Wat de vrouw wou

De radicale feministes uit de tweede helft van de vorige eeuw kwamen geïsoleerd te staan, terwijl de grote meerderheid profiteerde van een stug volgehouden strijd voor concrete verbeteringen en groeiend zelfbewustzijn.

Marian van der Klein & Saskia Wieringa (red.)

Alles kon anders: Protestrepertoires in Nederland, 1965-2005

Aksant, 184 blz., € 17,50

Ze hebben echt bestaan, de ‘femsokken’. Nee, ik doel nu niet op de vrouwonvriendelijke bijnaam van radicale feministes, met hun zelfgebreide slobbertruien, bloempotkapsels en make-uploze gezichten, die je wanneer je de deur voor ze open hield, beschuldigden van masculien superioriteitsgevoel of dachten dat je iets van hen wilde. Dat dergelijke vrouwen er zijn geweest, dat heeft iedereen van boven de 35 met eigen ogen kunnen waarnemen.
Nee, op bladzijde 94 van Alles kon anders staat een foto van echte femsokken. Grove sokken waarin niet alleen het vrouwenteken maar ook het woord ‘femsoc’ (de afkorting van ‘feministies socialisme’) is gebreid. Helaas is het een zwart-witfoto, zodat we naar de vele kleurtjes moeten raden, al zal er vast veel paars, roze, oranje en bruin in zijn verwerkt. De foto dateert immers uit 1978 en in visueel en esthetisch opzicht vormden de jaren zeventig zo’n beetje het dieptepunt van de twintigste eeuw.

Dat die foto is opgenomen in een bundel artikelen over de ontwikkeling van sociale bewegingen in Nederland gedurende de afgelopen veertig jaar is geen flauw geintje. Zoals voor elke protest- of emancipatiebeweging waren ook voor de vrouwenbeweging uiterlijke kenmerken van het grootste belang. Ze gaven immers uitdrukking aan de eigen identiteit en droegen een boodschap uit. De afzichtelijke sokken en de overige, bewust onelegante kleding van veel feministes waren immers een vorm van protest tegen de door mannen gedomineerde maatschappij, waarin vrouwen louter werden gezien als lustobject of decoratieve accessoire. Het uiterlijk was een duidelijk kenmerk van een eigen, feministische subcultuur.

In de literatuur over sociale bewegingen worden vaak drie strategieën onderscheiden. In deze bundel worden ze door Saskia Poldervaart als volgt beschreven: de utopische of ‘doe-het-zelf-strategie’, de revolutionaire strategie en de onderhandelingsstrategie. Voor een groot deel is deze indeling gebaseerd op de ontwikkeling van de meest succesvolle sociale beweging, de socialistische arbeidersbeweging, waarin deze strategieën ook in deze volgorde hebben gedomineerd.

In de eerste fase ontstonden organisaties van onderop, gebaseerd op onderlinge hulp en het zelf ontwikkelen van alternatieven voor de bestaande samenleving, waarbij men zich afzijdig hield van de staat. Binnen de socialistische beweging maakte deze ‘utopistische’ benadering al snel plaats voor de revolutionaire strategie, die gericht was op het verslaan van de vijand (het kapitalisme en de daarmee verbonden staat). Pas wanneer dat doel bereikt was, kon men gaan nadenken over hoe men zou willen leven. Het uiteindelijke doel was het belangrijkste, de weg erheen van ondergeschikt belang.

Hoewel dit doel in West-Europa nergens werd bereikt, werd de socialistische beweging wel zo machtig dat de heersende klasse niet om haar heen kon. Hierdoor kon men invloed uitoefenen en tot op zekere hoogte de bestaande machtsstructuren veranderen. Het vage maar fraaie toekomstbeeld verdween geleidelijk uit beeld, het consolideren en zo mogelijk uitbouwen van de invloed werd een doel op zich.

