António Lobo Antunes

Wat de mannen bindt zijn de vrouwen

In hun naoorlogse leven klampt een aantal mannen zich aan het dichtstbijzijnde vast. In een lange nacht zoeken de drenkelingen houvast bij elkaar, een schijnbaar gemeenschappelijk verleden, een nieuwe fles, een morsig vrouwenlijf – uitstel van de onmogelijke realiteit.

António Lobo Antunes

Fado Alexandrino
Uit het Portugees (1983) vertaald door Harrie Lemmens, Ambo, 605 blz., € 22,95

Op zijn 28ste diende António Lobo Antunes (1942), na zijn studie medicijnen – hij werd psychiater – als officier in de koloniale oorlog van Portugal in Angola. Daar begon hij te schrijven. Hij kwam na 28 maanden terug maar publiceerde pas in 1979; toen had hij al drie boeken klaar. Dat hij zelf de oorlog heeft meegemaakt is even belangrijk als zijn ervaring met de veertigjarige dictatuur van Salazar en Caetano. In een vrij recent interview zei Lobo Antunes: ‘Eigenlijk heb ik nooit over de oorlog geschreven. Het zou veel te moeilijk geweest zijn. Ik had er een statement of reportage over kunnen schrijven – misschien nog wel een essay, maar geen roman.’ Waar gaan die romans dan wél over? In De Judaskus – uit 1979, het eerste boek dat vertaald werd, in 1991, herdrukt in 2002 – vertelt een psychiater aan een anonieme vrouw over de oorlog in Afrika. Kennelijk bedoelt Antunes dat zo’n verhaal niet over de oorlog gaat, maar over de verwoestingen die oorlog bij individuen aanricht – in het meervoud. Dat verklaart waarom hij eenzelfde verhaal, dat in de monoloog van De Judaskus nog betrekkelijk rechtlijnig wordt verteld, in Fado Alexandrino totaal verknipt over een viertal personages heeft verdeeld. Op grond van de paar boeken die ik ken, wekte de roman bij mij verwachtingen die niet blijken uit te komen. Zulke verwachtingen kunnen door een al te korte en versimpelende aankondiging of samenvatting gewekt worden: ‘Tien jaar na hun terugkeer in Portugal ontmoeten vier soldaten, die samen tijdens de koloniale oorlog in Mozambique hebben gevochten, elkaar in een restaurant in Lissabon: een soldaat, een vaandrig, een luitenant en een luitenant-kolonel. En dan is er nog een vijfde persoon, die door de andere vier wordt aangesproken als kapitein. Hij is hun vroegere bevelhebber, maar zo lijkt het, ook de regisseur van deze met veel drank overgoten avond die in de vroege ochtend op dramatische wijze eindigt.’ Ik citeer de flaptekst. Daarmee is verder niks mis, want de uitgever kan toch moeilijk zeggen dat als je het boek zo samenvat er niks van overblijft? Dat je het alleen kunt lezen als je er een paar dagen voor uittrekt – alleen doorlezen helpt – en als lezer beter zelf de regie ter hand kunt nemen? De roman bestrijkt inderdaad één lange nacht waarin vijf mannen in gezelschap van evenzoveel vrouwen twaalf jaar van hun leven de revue laten passeren – de revue laten passeren, onzin, al klopt het woord ‘revue’ wel.

Na een pagina of zestig dacht ik inderdaad nog dat de roman de ontheemding en verwarring liet zien van mannen die na twee jaar terugkeerden in het inmiddels volkomen geïdealiseerde vaderland. Ieder van hen stelt vast dat de oorlog hem dusdanig had aangetast dat het onmogelijk is het vroegere leven zomaar weer op te pakken. Eerst komt de gewone soldaat in beeld: ‘En hij dacht Ik ben in Lissabon en in Mozambique, ik zie tegelijkertijd de burgermanshuisjes op afbetaling en de bomen van het oerwoud…’ Op de tweede pagina is Lissabon voor hem al één grote teleurstelling. Dat is de stem van één man en het leed is nog te overzien. Na zeventien pagina’s laat de man zich horen die kapitein genoemd wordt en tegen wie de vier aanpraten; hij is praatpaal, geeft nauwelijks commentaar, maar doet af en toe wel mee met de drank en de wijven.

Bij het verhaal over de teleurstelling van de soldaat voegt zich dat van de vaandrig, die toentertijd nog een vrouw en dochtertje had, en zijn baantje op de bank voortzette. Thuis was hem alles vreemd. Bezwerend zegt hij: ‘Er is geen oorlog geweest er is geen oorlog geweest er is geen oorlog geweest, en ik begon langzaam, heel langzaam te vergeten.’ Op bezoek bij de patserige familie van zijn verloofde – die voor de revolutie een goed heenkomen in Brazilië zal zoeken, een hilarische episode – moet hij aan het zwarte meisje denken, hem door een catechist aangeboden, zogenaamd tien jaar, waarschijnlijk niet ouder dan zeven, dat hem met een pop in de hand en een glazige blik in een hut opwacht. De luitenant-kolonel wilde bij terugkeer alleen maar weten waar zijn net aan kanker overleden vrouw begraven lag en begint een relatie met een veeleisende galeriehoudster. De soldaat probeert het verhuisbedrijf van een oom voor de ondergang te behoeden.

