De economie van de ronde van Frankrijk

Wat de nieuwe mens vermag

Een zuivere Tour was en blijft een mythe. Gelukkig maar. De Ronde van Frankrijk is eindelijk de 21ste eeuw in geslingerd en worstelt nu ook met durfkapitalisten en genetische manipulatie. Zelden was wielrennen zo boeiend.

‘Ik zag hier nog geen bloed aan de paal’, merkte nos-commentator en oud-wielrenner Maarten Ducrot vorige week woensdag op tijdens de beklimming van de Aubisque. Het was de finale van de zestiende etappe, een van de zwaarste. Op de steile flanken van de 1709 meter hoge berg hors categorie demarreerde de Spanjaard Alberto Contador diverse malen om zijn directe concurrent, geletruidrager Michael Rasmussen, stuk te krijgen. Rasmussen pareerde de aanvallen. Hij ging die middag niet kapot, werd niet de vernieling in gereden en ging evenmin over de kop. Sterker nog, Rasmussen deelde een pak slaag uit aan de concurrentie. Zo heet dat in goed wieleriaans, een jargon met een opmerkelijke voorliefde voor destructie en oorlog. Pas ’s avonds, na afloop van de door Rasmussen gewonnen rit, kwam de Deen de spreekwoordelijke man met de hamer tegen. Theo de Rooij was zijn naam, directeur van de Rabobank-ploeg. De zestig kilo wegende klimmer Rasmussen werd op staande voet ontslagen. Toen geloofde niemand meer in een zuivere wielerronde. Die hang naar puurheid is kenmerkend voor de Ronde van Frankrijk. De wereld draait door, maar de Tour doet alsof de tijd stilstaat. Neem de strikte rolverdeling binnen wielerploegen tussen leidende ‘kopmannen’ en volgzame ‘knechten’ en ‘meesterknechten’. Het past in het katholieke ideaal van een middeleeuwse standenmaatschappij, waarin iedereen zijn plaats kent en daar tevreden mee is.

Ook nu worden de perikelen rond verboden middelen neergezet als een heuse eindstrijd tegen het dopingkwaad. Tourdirecteur Prudhomme hamerde de afgelopen weken bij ieder incident op het belang van een ‘zuivere Tour’ en zelfs een ‘ethische revolutie’. Het Financieele Dagblad sprak in een hoofdcommentaar (!) van een ‘ethisch reveil’, passend ‘in een klimaat waarin een kabinet oproept tot een discussie over normen en waarden, bedrijven zich zorgen maken om hun sociale gezicht en pensioenfondsen de nadruk leggen op maatschappelijk verantwoord beleggen’.

Met een terugkeer naar de zuiverheid heeft dat niets te maken. Sport voltrekt zich niet in een vacuüm. Het speelt zich af in de echte, vuile wereld. Vroeger was het niet anders. De tweede editie van de Tour liep in het honderd toen de top-vier van het klassement gediskwalificeerd werd wegens vals spel. Alle controleposten onderweg ten spijt bleken veel renners een kortere route te hebben gefietst. Sommigen namen de trein. ‘De grote kruistocht van de wielersport mag niet eindigen met zo’n valse noot’, zou organisator Henri Desgrange in reactie op dit debacle hebben gezegd.

Vele jaren later was het de vervanging van de landenteams door ploegen van commerciële sponsors die tot consternatie leidde. Sommige media dreigden uit protest de verslaggeving te staken. Tegenwoordig is het publiek niet anders gewend. Hetzelfde geldt voor de steeds geavanceerdere trainingstechnieken, voedingschema’s en het hypermoderne materiaal. De fietsen wegen inmiddels minder dan tien kilo. En het ene team heeft veel meer geld dan het andere.

Dat is allemaal niet zo erg als het lijkt. Want wat is de essentie van sport? Het toont wat de mens vermag. Dat gebeurt door hem of haar op de meest brute wijze te beproeven. Van alle sporten komt die essentie in het wielrennen misschien wel het duidelijkst naar voren. Vergeleken met voetbal of de Formule 1-races spelen technische vaardigheden en duur materieel een veel kleinere rol. Op de mooiste momenten, niet zelden in de bergen, vallen ook de allerbeste knechten weg en staan de kampioenen er alleen voor. Dat was zelfs het geval bij de superploeg van zevenvoudig Tourwinnaar Lance Armstrong. Het gaat er daarbij niet om waartoe mensen in staat zijn in een fictieve natuurtoestand. Het menselijk potentieel wordt namelijk begrensd door de omstandigheden. Maar de ontketende mens laat zich niet zomaar begrenzen door fysieke, mentale of andersoortige obstakels. Om dat spanningsveld draait het in de Tour: om het rauwe hier en nu. Wat betreft dat rauwe hier en nu zit het wel goed met de Tour, zeker nu zij dit jaar dan eindelijk de 21ste eeuw heeft betreden. Om te beginnen heerst ook in het wielrennen de permanente uitzonderingstoestand, bekend van de war on terror. Niet langer gelden rechtstatelijke principes als dat iemand onschuldig is tot het tegendeel is bewezen, of dat een verdachte niet mee hoeft te werken aan zijn eigen veroordeling. Renners moeten zich 24 uur per dag beschikbaar houden voor controles. Als er één gepakt wordt, of die nu Vinokourov of Moreni heet, mag het hele team naar huis. En interessant voor de Nederlandse discussie: afgeronde strafzaken kunnen heropend worden. Niets geen ne bis in idem. Iedere wielrenner is kortom een potentiële dopingzondaar. De bewijslast ligt, omgekeerd, bij hem. Dus Rasmussen: laat dat ticket naar Mexico zien als je beweert dat je daar trainde en niet in Italië.

