Frans Hals oog in oog met tijdgenoten

Wat deed Hals?

Het Frans Hals Museum laat zijn huis-genie een robbertje sparren met Rembrandt, Rubens, Van Dyck en Titiaan. Het beste van Frans Hals kan dat aan.

De best bezochte tentoonstelling ter wereld was het reizend spektakel Meester­werken van het Mauritshuis in 2012 in Kobe en Tokio. Omdat Vermeers Meisje met de parel daarbij zat en de organisatoren haar smoeltje op elke bus, elke metro en elk billboard hadden geplakt kwamen er in Tokio 10.573 bezoekers per dag kijken, 758.000 in totaal. Kwamen zij ook voor Rembrandt en de anderen? Vast wel. Maar misschien ook niet. Vermeer is per saldo veel populairder dan Rembrandt, zeker in het buitenland. Dat komt door dat boek en die film (Girl with a Pearl Earring) maar volgens de museumdirecteur Byvanck, onlangs aan het woord in Amsterdam, komt het ook doordat Vermeer beelden schiep die dicht bij de cinematografie liggen, intiem maar helder, licht en herkenbaar. Dat is de beeldtaal van vandaag. Rembrandt daarentegen is grofstoffelijk en morsig. Zijn schilderijen zijn gekneed, gekerfd en gelaagd, zijn figuren schuilen in het half­duister, dat vraagt allemaal veel meer van de kijker. Rembrandt is werk, en daar komt de museumbezoeker niet voor.

Het is een interessante stelling, waarmee mutatis mutandis ook de beperkte populariteit van Frans Hals zou kunnen worden verklaard. Hals is een schilder die sinds de mid-negentiende eeuw is opgenomen in ons nationale pantheon, nadat hij door de Franse kunsthistoricus Thoré-Burger was herontdekt. Het was lange tijd een schilder die vooral door andere schilders – Manet, Singer Sargent, Whistler, Courbet – werd bewonderd, om zijn bliksemsnelle productie, de flitsende fantastisch-ruwe penseelstreken en de directe ‘democratische’ benadering van zijn onderwerpen. In de negentiende eeuw vond men die pedante Haarlemmer burgers, die rijk geworden brouwers en lakenververs met die malle veren in hun hoed, de borst poenig vooruitgestoken, nog verfrissend gewoon. Inmiddels leggen die het af tegen de ingetogen, tikje raadselachtige cameo’s van Vermeers keukenmeiden.

Het Frans Hals Museum heeft ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan twee dozijn pure topstukken geleend – uit onder meer Parijs, Madrid, Londen, Berlijn, Brussel, Kassel, Liechtenstein – om die oude Hals te plaatsen in een context zoals hij die zelf misschien wel ervaren heeft, met voorbeelden en concurrenten, ambities en uitdagingen.

Een complicerende factor is dat over Hals zo merkwaardig weinig bekend is. Hij is een telg van een van de honderden Vlaamse families die eind zestiende eeuw naar Haarlem emigreerden. Zijn geboortedatum is onzeker (1580, 1581?), het jaar van zijn verhuizing is niet bekend en ook over zijn opleiding en eerste werk weten we bitter weinig. Hij werd in 1610 lid van het Haarlemse schildersgilde, toen hij al tegen de dertig liep. Zijn eerste vrouw werd in 1615 van de armenkas begraven; zijn tweede vrouw – die niet kon lezen en schrijven – schonk hem acht kinderen, waarvan er drie (Frans jr., Reynier en Nicolaes) ook als schilder geregistreerd werden. Over hun eventuele samen­werking met hun vader of hun oom Dirk is vrijwel niets bekend. Beroemd werd Hals zeker, maar de roem maakte hem niet rijk, integendeel, er was altijd wel gedoe over schulden. Op het hoogtepunt van zijn productie, in 1635, kon hij de contributie van het gilde niet betalen. Hij stierf stokoud en straatarm.