Iedereen probeert er het beste van te maken, wat vooral wil zeggen: het vege lijf te redden. In hun naoorlogse leven klampt ieder zich aan het dichtstbijzijnde vast, zo is het ook in deze nacht: de drenkelingen zoeken houvast bij elkaar, een schijnbaar gemeenschappelijk verleden, een nieuwe fles, een morsig vrouwenlijf – uitstel van de onmogelijke realiteit. Dan is de roman over koloniale oorlog, terugkeer en revolutie al uit de klauwen aan het lopen. Eenstemmig begonnen met het verhaal van één man, de soldaat of de kapitein, wordt het een door elkaar heen lallend koor, waarvoor het woord kakofonie nog een eufemisme is: luchtbellen aan de oppervlakte van een moeras. In één en dezelfde zin – maar in een hoofdstuk wordt er achter een zin zelden een punt gezet – beginnen niet alleen heden en verleden door elkaar te lopen, waarbij je nog kunt denken: ja, zo ziet het er in een mensenhoofd uit; maar je moet niet raar opkijken als het onderwerp in dezelfde zin achter of al voor de komma een andere stem heeft. Ik wil niet zeggen dat de schrijver het de lezer moeilijk maakt, onnodig moeilijk heet dat dan, maar voor de schrijver is zoiets gemakkelijker dan voor de lezer.

Om misverstand te vermijden: Lobo Antunes hanteert niet de techniek van de innerlijke monoloog, die doorgaans vooral realistisch lijkt. Het is niet eens een meerstemmige monologue intérieur (zoals The Waves van Virginia Woolf); het is ook geen verward over meer personen verdeeld verhaal van binnenuit. Er wordt niet gedacht: al of niet hardop uitgesproken woorden zijn van dezelfde aard als wat mensen doen. Alles loopt door elkaar, is groezelig, onwelriekend, kleverig. In die termen verschijnt ook de stad, als een wijdvertakte goot: ‘De Taag was een walgelijke, door verbrokkelde muren en fabrieksschoorstenen samengeperste strook slijk waarin gesloopte scheepjes en tot houten balken vol rot herleide resten van de gesloten dokken lagen te vergaan, terwijl aan weerskanten grieperige vogels zaten te rillen in holtes van de voorgevels, de zon vocht moeizaam tegen de rossige, bijna vaste mist van de middag, jouw oma schoot als gerimpeld koraal wortel in de woonkamer en waakte met haar felle inktvisoogjes over mijn verlangen naar jou…’ – citeren kan nauwelijks, want het gaat om hele pagina’s waar pas geleidelijk, in de verschuiving, van in dit geval stadsbeschrijving en familiale rot, tekening begint te komen. Hoe beeld je de schipbreuk van een gerampeneerde generatie uit? Zo: in een vertraagde opname, meerstemmig, zonder perspectief (in technische én inhoudelijke zin).

Minstens na een tiende van het boek kun je elke samenvatting maar beter vergeten. Het is wel zaak de vier mannen zo veel mogelijk uit elkaar te houden. Ze hebben het nodige met elkaar gemeen, zodat je zou kunnen denken dat ze inwisselbaar zijn. Zeker als militaire rangen je niks zeggen en drie mannen alleen maar af en toe bij hun voornaam genoemd worden, en één (de verbindingsofficier, een luitenant) nooit, is dat lastig. Toch is dat nu juist de kunstgreep van Lobo Antunes, dat hij vijf mannen uit geheel verschillende milieus bijeenbrengt. In feite is dat het resultaat van het leger en de politieke gebeurtenissen, misschien moet je wel zeggen: van de in haar toeval altijd ironische geschiedenis. Wat de mannen veel meer bindt, wordt gaandeweg duidelijk: het zijn de vrouwen, of liever hun honger naar geborgenheid. In de loop van de nachtelijke gesprekken komen ze te weten dat minstens drie vrouwen telkens met twee van de vier mannen tegelijk omgang hadden, zonder het te weten en zeker ook zonder het te willen, de mannen bedoel ik. De soldaat weet niet dat zijn vrouw Odete, door wie hij als een stuk vuil behandeld wordt, onder de naam Dália in een maoïstische voorhoedeorganisatie aan revolutie doet en in die rol de verbindingsofficier het hoofd, ook politiek, op hol brengt. En de verbindingsofficier weet op zijn beurt weer niet dat hij het doet met de vrouw die de luitenant-kolonel als wolk parfum het leven vergalt. En die deelt weer zonder het te weten een werkster met de soldaat, die voor een kunstschilder de hoer speelt om aan geld te komen voor zijn veeleisende verloofde.

