Wat de buik vertelt

Joke J. Hermsen
De liefde dus
De Arbeiderspers, 325 blz., € 18,95

Hart of hoofd. De kwestie waar de liefde haar tanden op stuk bijt. Hoe die kwestie verpakt gaat is afhankelijk van tijd, plaats, cultuur. Maar of het nu om familie-eer gaat of om een modern probleem over conflicterende behoeften, de essentie blijft. Is het gevoel sterk genoeg om de scherpe randjes van rationele bezwaren te vijlen?

Met deze zelfde vraag worstelt het romanpersonage Belle van Zuylen in de vierde roman van schrijfster en filosofe Joke Hermsen, getiteld De liefde dus. Hermsen, die in eerder werk T.S. Eliot en Virginia Woolf als romanpersonage koos, verdiepte zich in het leven van Belle van Zuylen. Haar roman beslaat ongeveer een jaar uit het leven van de adellijke schrijfster, de periode waarvan bekend was dat er sprake was van een ongelukkige liefde. Het onderwerp van deze liefde is nooit bekend geworden. Hermsen kwam op basis van brieven en enkele andere documenten tot het vermoeden dat Belle’s geheime geliefde de bankier Charles Jean-Samuel d’Apples moet zijn geweest. Dit vermoeden werkte ze verder uit.

Belle is getrouwd met Charles de Charrière als ze verliefd wordt op de jongere Charles Jean-Samuel d’Apples. De verliefdheid is hevig en de pijn is groot wanneer Jean-Samuel besluit hun affaire te beëindigen vanwege zijn vaders afkeuring. Belle valt ten prooi aan vapeurs en reist af naar Parijs om de arts en alchemist Balsamo Cagliostro te consulteren. In Parijs rommelt de ophanden zijnde revolutie. Onderweg naar Parijs en tijdens haar verblijf houdt Belle een dagboek bij.

Dit dagboek, opgetekend in een aantal schriften, leest Jean-Samuel tijdens zijn overtocht naar Amerika. Hij was Belle achterna gereisd naar Parijs om haar zijn liefde te betonen. Met haar wilde hij zijn leven delen, ze zouden samen naar het nieuwe land gaan, Amerika, waar niemand hun samenzijn zou afkeuren. Een misverstand verstoort het geluk, Belle vertrekt halsoverkop uit Parijs en laat de schriften achter. Jean-Samuel weet ze te ontvreemden, en leest in zijn kajuit Belle’s kant van hun verhaal.

Deze afwisseling tussen de schriften en de boottocht vormt een geslaagde compositie: eenvoudig en spannend. Ook de plot waarin een misverstand het roer van het verhaal volledig omgooit, zit knap in elkaar. Mooi is te zien hoe de schrijfster ruimte heeft gevonden om haar verbeelding de vrije loop te laten waarbij ze zich toch aan een historisch gegeven heeft gehouden – dat Belle bij haar echtgenoot is gebleven. Maar is Hermsen erin geslaagd om ‘de precieze verhouding tussen rede en hartstocht’ te ontdekken, zoals ze in haar nawoord schrijft?

De vraag die hierbij onmiddellijk opdoemt, is in hoeverre het mogelijk is om het bij dit soort ongrijpbare onderwerpen over ‘precieze verhoudingen’ te hebben. Deze wetenschappelijke benadering lijkt in te druisen tegen de grillige aard van de liefde. Toch is het precies die benadering die de roman de moeite waard maakt. Neem Cagliostro’s relaas over de buik, volgens hem de bron van het zuivere willen. De ziekte van deze tijd is dat mensen met hun hoofd leven – aldus Cagliostro. En dat terwijl het in de liefde enkel om willen gaat.

Hoe wetenswaardig het gedachtegoed van deze achttiende-eeuwse graaf ook is, in een roman wil je dat bepaalde ideeën en gedachten invoelbaar worden gemaakt. Hermsen laat Cagliostro het volgende zeggen: ‘(…) de strijd die de schrijver voert, lijkt op die van de verliefde. Beiden trekken zich op het moment van de roes of het scheppen weinig aan van de wereld. En dat is maar goed ook, want anders zouden zij slechts kunnen omarmen wat er reeds is en de inzichten herhalen die we reeds verworven hebben.’

Bij vlagen lijkt de schrijfster door zo’n roes bevangen te zijn waardoor ze een eigen wereld weet op te roepen en Belle’s beleving authentiek aanvoelt. Bijvoorbeeld wanneer deze de blik van haar geliefde probeert te beschrijven. Belle zoekt naar woorden, het heeft iets met ‘een soort oeroude intuïtie’ te maken, en ook met dood en sterven. Wat het ook precies moge zijn, deze blik heeft haar leven veranderd. Daar tegenover staan wat minder originele observaties – zo voorziet de aanwezigheid van een geliefde alles ‘wat grauw en grijs was van kleur’. Belle’s overpeinzingen blijven soms steken in een papieren werkelijkheid, af en toe niet ver verwijderd van het cliché: ‘Gelukkig kortom zijn zij die het hier en nu accepteren, ongelukkig zij die menen dat het geluk elders op hen ligt te wachten.’ Daarbij lijkt Belle gespeend van zelfrelativering, wat haar teksten soms een loden kwaliteit geeft. ‘Zoals het vuur de lucht nodig heeft om te branden en de gewassen het water nodig om te kunnen groeien, had ik hem nodig om te kunnen voelen dat ik leefde.’

Het sterkst is Hermsen in de meer beschouwende, essayistische passages. Bijvoorbeeld als Belle in een brief aan een vriend uiteenzet wat er mis kan gaan, en bij haar mis ís gegaan, in de liefde. Liefde die door te veel hartstocht wordt geleid draagt een vernietigende kracht in zich, omdat het ertoe leidt dat twee mensen volledig met elkaar willen versmelten. Daarmee putten ze de bron van de liefde, het vreemd zijn aan elkaar, uit. Een prikkelende gedachte. Nóg mooier zou het zijn wanneer deze meer voort zou vloeien uit de ervaring van de personages. Maar gezien de vorm – een mengeling van dagboekfragmenten, brieven en verhalend proza – en het personage, een schrijfster, kun je ook zeggen dat Hermsen een passende stijl heeft ontwikkeld om Belle’s tweestrijd te vatten. Voor een schrijfster (schrijver) is schrijven immers de manier om te ontdekken wat haar buik haar vertelt.