactie op het brute Britse kolonialisme) een malheureus systeem zou baren, volgens het idee dat de geschiedenis zich niet herhaalt maar wel rijmt. De schuld van de huidige malaise ligt volgens hem deels bij witte Zuid-Afrikanen die zich ondankbaar hebben getoond, en die zichzelf nu zien als slachtoffer van maatregelen als affirmative action (positieve discriminatie) en Black Economic Empowerment (de verplichting om als ‘wit’ bedrijf zwarte aandeelhouders te hebben). Daar houdt Odendaal het bij. ‘Ik wil vooral over mijn boek over de grondwet praten’, zegt hij.

Anderen zijn minder huiverig om de situatie te ontleden. R.W. Johnson is een in 1943 in Engeland geboren politiek wetenschapper en historicus die graag zijn opinies aan de wereld toevertrouwt. Hij studeerde aan Natal University in Zuid-Afrika en daarna in het Engelse Oxford. In 1995 keerde hij terug naar Zuid-Afrika en inmiddels heeft hij een flink aantal boeken op zijn naam, waaronder het in 2015 verschenen How Long Will South Africa Survive, met als omineuze ondertitel The Looming Crisis. In de inleiding schrijft Johnson dat hij als jonge man het anc een warm hart toedroeg. Die houding is mettertijd veranderd. The Economist noemde hem een ‘romantische, tegendraadse liberaal’.

Johnson beschikt over een scherp oog en een scherpe pen. How Long Will South Africa Survive schreef hij toen Jacob Zuma aan zijn twee termijn als president was begonnen. Als partijleider was Zuma de opvolger van Thabo Mbeki, die op zijn beurt in 1999 het roer van Mandela had overgenomen. Johnson ziet de overgang van de technocraat Mbeki naar de populist Zuma als kantelpunt. Mbeki was de intellectueel met goed onderwezen anc-ouders die op jonge leeftijd Zuid-Afrika verliet voor een studie in Engeland. Hij zou dertig jaar in ballingschap doorbrengen en klom gaandeweg op tot de top van de tot 1990 verboden partij. Mbeki was het sophisticated gezicht van het anc, de welbespraakte diplomaat die Shakespeare citeerde, naar Duke Ellington luisterde, pijp rookte en van single malts genoot. Hij was een workaholic die alle discussiestukken nauwgezet doornam en zijn ondergeschikten berispte als hij bespeurde dat zij dat niet hadden gedaan. Hij sprak gloedvol over een Afrikaanse renaissance en propageerde een inclusief Zuid-Afrika in zijn poëtische ‘I am an African’-toespraak van 1996. Mbeki was ook ambitieus en geslepen. Al in ballingschap werkte hij aan zijn eigen inlichtingennetwerk om zijn machtsbasis binnen het anc te creëren en te bestendigen.

Zuma was in veel opzichten het tegenovergestelde. Hij was een man van het volk, een op het eerste gezicht aimabele Zoeloe die was opgegroeid op het platteland en wiens onderwijs bestond uit een paar jaar lagere school. Zijn vader was een politieman die overleed toen Jacob vijf was, zijn moeder was schoonmaakster. Hij sloot zich op jonge leeftijd aan bij het anc, werd al snel gevangengezet op Robbeneiland en ging later in ballingschap in Swaziland, Mozambique en Zambia, waar hij uiteindelijk hoofd werd van de anc-inlichtingendienst – een positie die hem veel politiek kapitaal opleverde: hij kent de geheimen van zijn partijgenoten en schroomt niet om die strategische te gebruiken. Ook Zuma was geslepen en ambitieus. Hij en Mbeki kenden elkaar goed uit het struggle-verleden, ze waren geen dikke vrienden maar ze respecteerden elkaar. In de loop der jaren veranderden ze in gezworen vijanden.