De mannen zijn stuk voor stuk van vrouwen afhankelijk, dus van hun eigen behoeften; omgekeerd zijn alle vrouwen in het boek gehaaide intrigantes. De mannen denken niet, of alleen in functie, ze reageren. De vrouwen doen maar en ontspringen allemaal de dans – ook de vijf hoerige wezens waarmee de ex-militairen de lange nacht doorbrengen – terwijl de mannen één voor één schipbreuk lijden en als menselijk wrakhout aanspoelen; als dat niet al in 1972 het geval was. Je waant je af en toe in een roman van Dostojevski; van psychologie is ook bij Antunes geen sprake. Het enige motief is: maken wat ervan te maken valt, goedmaken wat fout loopt; geen van deze mensen doet iets vanuit een idee – of het bestaat uit grote woorden, zoals de verbindingsofficier tot het laatst in de revolutie blijft geloven.

De verbindingsofficier wordt kort voor de revolutie zwaar gemarteld door de geheime politie, die van hem wil weten hoe de Organisatie eruitziet. De lezer weet dat ‘de Portugese Marxistisch-Leninistisch-Maoïstische Organisatie’ een lachertje is: als ze om aan geld te komen voor de aanstaande staatsgreep met waterpistooltjes een bank overvallen, blijkt de bank die dag gesloten. De marteling is er niet minder om; angstwekkender is de ontdekking van de gemartelde dat zijn verblijf bij de pide de mooiste tijd van een huwelijk tussen slachtoffers en dictatuur was: ‘Want als wij het niet heerlijk hadden gevonden om mishandeld en vertrapt te worden, om af te zien en te lijden, betoogde de verbindingsofficier terwijl hij zijn vinger in mijn ribbenkast boorde, hoe denkt u dan dat de dictatuur zo lang stand kon houden, kapitein?’

Als oorlog en dictatuur massa’s mensen vermalen hebben, wordt de echte revolutie van april 1974 in de roman een mallemolen. Daarin maakte de luitenant-kolonel destijds ongeveer per uur een draai, zoals iedereen. Na veertig jaar dictatuur scheen niemand enig benul van vrijheid te hebben, althans volgens deze roman, die van 1983 is. Toch vervalt Lobo Antunes nergens in superieur, goedkoop cynisme. Van mededogen met zijn drenkelingen is nauwelijks sprake, maar ook niet van leedvermaak. Zoals de soldaat in het begin om zichzelf iets wijs te maken herhaalde dat er geen oorlog was geweest, herhaalt hij tegen de ochtend van deze Walpurgisnacht: ‘Er is helemaal geen revolutie geweest, luitenant, accepteer dat nou toch eens, hield de soldaat vol, wat voor verschil is er nou tussen ’74 en nu, behalve dat we minder geld hebben en het een grotere rotzooi is?’

De helse nacht is inmiddels dol aan het draaien: als het licht wordt is de derde cirkel bijna rond. Het begon ’s avonds op een bataljonsreünie. ‘Voor de revolutie’ heet het eerste deel, dat als vertrekbasis een restaurant heeft. Het tweede deel, ‘De revolutie’, speelt zich af in een schamele nachtclub, waarna vijf mannen met vijf willige vrouwen de dag zien aanbreken in het appartement van de vaandrig: ‘Na de revolutie’. Dat één van hen met een mes wordt doodgestoken en vervolgens, als men zich aan het stinkende geval begint te ergeren, in de voorraadkamer of in een pissoir wordt opgeborgen, doet er even weinig meer toe als wat dan ook, of het nu de revolutie of de lesbische capriolen van de rijke vrouw van de vaandrig betreft. Af en toe maakt de schrijver er een potje van, bijvoorbeeld als hij de vaandrig ook nog met een tirannieke dwerg-arts laat samenwonen. Maar het is al knap dat hij aan het boek een eind heeft weten te maken: iedereen strandt – in het moeras. Overigens weet de politie wel erg snel de identiteit van de daders te achterhalen; voor de lezer is die na zeshonderd pagina’s steeds warriger geworden.

Dat heeft ook iets met de blik van het verhaal te maken. Lobo Antunes vertelt niet van binnenuit, wel van heel dichtbij. Als elk lichaamsdeel waar de mannen zich aan vastklampen een landschap van kraters, puisten en glibberigheden wordt, laat die blik van veel te dichtbij even weinig van zelfs de mooiste vrouwenrug heel als van wat ook in de roman, ongeacht of het om mensen of om ruimtes, situaties en gebeurtenissen gaat. Misschien blijft er voor de lezer maar één ding over: daarop doorgaan, nog meer inzoomen, en als je eenmaal het geheel een beetje overziet, wat langer stilstaan bij een passage, een bladzijde, een (lange) zin.