De tentoonstelling moedigt de bezoeker aan Hals’ werk te vergelijken met dat van een aantal tijdgenoten – Rembrandt, Jordaens, Van Dyck en Rubens – en, op afstand, twee grotere voorgangers, Tintoretto en Titiaan. De samenstellers stellen dat de jonge Hals door Karel van Mander was geadviseerd om óf ‘netjes’ te schilderen – zoals Van Mander zelf, keurig en kleurig en precies en glad – óf ‘ruw’, met zichtbare streek, zo direct mogelijk, in de traditie van die fameuze Italianen. In feite was die keuze één van vele keuzes die een beginnende schilder te maken had. In de jaren dat Hals zich als schilder ontwikkelde raakte de economie van de Republiek op stoom en de vraag naar kunstwerken nam snel toe, maar ook het aanbod. Kunstenaars specialiseerden zich daarom, en het stoutmoedige ruwe werk was een van die specialisaties. Rembrandt zocht als twintiger aanvankelijk dezelfde niche op.

Hals koos en werd de meester van de losse streek, van het snelle effect, van schilderijen die alla prima, in één keer, werden gemaakt, zonder schets of ondertekening. Het is interessant dat hij daarbij sterk op Vlaanderen gericht bleef, en de vergelijking met Rubens en Van Dyck snijdt dan ook hout – veel meer, vind ik, dan het speuren naar de kennelijke ‘invloed’ van de Italianen. ‘Invloed’ en ‘inspiratie’ zijn soms te gemakkelijke, te vage begrippen. Italië was ver, Goltzius was er geweest, Rubens en Van Mander ook, maar wat wist zo’n Hals daar nou écht van? Heeft hij ooit een dag naar een Titiaan kunnen zitten staren?

De vergelijking met Van Dyck en Rubens kan in Haarlem gemaakt worden aan de hand van drie sterk gelijkende portretten, alledrie van een man in het zwart, afgebeeld tot aan de knie, alledrie met een stoel, een elementje dat Rubens zou hebben geïntroduceerd. De Rubens – het portret van Jan Vermolen, 1616 – is onmiddellijk overtuigend. Rubens gaf zijn doek een okerkleurige grond, waardoor de lichtere delen – de huid, het haar, de stoel – als het ware gaan ‘gloeien’. Nóg levendiger wordt de kop door blauwe, rode en roze toetsen in de huid. Bovendien heeft Rubens die stoel eigenlijk niet nodig om zijn Vermolen lekker in de ruimte te laten staan. Hij heeft het postuur een beetje gedraaid, waardoor de blik van boven de schouder komt en de man nog zelfbewuster en brutaler wordt.

De Van Dyck – een portret van een onbekende 55-jarige, uit circa 1618 – is anders bedacht. De onderlaag is lichtgrijs en dus koeler. Het is een voortreffelijk portret, maar dat komt in niet onbelangrijke mate door ’s mans handen. Eén daarvan is vol in het licht, afgezet door een kleine kanten manchet en omgeven door de zwarte stof van de jas en de mouw. Die hand is – lijkt me – artritisch. Het is een ongemakkelijke witte klompvuist, de knokkels opgezwollen en rood beaderd, de vingers naar verhouding klein en vervormd. De hand wordt zo getoond opdat je begrijpt waarom dat gezicht zo’n ferme ‘kaken-op-elkaar’-kwaliteit heeft: hier staat iemand pijn te lijden. Van Dycks stijl is even vlot en los van streek als die van de Hals, die ernaast hangt, maar Van Dyck varieert: de hand is zorgvuldig opgebouwd, wit en vast, de manchet en de mouw daaromheen zijn vlot en zonder focus. Bij de Hals – de bierbrouwer Nicolaes van der Meer, 1631 – is het portret één kleurig, levendig ensemble, grof en resoluut, sterk bepaald door de wil die losse stijl overal te demonstreren, ook in het gezicht. In de overrompelende levendigheid zit het succes, niet in het gebruik van een contrast tussen scherp en onscherp, om een diepere laag te suggereren. Was het muziek, dan zou je zeggen dat Van Dyck de strijkers en de blazers met subtiel drama afwisselt, en dat Hals gewoon het koper al het werk laat doen. Zijn muziek is levendig, maar toch is de orkestratie beperkt. Het verklaart zijn smalle werkterrein, uitsluitend portretten, en misschien blijkt uit die beperking wel wat Hals’ opvatting van zijn kunst was: een eigen stijl bezitten is van grote artistieke en economische waarde, maar het belang van een eigen stijl is vooral te weten waar die stijl voor te gebruiken is, en waarvoor niet. Hals begon nooit aan een mythologische scène, een kindermoord of een kruisiging.