Johnson typeert de Zuid-Afrikaanse periode na 1994 als een ‘ongeëvenaard experiment waarbij derdewereldnationalisme aan de macht komt in een (relatief) ontwikkeld land’. Het anc had een gewaagd compromis gesloten: in ruil voor het opgeven van de politieke macht mocht wit zijn economische heerschappij goeddeels behouden. Het leek de magische formule. De anc-regering hield het land onder Mandela en Mbeki redelijk draaiende, mede dankzij een internationaal gunstig economisch klimaat en het opheffen van de sancties. In 2006 groeide de economie nog met 5,6 procent. Maar goed bestuur schoot er volgens Johnson al snel bij in, en rond 2014, na Zuma’s eerste ambtsperiode, was het in zijn ogen gedaan met de partij. ‘De revolutie was voorbij voordat die zelfs nog maar begonnen was’, schrijft hij. Johnson concludeert dat er niet zozeer sprake was van wanbestuur als wel van non-bestuur, getypeerd door nepotisme, incompetentie en baantjes voor kaderleden.

Tribalisme ziet Johnson als een van de voornaamste oorzaken van de crisis. Dat is een typisch Britse tic: de Afrikaanse ‘stammen’ hebben de Britten altijd gefascineerd, met name de Zoeloes, die het Britse koloniale leger bij Isandlwana in 1879 een zware nederlaag toebrachten. De Zoeloes zijn het grootste volk van Zuid-Afrika, ze zetelen in de oostelijke KwaZoeloe-Natal-provincie (kzn), en Johnson beschrijft ze als ‘trots op hun koning, hun geschiedenis en hun reputatie als een van Afrika’s ongekende krijgsvolken’. De Xhosa van Tambo, Mandela en Mbeki, het op een na grootse volk, zijn verdeeld in subgroepen, zonder de gezamenlijke geschiedenis en cohesie die het Zoeloe-koninkrijk tot een eenheid smeden.

Rond 2014, na Zuma’s eerste ambtsperiode, leek het gedaan met de partij: ‘De revolutie was voorbij voordat die zelfs maar begonnen was’

Het anc, merkt Johnson op, werd door Zoeloes opgezet, en toen de eerste belangrijke mobilisatie in de jaren vijftig plaatsvond, werd de partij door een Zoeloe geleid. Zoeloes, betoogt hij, laten zich niet graag door andere volken de les lezen. Mandela was zich terdege bewust van de precaire etnische machtsverhoudingen, en hij was het die Zuma naar voren schoof om als vicepresident onder Mbeki te dienen.

Op de verkiezingsposters: Nelson Mandela, de eerste democratisch gekozen zwarte president van Zuid-Afrika, en president Thabo Mbeki die het na Mandela’s pensioen overnam. Johannesburg, Zuid-Afrika, 1999 © Per-Anders Pettersson / Getty Images

Johnson gaat gedegen te werk, beroept zich op ontelbare bronnen, en neemt de lezer al snel mee naar de jaren tachtig en negentig, toen in KwaZoeloe-Natal een oorlog woedde tussen het ‘moderne’ anc en de ‘Zoeloe traditionalisten’. Er vielen vele duizenden doden, en delen van kzn veranderden in killing fields. Zuma werd door het anc ingezet als vredesstichter. Hij tooide zich in traditionele kledij, sprak de taal van de gewone man en wist als briljant strateeg de strijdende partijen er uiteindelijk van te overtuigen dat de gang naar de stembus de beste manier was om politieke geschillen te beslechten. Maar het jarenlange, meedogenloze conflict had een provincie achtergelaten vol wapens, warlords en door strijd geharde mannen die van oorlog voeren moeiteloos overstapten op andere vormen van geweld en intimidatie. Het anc en de criminele elementen raakten met elkaar verstrengeld, en KwaZoeloe-Natal werd de eerste provincie waar gangsters het voor het zeggen kregen, aldus Johnson.

Dit immer explosieve KwaZoeloe-Natal was de machtsbasis waar Zuma op terugviel toen hij in 2005 als vicepresident onder Mbeki in de politieke en juridische problemen kwam. Zijn naam zong rond in het zogenaamde arms deal-schandaal, de eerste geruchtmakende corruptiezaak onder een anc-regering. Het ging om de aanschaf van nieuw militair materieel eind jaren negentig ter waarde van miljarden euro’s. De noodzaak tot deze extravagante aankoop had onder Mandela postgevat en werd door Mbeki uitgewerkt. Het was Zuma’s geldschieter, de uit kzn afkomstige zakenman Schabir Shaik, die tijdens het proces Zuma’s naam noemde. Shaik werd veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf, en tijdens de uitspraak zei de rechter dat er ‘overweldigend’ bewijs was geleverd van een corrupte relatie tussen Shaik en Zuma. Al snel lagen er meer dan zevenhonderd aanklachten wegens fraude en corruptie tegen Zuma op tafel. De meeste hadden weinig om het lijf, maar Mbeki zag zijn kans schoon om zich van Zuma te ontdoen. Hij ontsloeg hem als vicepresident en stelde zichzelf beschikbaar voor een derde termijn als anc-leider.