Wie de sociale bewegingen die in de loop van de jaren zestig opkwamen wil analyseren met behulp van dit model moet in ieder geval de indeling niet beschouwen als een chronologie. Omdat de klassieke arbeidersbeweging zich volledig had vereenzelvigd met de onderhandelingsstrategie – wat niet zo gek was omdat er heel veel was bereikt – was dit voor veel andere bewegingen een schrikbeeld. De voormannen van de sociaal-democratie of de vakbeweging leken in niets meer op inspirerende leiders als Domela Nieuwenhuis en Troelstra, maar waren volledig ingekapseld in het systeem en onderhandelden alleen nog maar over ‘een centje meer en een uurtje minder’. De in deze jaren opkomende Nieuwe Sociale Bewegingen (omdat de afkorting hiervan wat ongelukkig is, worden ze in de literatuur meestal aangeduid als New Social Movements) putten dan ook dankbaar uit de andere strategieën en bijbehorende actievormen.

De bundel Alles kon anders komt voort uit een eind 2005 gehouden symposium van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis en het Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging, beide gevestigd in Amsterdam. Deze bijeenkomst stond in het teken van wat ‘protestrepertoires’ worden genoemd, de verschillende actie- en strijdmiddelen die een beweging gebruikt. Hoewel oudere sociale bewegingen vaak als inspiratiebron fungeren, worden actievormen zelden of nooit klakkeloos overgenomen. Bovendien veranderen ze zodra ze in handen komen van nieuwe actievoerders. Zo leek de bekende vrouwenstaking van 1981 – waaraan een artikel is gewijd – uiteraard niet op een staking van werknemers en zag de zelforganisatie van feministes rond 1970 er heel anders uit dan die van arbeiders aan het einde van de negentiende eeuw.

Werd er in het verleden vooral naar de doelstellingen en organisatievormen van sociale bewegingen gekeken, de laatste jaren komt er steeds meer aandacht voor de uiterlijke kenmerken, voor de stijl van verschillende bewegingen. Vroeger werd gedacht dat de vorm ondergeschikt was aan de inhoud, maar onderzoek naar politieke ontwikkelingen heeft aangetoond dat de stijl van politiek bedrijven geen bijzaak is. De wijze waarop bewegingen zich presenteren heeft grote invloed op de politieke agenda.

Hoewel in deze bundel ook aandacht wordt geschonken aan de vredesbeweging, de homobeweging en veranderende acties van werknemers, gaat meer dan de helft van de bijdragen over de Tweede Feministische Golf. In deze artikelen komen de verschillende strategieën die door de vrouwenbeweging werden gebruikt aan bod. Tevens wordt duidelijk dat discussies over de stijl van actievoeren alles te maken hadden met de vraag voor welke strategie men moest kiezen.

De in 1968, door onder anderen Joke Smit en Hedy d’Ancona, opgerichte actiegroep Man Vrouw Maatschappij (mvm) koos heel duidelijk voor de onderhandelingsstrategie. De groep, waar zelfs enkele mannen lid van waren, richtte zich vooral op het beïnvloeden van politieke partijen als de pvda en d66. Daarnaast wist men in kranten en tijdschriften veel aandacht te vragen voor sekseongelijkheid. In het liberal feminism van mvm werd niet de basis van de westerse samenleving ter discussie gesteld, maar wel de ongelijke positie van vrouwen daarin.

