… en de variant van de regering-Bush

Wat democratie niet is

Nu Amerika het overwonnen Irak moet gaan «democratiseren» — altijd genoemd als reden of tenminste aanleiding voor de oorlog — wordt steeds duidelijker dat de regering-Bush geen duidelijk idee heeft wat democratie eigenlijk betekent, en er dus maar haar eigen variant van hanteert.

Net toen de Amerikaanse regering dacht dat ze had gewonnen in irak, komt ze erachter dat oorlog voeren een heel stuk makkelijker is dan democratie creëren. Je kunt met «shock and awe» een dictator afzetten, maar het is niet zo eenvoudig om met shock and awe angstige individuen tot burgers te maken. Plunderaars misschien, consumenten wellicht, maar geen burgers. Het omverwerpen van een dictatuur met tanks schept niet zelfbestuur maar anarchie; en jammer genoeg is anarchie een snellere weg terug naar tirannie dan vooruit naar democratie. Democratie is nu belangrijk omdat zonder een grote massavernietigingswapens-vondst, zonder duidelijk bewijs van banden met al-Qaeda, en met terrorisme weer helemaal terug in het nieuws in Saoedi-Arabië de legitimiteit van de invasie afhangt van de vraag of Irak werkelijk democratisch gaat worden.

Het probleem is dat de regering-Bush geen duidelijk idee lijkt te hebben van wat democratie betekent — laat staan wat democratie in islamitisch Irak zou kunnen betekenen. De voortekenen zijn niet goed: het herstellen van een schijn van orde en normale voorzieningen was te hoog gegrepen voor generaal Garner, de eerste proconsul in Irak van president Bush, nu ontslagen nadat hij zich, heel angstig, iets te lang had verstopt in Saddams paleizen zonder indruk te maken op iemand anders dan zijn vrienden in het Koerdische noorden. Zijn vervanger, de burger meneer Bremer, de favoriet van het ministerie van Buitenlandse Zaken (maar een behoorlijk tough cookie met een intelligente achtergrond) is bereid om het hard te spelen, maar dat is nu precies wat ons in de oorlog stortte en daarbij is het niet duidelijk dat een nieuwe, zacht aardiger shock and awe wél zal werken.

Afgezien van de kwestie van het personeel van de bezetting lijkt het Amerikaanse plan voor democratisering in Irak de kant uit te gaan van het maken van een grondwet. Met Bremer als proconsul wordt het aan een assistent-hoogleraar rechten van New York University toevertrouwd enkele ontwerpgrondwetten op te stellen. Professor Noah Feldman is een vooraanstaand advocaat die werkte bij het Hooggerechtshof en bovendien een specialist in islamitische studies (wat iets goeds is), maar hij mist politieke wijsheid en zal waarschijnlijk niet lijken op James Madison. In elk geval is een grondwet niet echt wat boven aan de lijst staat.

Het probleem met democratie is dat het van onderen naar boven, bottom-up, begint, en niet top-down, van boven naar beneden. Het is moeilijk om onder bedreiging met een geweer rechten op te leggen aan een overwonnen natie. Het gaat niet in de eerste plaats om het schrijven van een grondwet of het importeren van een Bill of Rights van iemand anders of snel verkiezingen organiseren om legitimiteit te bewijzen. Het gaat om het cultiveren van een civil society en het vormen van competente burgers door middel van scholing en civiele opbouw van instituties. Allereerst fatsoenlijke educatieve instellingen; vervolgens competente burgers (gemaakt, niet geboren!); dan een robuuste veelzijdige civiele maatschappij, en pas dan een democratische grondwet. Dat is de manier waarop Engeland en Amerika en Zwitserland en Frankrijk het hebben gedaan. En voor die landen was geduld de sleutel.

Per slot van rekening deed Amerika er tachtig jaar over om er achter te komen dat zijn democratische republiek niet kon overleven in een huis dat was verdeeld door slavernij, terwijl Engeland honderden jaren van pijnlijke liberale groei kende van Magna Charta tot de Glorieuze Revolutie. Frankrijk doorstond diverse revoluties vóór het op de goede weg kwam en Duitsland en Japan hadden na de Tweede Wereldoorlog het Marshallplan, een nieuw internationaal systeem gesteund door de Verenigde Staten, een uitgebreid educatief plan waaronder denazificatie, en een paar decennia om uit te vinden hoe het allemaal zou kunnen werken. Democratie is boven alles het recht van een volk zijn eigen fouten te maken. Amerika heeft in Irak echter gebrek aan geduld. De pessimisten willen democratie in een jaar of twee, de optimisten in zes maanden.