Zuma was ziedend. Niet alleen betekende dit het einde van de politieke carrière van de man die grote offers voor het anc had gebracht, maar tevens wachtten hem rechtszaken en mogelijk gevangenisstraf. Hij ging vernuftig te werk, inspelend op een opgestookte Zoeloe-verbittering over de marginalisatie van het ‘trotse krijgsvolk’, in casu hijzelf. Daarnaast mobiliseerde hij invloedrijke groepen die om uiteenlopende redenen ontevreden waren over Mbeki en zich op een zijspoor gezet voelden, zoals de communisten van de sacp, de linkse vakbondsfederatie Cosatu en de heethoofden van de anc-Jeugdliga. Tevens wist Zuma de premiers van een aantal belangrijke provincies achter zich te scharen. De strategie wierp haar vruchten af: op de nationale anc-conferentie van 2007, waar de partij nieuwe leiders koos, zegevierde Zuma en moest een vernederde Mbeki het veld ruimen. Twee jaar later werd Zuma gekozen tot de vierde president van Zuid-Afrika.

Daarmee braken andere tijden aan. Al die mensen bij wie hij in het krijt stond, die verzameling van los zand van Mbeki-haters, moesten nu worden beloond. Johnson somt de nieuwe ministers, directeurs-generaal, ceo’s van de staatsbedrijven op: bijna allemaal Zoeloes en bijna allemaal kameraden van Zuma. Het grote graaien begon. En om ervoor te zorgen dat iedereen ongestoord zijn gang kon gaan en Zuma c.s. nooit naar de cel zouden hoeven, werden ook instituties als de geheime dienst, de politietop en waar mogelijk de juridische sector bemand door Zuma-getrouwen. Het verschil tussen partij en staat was flinterdun geworden.

R. W. Johnson is een uitstekend onderzoeker, en hij heeft een vlotte pen, maar de tribale verklaring is problematisch, zegt Jeremy Cronin, die de teloorgang van zijn partij als insider heeft beleefd. ‘Mbeki was geen tribalist’, zegt Cronin. ‘En het anc heeft vanaf de oprichting geprobeerd om een gemeenschappelijk Zuid-Afrikaans en Afrikaans gevoel te creëren.’

Een kort cv van de 73-jarige Cronin is hier op zijn plaats. Als jonge communist sloot hij zich in 1968 aan bij de sacp, en toen het anc daarna ook witte gezichten toeliet, werd hij tevens lid van die partij. Begin jaren zeventig studeerde hij in Parijs, gretig de laatste dampen van de revolte van 1968 opsnuivend. Terug in Zuid-Afrika ging hij ondergronds, wat in 1976 resulteerde in zijn arrestatie. Hij zat zeven jaar in de cel in Pretoria, waar hij zich onder meer toelegde op het dichterschap. Na zijn vrijlating leefde hij in ballingschap in Londen en Lusaka, nauw samenwerkend met de sacp-top. Na zijn terugkeer naar Zuid-Afrika werd hij plaatsvervangend secretaris-generaal van de sacp, en in 1999 kwam hij in het parlement. Onder Zuma was hij onderminister van Transport en van Publieke Werken. Daarnaast was hij lid van het hoogste orgaan van het anc, het Nationale Uitvoerende Comité (nec). Drie jaar geleden zei hij de actieve politiek vaarwel en trok hij zich terug in een woning in het Kaapse kustplaatsje Betty’s Bay. Belangrijk: de naam Jeremy Cronin is nooit bij enig corruptieschandaal gevallen.

Ruim twee uur etaleert hij telefonisch zijn visie op het verval van het anc. Natuurlijk, zegt hij, de situatie liep onder Zuma volledig uit de hand en de corruptie werd onbeheersbaar. Maar het is te gemakzuchtig om Zuma als zondebok te presenteren. Voor Cronin was de economische context waarin de machtsoverdracht in 1994 plaatsvond de aanzet tot de teloorgang van de partij. Hij ziet Mbeki en zijn entourage als de boosdoeners.