Veel radicale feministen vonden niet alleen de werkwijze van mvm te ‘tuttig’, ook achtten ze het een illusie dat de positie van vrouwen kon verbeteren binnen de bestaande, kapitalistische maatschappij. Er ontstond een ‘feministies socialistiese’ beweging, die aanvankelijk niets wilde weten van de onderhandelingsstrategie en vooral de doe-het-zelf-strategie aanhing. Een centrale organisatie met een duidelijk eisenpakket was taboe, daarmee leverde je je immers uit aan de mannenwereld van de politiek en liep je grote kans ‘ingekapseld’ te worden. Vrouwen moesten in praatgroepen hun ervaringen uitwisselen en zelf strategieën bedenken hoe ze de onderdrukking van vrouwen konden bestrijden. Landelijke contactdagen en tijdschriften als Katijf en de Socialisties-Feministiese Teksten speelden hierbij een grote rol. Het laatste periodiek draaide de volgorde van feminisme en socialisme om, ‘omdat onze eerste loyaliteit bij de autonome vrouwenbeweging ligt’. Primair waren zij feministes, die echter ‘socialisties moeten zijn omdat onze doelen binnen het kapitalistiese systeem niet te verwezenlijken zijn’. Hoe die relatie tussen socialisme en feminisme er precies uitzag, hoe de strijd tegen het kapitalisme en het ‘patriarchaat’ gecombineerd kon worden, dat werd in de Teksten niet uitgewerkt.

Ook de radicale feministes die zich groepeerden rond uitgeverij De Bonte Was en De Vrouwenkrant, die zich meer aangetrokken voelden tot de revolutionaire strategie, slaagden er niet in een helder theoretisch kader te scheppen. De Bonte Was-uitgeefsters Anneke van Baalen en Marijke Ekelschot waren eind jaren zeventig uitgekeken op ‘het inventariseren van het Leed der Vrouw, verkrachting, incest’ en dergelijke, en wilden ‘iets met vakbonden en arbeid’ doen. In hun boek Geschiedenis van de vrouwentoekomst (1980) zagen zij de onderdrukking van vrouwen primair als een vorm van economische uitbuiting. Vrouwen verrichten veel soorten arbeid, waarvoor ze zelden betaald kregen, en hadden dus een machtsmiddel in handen: ‘Wie werkt, kan namelijk ook staken.’ Van Baalen en Ekelschot waren dan ook de initiatiefnemers van de vrouwenstaking van 30 maart 1981. Deze had als concreet doel te verhinderen dat in de Eerste Kamer een abortuswet werd aangenomen waarin het beslissingsrecht niet bij de vrouw maar bij de arts kwam te liggen. Hoewel deze actiedag door veel vrouwen als zinvol en inspirerend werd ervaren, bleek het stakingswapen niet erg effectief. De samenleving raakte er niet door ontwricht en de abortuswet werd aangenomen.

De kloof tussen enerzijds de persoonlijke bewustwording, de dagelijkse strijd om een gelijkwaardige positie en anderzijds het blootleggen en bestrijden van maatschappelijke structuren, werd nooit gedicht. Saskia Wieringa schrijft in haar inleidende artikel hoe deze kloof zichtbaar werd op haar nachtkasje. Daar lagen twee stapels met boeken. De ene bestond uit feministische teksten, de andere uit historisch-materialistische traktaten. Als antropoloog maakte ze deel uit van verschillende groepjes die de uitbuiting van de Derde Wereld bestudeerden en daarnaast zat ze in lesbisch-feministische praatgroepen. Van een sterke interactie tussen die twee terreinen was geen sprake.

Ondertussen ging het bewustwordingsproces van veel vrouwen gewoon door en bleek op termijn vooral de onderhandelingsstrategie van groepen als mvm zeer effectief. Radicale groepjes, zoals de uit drie vrouwen bestaande Paarse September, zorgden vaak voor veel commotie en aandacht. Hierdoor werd het feminisme een controversiële stroming, maar kon niemand er nog omheen dat vrouwen in veel opzichten achtergesteld en onderdrukt werden. Terwijl sommige feministes tekeergingen tegen het ‘seksefascisme’ van mannen, die potentieel allemaal verkrachters waren, bezochten steeds meer vrouwen vos-cursussen of de Moeder Mavo en werd het steeds minder vanzelfsprekend dat een meisje na haar trouwen huisvrouw werd. Evenals bij de ontwikkeling van de arbeidersbeweging kwamen de radicalen geïsoleerd te staan, terwijl de grote meerderheid profiteerde van een stug volgehouden strijd voor concrete verbeteringen en een groeiend zelfbewustzijn.