Frank Noë: g

Wat de boer niet ziet

Frank Noë

g

Uitg. Querido, 212 blz., € 17,95

In de categorie dodelijke complimenten scoort «keurig» hoog. Is «Wat zie je er keurig uit» al een tamelijk twijfel achtige opsteker, inzake literatuur en aanverwanten staat keurigheid zo ongeveer gelijk aan de dood in de pot. Zo erg is het niet met de nieuwe roman van Frank Noë, maar er kleeft wel iets moeilijk definieerbaar «corrects» aan dit boek.

Noë koos als motto voor zijn roman een citaat uit de rampenfilm Fitzcarraldo van de Duitse regisseur Werner Herzog: «Van deze berg hangt mijn lot af.» In g moet net als in Herzogs film een berg worden bedwongen; de g verwijst naar gravity, de coëfficiënt van de zwaartekracht. Werd in Fitzcarraldo — ook om de film te kunnen maken — ten koste van indiaanse mensen levens een boot over een berg in het Amazonegebied heen gesjouwd, in g vallen doden onder Tanzaniaanse houtkappers bij het bouwen van een gigantische houtlift die de bergkloof tussen zagerij en plantages moet overbruggen. Het idee voor de lift is afkomstig van ene Kurt, om in Fitzcarraldo-termen te blijven een Klaus Kinski-achtige figuur, het prototype van de witte koloniaal die denkt met geld en ondernemingslust donker Afrika te kunnen temmen, en die bij de minste tegenslag in woedeaanvallen uitbarst. Noë’s held, Olav Matsen, komt met hem in aanraking in de trein naar Parijs en laat zich verleiden, voornamelijk uit verveling, om geld te steken in Kurts plannen.

In de belevenissen van Matsen in Tanzania verbeeldt Frank Noë de tragiek van de mens die meent als individu te kunnen ontkomen aan de wetten van het bestaan, toegespitst op de naïviteit van de Europeaan die denkt de afstand tussen zwart en wit te kunnen overbruggen. De introspectieve Matsen is een mooie antiheld die zowel het uitzinnige gedrag van Kurt als het fatalisme van de Tanzanianen gelaten gadeslaat. Hij is het type man dat denkt dat een prostituee echt van hem is gaan houden, in plaats van erop bedacht te zijn dat ze haar moment afwacht om met een maximale buit zijn huis te kunnen ontvluchten. En zo denkt hij ook in een idylle te kunnen leven met een dienstmeisje, een droom waaruit de dorpsbewoners hem en vooral ook haar hardhandig wekken.

Frank Noë is, met drie eerdere romans op zijn naam, waarvan de laatste, Het gemaal (2000) werd genomineerd voor de Librisprijs, een geoefend verteller met een knoestige schrijfstijl. In g geen poëtische evocaties van de woeste schoonheid van het Afrikaanse binnenland, maar nuchtere observaties van een man die niet ziet wat hij niet kent. «Olav kijkt uit over het dal. Naar hutjes die langs de rivier staan. Naar Kili Boards (de naam van de houtzagerij — mp). Het is een eenvoudige omgeving, zonder telefoon, televisie, en expats.» Even verderop: «Ze nemen de smalle paadjes tussen de oliepalmen door. Langs een bosje christmastrees met witgeverfde stammen, langs enorme ficussen. De rode kleigrond is hard en op veel plaatsen is het pad door het neerstromende water uitgesleten. Er zitten afdrukken van blote voeten in de klei. Langs het barretje van Mbonga, een hut van blokken omgebakken klei waar in de schemering vaak op de veranda bier wordt gedronken.»

De beschrijvingen zijn gedetailleerd genoeg om een geloofwaardige, realistische indruk te maken, maar ook nogal gewoontjes. Op dezelfde boertige manier wordt een inkijkje geboden in het zielenleven van Olav: «Lust heeft hem alleen maar ellende bezorgd. Zou het niet zonder kunnen? vraagt hij zich af. Verwijder je met lust ook niet direct het grootste probleem uit een relatie? Seks als de angel van alle ellende. (…) Dan draaien zijn gedachten door. Natuurlijk zou lust de kop weer opsteken, want mannelijke begeerte is niet te doven, alleen uit te stellen.» De maniak Kurt blijft een eendimensionale figuur, waarop Noë bij monde van zijn hoofdpersonage de ergste psychologie van de koude grond loslaat: «Agressie, denkt Olav. Is er een verschil met dierlijke lust? Lust en agressiviteit zijn bij Kurt toch hetzelfde?»

De heftigheid van de gebeurtenissen in g wordt af en toe bijna tenietgedaan door dergelijke simpel uitgedragen bespiegelingen. Aan de andere kant zou je kunnen zeggen dat deze vlakheid consistent is met het vlakke personage door wiens ogen wij de wereld waarnemen. Zelfs de zwartste pagina’s van het boek, waarin de neergang van Matsen wordt beschreven, behouden iets ordentelijks. «Is er echt niets meer te redden?»

Dat het menselijke hoogmoed is om te denken de wetten der natuur te kunnen tarten, brengt Frank Noë in g adequaat onder woorden. Misschien zó adequaat dat de roman een enigszins kale indruk achterlaat. «Afwachten, hopen en bidden, meer kan hij niet doen, hoe gruwelijk dat ook is.» Zogauw iets wordt benoemd als gruwelijk, is het al niet meer zo gruwelijk. Wat dat betreft is het jammer dat Noë zich niet iets meer duisternis, frictie of onbenoembaarheid heeft gegund.