Zijn verhaal luidt als volgt. De wereld was na de val van de Muur razendsnel veranderd, en de ooit zo dominante socialistische en communistische tendensen binnen het anc vonden internationaal geen weerklank meer. In Europa omarmden sociaal-democraten ‘neoliberalisme met een menselijk gezicht’. ‘Dat denken kreeg ook vat op een stroming binnen het anc’, zegt Cronin. Hij doelt op Mbeki, die zijn communistische verleden (hij was, net als Mandela, lid geweest van de sacp) in 1990 afzwoor. Vanaf 1996 werd Mbeki de belangrijkste man in het anc – hij fungeerde als premier terwijl Mandela vooral een symbolische rol vervulde. Mbeki omringde zich met gelijkgestemden, onder wie de minister van Financiën, de president van de Centrale Bank en de algemeen directeur van de rijksschatkist, die naar New York en Washington werden gestuurd om ervaring op te doen bij het imf en de Wereldbank – duivelse instanties in marxistische ogen.

Daarnaast speelde het Zuid-Afrikaanse bedrijfsleven een belangrijke rol in de anc-ommezwaai. Het land was begin twintigste eeuw economisch aantrekkelijk geworden dankzij zijn de grote voorraden goud, platina en diamanten. Er werden machtige bedrijven opgericht, zoals Anglo-American in 1917 en Sanlam in 1918. Hun probleem was dat ze tijdens de hoogtijdagen van de apartheid als gevolg van de sancties nergens heen konden met hun geld. Daarom kochten ze binnenlands bedrijven op. Op een gegeven moment, zegt Cronin, was een handvol Zuid-Afrikaanse topbedrijven goed voor tachtig procent van de lokale beurswaarde. Met lede ogen zagen ze toe hoe de rest van de wereld, vooral Azië, zich opende voor buitenlandse investeerders. Ze werden onrustig, en met name de mijnbouwgigant Anglo-American oefende grote druk uit op het anc om na 1994 toch vooral voor de kapitalistische koers te kiezen en de socialistische beginselen bij het vuil te zetten.

De sovjetverheerlijking zindert nog na. Zuma is dol op Poetin. Ook de regering-Ramaphosa is niet vies van een flirt met Moskou

‘Uiteindelijk’, zegt Cronin, ‘werden er hier twee overeenkomsten gesloten: de beroemde grondwettelijke en, minder bekend, de neoliberale deal die op conto moet worden geschreven van het netwerk van Mbeki.’ De hoop was dat met een open economie de buitenlandse investeringen zouden binnenstromen en de herverdeling van de welvaart automatisch zou volgen, zodat de schrijnende ongelijkheid tussen wit en zwart zou verdwijnen.

De Zuid-Afrikaanse President Cyril Ramaphosa, Pretoria, South Africa © Yeshiel Panchia / EPA / ANP

Maar Zuid-Afrika had twee problemen. Het opgepotte binnenlandse kapitaal gutste na 1994 naar buiten, en de buitenlandse investeringen vielen tegen. Met het verdwijnen van het communisme had Zuid-Afrika nauwelijks strategische waarde meer voor het Westen, terwijl de investeringsmogelijkheden elders voor het oprapen lagen. De wittebroodsweken, het ‘Mandela-effect’, duurden kort, zeker toen duidelijk werd dat de machtige vakbonden regelmatig opriepen tot verlammende en vaak gewelddadige stakingen. ‘De sociale en economische transformatie raakte in het verdomhoekje en de raciale, regionale en genderongelijkheid hield aan en werd in sommige opzichten zelfs erger’, zegt Cronin.