Op grote schaal werkte die stijl ook. Door de tentoonstelling ga je de schuttersstukken uit de jaren twintig en dertig, die altijd al in Haarlem te zien zijn, nog maar weer eens opnieuw bekijken. Ze zijn fantastisch. De schutters en hun vaandels zijn één bruisende massa van streken, als een wolk van dwarrelende veren na een kussengevecht, in een roekeloze samenschikking van kleuren – lichtblauw, geel, rood, goud, oranje, oker, zwart – die bont en druk is, maar nooit té. Van Gogh, kijkend naar de Magere Compagnie in het Rijksmuseum in 1885, werd bijna dronken van enthousiasme over alléén het oranje-in-grijs in een van Hals’ figuren.

Maar Hals’ panache was niet voor alles geschikt, of liever: hij kon niet alles even goed. Eén zaaltje laat zien hoe Hals zich waagde aan een van de uitdagingen die de zeventiende-eeuwse schilderkunst zich stelde: het schilderen van de lach en de stem. Een zingende luit­speler van Dirck van Baburen laat al zien hoe lastig het was dat met enige overtuiging te doen; wat Hals ervan bakt is afzichtelijk. De grimas van zijn Pekelharing is niet een lach, maar een open wond. De kunsthistoricus Kenneth Clark noemde dit soort werk ‘revoltingly cheerful’, en dat is het. Dat Hals’ eigen Luitspeler (1623) uit het Louvre niettemin een geweldig schilderij is zit ’m juist niet in dat kolderieke stuntwerk, maar in dat grote bruine vlak van het instrument, omringd door het zwart en rood van de jas van de speler. Dát is een puur schilderkunstige kwaliteit waar Manet, bijvoorbeeld, zich zeer over verheugd heeft.

De samenstellers stellen met enige nadruk dat Hals op hoge leeftijd – hij moet 85 zijn geworden – nog tot ‘innovatie’ in staat was. Dat lijkt mij discutabel. In de beroemde Regenten van het Oudemannenhuis (1664) en hun tegenhanger, de Regentessen, is zijn stijl uitgebloeid en vergroeid tot een karikatuur. Zie de mouw van de meest rechtse man in de Regenten: dat is een geëxplodeerd vogelnest, onbegrijpelijk en incoherent. Volgens een tijdgenoot waren de twee stukken ‘seer rou en cloeck’ en ‘plaisant en gheestich om van veer aen te sien’ maar dat kon wel eens een pijnlijk sarcasme zijn geweest: de oude man ziet slecht en kan het niet meer. Alleen van een afstand konden de stukken er nog mee door.

De tentoonstelling vergelijkt deze twee regentenstukken met voorbeelden van Rembrandts ‘Alterstil’, en dat valt voor Hals slecht uit. Men heeft uit Londen twee geweldige Rembrandts weten te lenen, de portretten van Jacob Trip en zijn vrouw Margaretha de Geer uit 1661. Zij, zeer oud, zit kalm maar fel in haar stoel. De tentoonstelling zegt dat ze ‘een naar binnen gekeerde, peinzende blik’ heeft maar dat vind ik niet – ik vind haar in haar ouderdom vinnig alert, hooghartig zelfs, passend bij haar positie als hoofd van een familie die een multinational in wapens bestierde. Die diepgang kon Rembrandt aan. Met haar vergeleken zijn Hals’ regentessen verkrampt en spookachtig. Hij heeft geen greep op hun geest, en ze zijn hol. Je denkt niet aan Rembrandt. Je denkt aan Goya.


Frans Hals. Oog in oog met Rembrandt, Rubens en Titiaan. Frans Hals Museum, Haarlem, t/m 28 juli. franshalsmuseum.nl