In Koeweit na de eerste Irak-oorlog en recentelijk in Afghanistan hebben de Ver enigde Staten weinig geduld aan de dag gelegd. Ze lijken eerder een alarmerend nationaal aandachtstekort-syndroom te demonstreren — vergeten eerdere toezeggingen in te lossen wanneer nieuwe worden verkregen, de verantwoordelijkheden van de laatste oorlog die worden overgenomen door de verantwoordelijkheden van de volgende oorlog.

Bovendien neemt Amerika, misschien omdat het vrij bestuur verwart met een vrije markt, vaak cruciale beslissingen die zouden moeten worden overgelaten aan de democratische regeringen die het probeert in te stellen. Het belangrijkste beleidsbesluit dat een nieuwe Iraakse regering zal moeten nemen — blijkbaar te belangrijk om te worden overgelaten aan de democratie! — zal zijn of publieke controle moet worden behouden over de energiesector, de staatsbedrijven die werden genationaliseerd onder Baathisten, en de media. Zonder twijfel betekende «publieke controle» onder Saddam een dictatoriaal monopolie, maar onder een democratie zou het betekenen democratische controle door het volk over wat per slot van rekening essentiële publieke eigendommen zijn — heel letterlijk het commonwealth van Irak.

Forget it. Volgens de Wall Street Journal heeft de regering-Bush al «sweeping plannen voor de wederopbouw van de Iraakse economie naar het evenbeeld van de Verenigde Staten» opgesteld. De US Agency for International Development heeft niet alleen contracten voor wederopbouw verstrekt aan Amerikaanse bedrijven als Halliburton en Bechtel, maar ook opgeroepen tot massa privatiseringen met «betrokkenheid van de private sector bij strategische sectoren, waaronder privatisering, verkoop van assets, concessies, leases en managementcontracten, met name in de olie-industrie».

Wauw! Maakt niet uit dat die vérstrekkende «hervormingen» gunstiger en winstgevender zullen zijn voor Amerikaanse privé-bedrijven dan voor de Irakezen. Maakt niet uit dat vrijwel geen internationale betrokkenheid door de Wereldbank of het IMF (laat staan de VN) wordt overwogen. Maakt niet uit dat diezelfde Amerikaanse bedrijven als Halliburton en Bechtel die al betrokken zijn bij de wederopbouw ondanks het feit (vanwege het feit!) dat ze belangrijke banden hebben met de regering-Bush (en in het geval van Bechtel opereren met dochterbedrijven waar de Saoedische familie van Bin Laden aanzienlijke belangen in heeft) kunnen eindigen als exclusieve cliënten van een nieuw Iraaks regime dat nooit de kans heeft gekregen ze daadwerkelijk in dienst te nemen. Maar zijn de beslissingen of Irak een publieke BBC of een corporatieve CNN, een publieke energiesector of een door Amerika beheerste «markt»-olie-industrie gaat krijgen, niet precies de democratische besluiten die een nieuw Iraaks democratisch regime zou moeten nemen — de essentie van haar nieuwe soevereiniteit?!

Nee meneer Bush, marketisation («markti sering») is niet hetzelfde als democratisering. Een agressieve materiële cultuur perfect toegesneden op de agressieve merken van McWorld is niet hetzelfde als liberalisering. Amerikanisering is niet empowerment, volmachtigen, maar het tegenovergestelde daarvan. Privatisering mag betekenen verlichting van de invloed van westerse bureaucratieën, maar in landen die net de weg naar vrijheid zijn ingeslagen kan het betekenen het weggeven van publieke bezittingen en het offeren van democratische supervisie voordat die ook maar is ingesteld. Het Verenigd Koninkrijk mag trouw zijn gediend door Margaret Thatcher in de jaren tachtig net zoals Amerika trouw werd gediend door Ronald Reagan. Maar het Irak van nu is meer als het Engeland van de negentiende eeuw of het Amerika van de achttiende: wat nodig is, is een Benjamin Disraeli of een Thomas Jefferson die bereid is de democratisch soevereinen in staat te stellen een sterk democratisch commonwealth te ontwikkelen. Eerst een democratische publieke sector — vervolgens, later, als de Irakezen dat willen, marketisation en privatisering.

Hoe dan ook, de keuze zou aan Irak moeten zijn en niet aan Amerika. Als Amerika serieus meent dat het de Irakezen in staat wil stellen hun eigen toekomst te bepalen, dan moet de beslissing of ze publieke of geprivatiseerde media moeten hebben, of de olie-industrie door de staat moet worden geleid of worden uitbesteed aan buitenlandse energiebedrijven, de hunne zijn en niet de onze. Als die beslissing ze wordt ontnomen, dan zal de laatste rechtvaardiging die nog overeind staat voor de Amerikaanse invasie van Irak — de democratisering van het land — net zo bedrieglijk en onwerkelijk zijn als die nog steeds niet gevonden «massavernietigingswapens».

Vertaling: Rob van Erkelens