Dan was er de kwestie van de tienduizenden anc’ers die in ballingschap hadden geleefd en waren teruggekeerd, hopend op een goed leven. Maar hun vaderland bleek allesbehalve een vetpot. ‘Ik was straatarm en overleefde dankzij aalmoezen van het anc, blikken tonijn uit de Sovjet-Unie en tweedehands kleren uit Zweden’, vertelt Cronin over zijn eigen terugkeer in 1990. Hij had het nog relatief makkelijk, want in tegenstelling tot veel van zijn zwarte kameraden hoefde hij geen uitgebreide familie met hoge verwachtingen te onderhouden. Onderwijl legden Anglo-American en consorten een select groepje anc-leiders, onder wie Mbeki, in de watten. Zij verbleven na hun terugkeer in dure hotels en luxe appartementen. ‘Dat betrof pakweg dertig, veertig sleutelfiguren die door het bedrijfsleven waren geïdentificeerd als potentiële bondgenoten en die de nieuwe politieke elite zouden vormen.’

De Zuid-Afrikaanse captains of industry paaiden die nieuwe namen verder met aantrekkelijk geprijsde aandelen, die op termijn konden worden afbetaald. Binnen een paar jaar waren deze gunstelingen, onder wie de huidige president Cyril Ramaphosa, puissant rijk. ‘Het was allemaal bedoeld om maatjes te worden’, zegt Cronin. ‘In ruil voor het gedogen van een neoliberaal economisch beleid kreeg de nieuwe politieke elite een plek in de bestuurskamers, zonder dat ze daar iets voor hoefden te doen.’

De Mbeki-factie werd dominant binnen het anc, de anderen keken beteuterd toe. De eerste climax was de eerder genoemde arms deal. Dat, schrijft ex-anc-parlementariër Andrew Feinstein in zijn boek The Arms Deal in Your Pocket, ‘was het moment waarop Zuid-Afrika en het anc hun morele kompas verloren’. ‘Sommige van [Mbeki’s] naasten werden extreem rijk van die deal’, beaamt Cronin. De toon was gezet. Daarna kwamen de negen Zuma-jaren, en ontspoorde het land volledig. Een toekomstvisie ontbrak en roofkapitalisme vierde hoogtij. En omdat iedereen, van hoog tot laag, meedeed, hield iedereen zijn mond. Klokkenluiders werden bedreigd en soms vermoord. Er ontstond een uitgebreid crimineel netwerk met maffiakenmerken. Een voor een zegen de staatsbedrijven ineen. Treinen reden niet meer, post werd niet meer bezorgd, de nationale luchtvaartmaatschappij ging failliet, dagelijkse stroomonderbrekingen werden normaal. Om het plunderen te vergemakkelijken was op instigatie van Zuma de onafhankelijke Scorpions-eenheid, opgezet om de georganiseerde misdaad te bestrijden, opgeheven.

De vraag is hoe je dit als onkreukbare politicus onder je ogen kunt laten gebeuren. Cronins argument is dat het effectiever was om van binnenuit te vechten dan van buitenaf. ‘Deels zijn we daarin geslaagd’, stelt hij. Met name zijn tijd als onderminister van Publieke Werken beschouwt hij als succesvol. Hij en zijn minister troffen een corrupte bende aan, en slaagden erin om orde op zaken te stellen. Maar toen moest de minister wijken voor een van Zuma’s vazallen en herhaalde het plunderspel zich. ‘We stonden constant met onze rug tegen de muur’, zegt Cronin.

Het feit dat de staatsinkapseling lange tijd nagenoeg ongehinderd kon plaatsvinden heeft ook te maken met de intrinsieke anc-cultuur die draait om geheimhouding, de pers op afstand houden, en onderlinge spionage en chantage. Sommigen, zoals de aan het Afrika-Studiecentrum van de Universiteit van Leiden verbonden Britse historicus Stephen Ellis, traceren de bron van dit kwaad naar de jaren vijftig en zestig toen de communistische vleugel grote invloed had. Het waren de communisten, veelal witte mannen, die de zwarte anc-leiders ervan overtuigden dat vreedzaam verzet tegen het apartheidsregime een doodlopende weg was. In 1961 kondigde het anc daarom de vorming van de gewapende arm aan: Umkhonto we Sizwe (MK; Speer der Natie), met nauwe banden met China en later Oost-Duitsland en Rusland, waar militaire trainingen plaatsvonden.