Ook de spreekwoordelijke werkvloer gaat met zijn tijd mee. De terminologie mag feodaal zijn, ook in de wielersport is de getalenteerde professional in opmars. Deze nieuwe werknemers zijn formeel ondergeschikt aan de kopman maar allerminst vervangbaar, zoals het woord knecht ten onrechte suggereert. Tekenend voor de toegenomen sociale mobiliteit in het peloton zijn de tegenvallende prestaties van diverse kopmannen deze Tour en de successen van ‘tweede mannen’ als Contador en Rasmussen.

Op sociaal-economisch vlak blijft de Tour overigens niets bespaard. Deze week werd bekend dat zelfs de durfkapitalisten op het wielrennen azen. De Britse investeringsgroep CVC Capital Partners heeft met het wielerveld gesproken over overname van alle rechten. Ook Hein Verbruggen, oud-voorzitter van de internationale wielerbond uci, zou samen met een kapitaalkrachtige partner de sport hebben willen opkopen. Blijkbaar gaan zij ervan uit dat ze door de slechte wielerconjunctuur de boel voor een prikkie kunnen overnemen. Een gesaneerde wielrensport zou vervolgens met winst in de markt gezet kunnen worden.

Critici beweren zelfs dat het voortdurend lekken van informatie over dopingschandalen in deze Tour de prijs voor potentiële investeerders verder moest drukken. Nu vechten de Tourorganisatie en de wielerbond uci elkaar de tent uit, elkaar verwijtend soft on doping te zijn en een vuil spelletje te spelen. In navolging van de rest van de planeet is ook in het wielrennen het unipolaire machtssysteem tanende. Een scheuring en de oprichting van een concurrerende internationale koepel inclusief eigen kampioenschappen, zoals we dat kennen van het boksen, dreigt.

En dan zijn er nog de dopingschandalen zelf. Die roepen de meeste weerzin op, en terecht. De verboden middelen veranderen niet alleen de maatschappelijke context waarbinnen het wielrennen zich afspeelt, maar raken aan de essentie van het wielrennen. Ze leiden tot onzekerheid over wat de mens vermag. De verwachte opkomst van genetische doping, waarbij stamcellen ingebracht worden die zo geprogrammeerd zijn dat het lichaam zelf meer epo of testosteron aanmaakt, roept de vraag op wat de mens is.

Morele verontwaardiging over ‘van nature’ is overbodig. Toegenomen kennis van voeding en training heeft er al voor gezorgd dat sporters ver boven hun ‘natuurlijke’ kunnen zijn uitgestegen. Tourwinnaars waren bovendien in fysiek opzicht zelden natuurlijk, in de zin van doorsnee menselijk. Zo zou vijfvoudig tourwinnaar Miguel Indurain (1991-1995) een abnormaal groot hart hebben. Doping democratiseert in dat opzicht het nietzscheaanse ideaal van de supermens.

De mens kan en mag zichzelf kortom veranderen en verbeteren. Waarom dan alle consternatie over doping?

Allereerst omdat we weliswaar renners willen zien die zichzelf de vernieling in rijden, maar niet definitief. Na de worsteling moet de wielrijder boven komen en niet ten onder gaan. Doping die een gevaar vormt voor de gezondheid past daar niet bij.

Oprechte bezorgdheid over gezondheidsrisico’s verklaart nog niet waarom uitgerekend de laatste jaren de strijd zo fanatiek gevoerd wordt. Van alle Tourwinnaars was volgens de Volkskrant de Belgische klimmer Lucien van Impe in 1976 de laatste die tijdens zijn carrière nooit betrapt is op dopinggebruik. Niets nieuws onder de zon dus, zou je zeggen. Blijkbaar is er meer aan de hand. Doping is een wapen geworden in de strijd tussen diverse partijen om het ‘merk’ Tour de France, om de exploitatie van een brand.

En misschien wel het belangrijkste: de nieuwe hang naar zuiverheid domineert tegenwoordig niet alleen het wielrennen maar de hele maatschappij. In een op hol geslagen, globaliserende wereld groeit de behoefte aan zekerheden buiten die veranderlijke moderniteit. De mythe van de zuivere sport, met eerlijke, pure mensen die buitengewone prestaties leveren, biedt zo’n anker. Dat was rond het vorige fin de siècle zo toen de Tour begon en dat geldt nu weer. Hoe herkenbaar de liegende Rasmussen ook is voor ons, als de aap uit de mouw komt voelen we ons toch bedrogen.

Voor wie niet wil of kan geloven in dat anker blijft het wielrennen nog wel even de moeite waard. Ook in deze ronde stonden de vier beste mannen van het peloton er op de Aubisque alleen voor. Al blijft het gissen hoeveel van hen een extra zetje kregen van de verboden middelen, aan de spanning doet het weinig af. De vermaatschappelijking van de Tour, de ethische debatten rond dopinggebruik en het filosofische vraagstuk van de nieuwe mens voegen bovendien een extra dimensie toe aan het wielrennen. Zo belooft de sport de komende jaren bloedstollend te blijven – wat in het tijdperk van de epo, het middel dat bloed dik als stroop maakt, overigens een dubbelzinnige term is.