De Zuid-Afrikaanse communisten hielden zich volgens Ellis buitengewoon strak aan de decreten die Moskou uitvaardigde. Ze hadden weinig keus, want Moskou zorgde voor de financiën die de beweging draaiende hielden. De sacp hanteerde de dogmatische lijn: tegenspraak werd niet geduld, het vrije debat evenmin. ‘Gewone kaderleden die kritisch waren of er ongebruikelijke opinies op nahielden werden vastgezet en soms zelfs vermoord. Alleen zij met hele goede connecties konden wat tegengas geven. Dit onderdrukken van kritiek zorgde ervoor dat corruptie moeiteloos kon plaatsvinden’, noteert Ellis in zijn boek External Mission: The ANC in Exile uit 2013.

Toen de Zuma-kliek in 2007 aan de macht kwam, viel die terug op dat oude denken – een giftige combinatie van stalinisme, traditionalisme en opportunisme: gehoorzamen aan de chief, geen respect voor de rechtspraak, geen respect voor de pers, een inlichtingendienst die er vooral is om jouw zaak te dienen, liquidaties om af te rekenen met opponenten, en diefstal als een vorm van compensatie voor het apartheidsleed. De sovjetverheerlijking zindert nog steeds na. Zuma is dol op Poetin. En ook de regering van Ramaphosa is niet vies van een flirt met Moskou. Zo is vicepresident David Mabuza geregeld in de Russische hoofdstad te vinden, en vertikt Zuid-Afrika het om de inval in Oekraïne te veroordelen.

Cronin kan zich gedeeltelijk vinden in de analyse van Ellis. Inderdaad, veel van de steun voor MK en het anc kwam lange tijd alleen uit de Sovjet-Unie. ‘Zij hielpen ons, niet de Zweden, niet de Duisters, niet het Westen.’ Dat de nauwe banden met Moskou resulteerden in een angstcultuur ontkent hij evenmin. ‘MK, de inlichtingendienst en daardoor ook het anc in ruimere zin waren beïnvloed door het sovjetblok.’ Maar die manier van opereren kun je goed verklaren: het anc en de sacp hadden te maken met doodseskaders die vanuit Pretoria op pad werden gestuurd om hun leiders in Swaziland, Botswana, Angola, Mozambique, Zimbabwe en Zambia uit de weg te ruimen: autobommen, vergiftiging, moordaanslagen. ‘Dus wat sommigen als paranoia beschrijven, zou ik een begrijpelijke bezorgdheid noemen’, zegt Cronin.

Schuif je dit alles over elkaar, dan krijg je een beeld van de complexiteit van het anc, en begrijp je ook iets meer van het recentste probleem: de hoofdkandidaat voor het partijleiderschap, Cyril Ramaphosa, de man die bij zijn aantreden vijf jaar geleden ‘schoon bestuur’ beloofde, is nu zelf in een schandaal verwikkeld. Zes maanden geleden kwam uit het niets de aantijging dat de president twee jaar eerder een enorme stapel dollars in een bankstel op zijn Phala Phala-boerderij had verstopt. Dat geld werd vervolgens gestolen en in plaats van de diefstal bij de politie te melden, gaf Ramaphosa zijn eigen beveiligingsdienst opdracht de zaak op te lossen. Hij zou wetten hebben overtreden door de buitenlandse valuta en de diefstal niet te hebben aangegeven. Het hoeft geen verbazing te wekken dat de aantijging afkomstig was van het ex-hoofd van Zuma’s Geheime Dienst, een van corruptie beschuldigde spion die eerder door Ramaphosa van zijn functie was ontheven.

Ramaphosa kwam na een lange stilte met een verklaring over een Soedanese zakenman die buffels van hem had gekocht, maar de geur van gesjoemel blijft hangen, en zijn politieke vijanden zullen er alles aan doen om zijn herverkiezing tijdens de vijfjaarlijkse nationale anc-conferentie, die van 16 tot 20 december plaatsvindt, te voorkomen. Cronin denkt niet dat het doek voor Ramaphosa voortijdig zal vallen. Zijn positie is door het schandaal aangetast, maar hij kan nog op voldoende steun rekenen. ‘Kijk, elders zou dit een enorme smet op het blazoen van de president zijn. Maar gezien de Zuid-Afrikaanse situatie is het beter als hij wordt herkozen. Want als het anc instort, dan stort het land in’, zegt hij. En met een wrang lachje: ‘Dat betekent natuurlijk niet dat daar niet iets goeds uit voort kan komen…’