Iedereen bedrijft identiteitspolitiek – zowel meerderheden als minderheden. Meerderheden doen dit door te stellen dat zij de échte minderheden zijn of dreigen te worden. Een tweede strategie is dat de meerderheid betwist dat minderheden sneue minderheden zijn. Minderheden op hun beurt volgen ook twee strategieën. Zo stellen ze dat zij de eigenlijke meerderheid zijn. Of zij claimen dat de meerderheid in de minderheid is (zie De Groene van 25 november).

Blijkbaar zijn velen veelvuldig identiteitspolitiek aan het voeren. Als dat zo is, dan rijst de vraag: kunnen we niet afspreken hiermee te stoppen? Ook al omdat identiteitspolitiek tot verdeeldheid leidt, tot pijnlijke confrontaties, en soms tot kleingeestige uitvergroting van het eigen gelijk.

Afscheid nemen van identiteitspolitiek zal echter niet gaan. We kunnen moeilijk anders naar onszelf en naar anderen kijken dan in termen van groepsidentiteiten, identiteiten die bovendien politiek zijn geworden. Zo accepteren we verschillen in behandeling van identiteiten steeds minder. De Franse socioloog Nathalie Heinich heeft in Ce que n’est pas l’identité (2018) uiteengezet dat er drie aspecten aan identiteitsbeleving zitten: hoe we naar onszelf kijken, hoe we ons presenteren en hoe anderen ons zien. Vaak schuurt het hiertussen, zeker voor groepen die zich gediscrimineerd weten. Zij zijn zich zeer bewust van de kloof die gaapt tussen hun zelfbeeld en het beeld dat anderen van hen hebben.

Maar ook de meerderheid voelt zich tegenwoordig in haar identiteit aangetast, en dan vooral degenen die zich als échte Nederlanders, als natives zien. Juist omdat zij menen historisch in Nederland thuis te horen willen ze ‘zichzelf’ kunnen zijn, zonder commentaar van nieuwkomers en andere minderheden.

Er zullen dus identiteitsdiscussies blijven: steeds minder mensen accepteren ongelijke behandeling. De suggestie is misplaatst dat sommige conflicten ‘overbodig’ zijn omdat ze een identiteitskarakter hebben terwijl andere écht zijn omdat ze niet over identiteit gaan. In plaats van de eindeloze meta-discussie over de vraag of identiteitspolitiek wel een plaats verdient, moeten we nadenken over hoe we het debat in de toekomst beter kunnen voeren.

De vraag naar de toekomst van identiteitspolitiek wordt alleen weinig gesteld, ook al omdat de politieke strijd over het verleden gaat. Voordat we ons over de toekomst buigen, is het dan ook zaak om die blik op de geschiedenis beter te begrijpen.

Identiteitspolitiek

We zijn verstrikt geraakt in een metadiscussie waarin minderheden op hoge toon wordt verteld dat hun onderwerpen irrelevant of prematuur zijn – omdat het om ‘identiteitspolitiek’ zou gaan. De komende tijd zal Jan Willem Duyvendak in een drieluik van dat metaniveau afdalen en terugkeren naar de inhoud.

Nogal wat meeslepende parlementaire en publieke debatten in de afgelopen jaren gingen over de omgang met de geschiedenis: het slavernijverleden, de Nederlandse rol in ‘Indië’, de figuur van Zwarte Piet, de historische canon et cetera. Door de heftige discussies over het al dan niet aanpassen van straatnamen en standbeelden leek het alsof iedereen de Nederlandse geschiedenis tot in de details kent. Maar schijn bedriegt, zo luidde de conclusie. Er is juist een tekort aan kennis over het vaderlandse verleden.

Die opvatting vindt, interessant genoeg, in zeer uiteenlopende hoeken weerklank. Zo willen de rechts-radicalen van Thierry Baudet erkenning van de historische heldenrol van Nederland. cda’ers vinden dat jongeren kennis moeten nemen van en waardering tonen voor de ‘voc-mentaliteit’ en de ‘Gouden Eeuw’. Ook deze cda’ers zijn diep nostalgisch over een vergaan verleden. Antiracisten bepleiten op hun beurt ook meer kennis over het verleden, al is hun inzet een geheel andere: na alles wat we te weten zijn gekomen over de zeventiende eeuw, hoe kunnen we dan nog met goed fatsoen spreken over een ‘Gouden Eeuw’? En was de voc-mentaliteit niet vooral het knechten van ‘inlanders’?

Hoezeer hun waarderingen ook uiteenlopen, al deze partijen zetten zich in voor grotere kennis van het verleden. Maar deze kennisvergaring blijkt soms behoorlijk instrumenteel: het recht doen aan de geschiedenis gaat vaak samen met een ambitie in het heden. Zo verzamelt Baudet munitie voor zijn renaissance-vloot die Nederland naar een toekomst moet leiden die al even glorieus zal zijn als zijn verleden. En de medewerkers van The Black Archives willen het verband laten zien tussen de slavernij toen en het racisme van vandaag.

Het verleden lijkt zo vooral een splijtzwam te zijn geworden in het heden, terwijl in de Tweede Kamer nu juist de hoop bestond dat een gedeeld historisch besef het verdeelde Nederland bij elkaar zou brengen. Daarom moest er een Nationaal Historisch Museum komen en een historische canon, te onderwijzen aan alle Nederlandse kinderen.

Hoe kwamen Kamerleden aan deze gedachte van een verzoenende geschiedenis? Daarvoor moeten we teruggaan naar Pauls Scheffers omineuze opinieartikel Het multiculturele drama waarin hij betoogde dat migranten maar moeizaam integreerden omdat ze niet wisten waarin ze moesten integreren. Dat was de schuld van de ‘links-liberale elite’ die de ‘nationale identiteit’ schromelijk had verwaarloosd, inclusief het geschiedenisonderwijs.

Waarom die elite dat had nagelaten? De communis opinio werd al snel dat dat kwam doordat die elite freischwebend was: niet gehecht aan het eigen land, maar eerder kosmopolitisch ingesteld. Die internationale oriëntatie leidde tot de miskenning van het belang van een sterke nationale identiteit. Geen wonder dus dat die elite in haar naïviteit ‘multicultureel’ beleid ging voeren, waarin alle groepen hun identiteiten mochten behouden, of zelfs koesteren, en de overkoepelende, nationale identiteit werd gerelativeerd.

In dit vertoog werd dus het recente verleden – de tijd van ‘multicultureel beleid’ – als hoofdschuldige aan de niet-geslaagde integratie in de beklaagdenbank gezet. De oplossing moest dan komen van meer kennis van het verre verleden, die behulpzaam zou zijn bij de integratie van nieuwkomers.

Deze diskwalificatie van het recente, ‘verkeerde’ verleden berust echter op een serie mythes en misverstanden. Zoals aangetoond door de commissie-Blok, die ‘het falen van de integratie van migranten’ onderzocht, ging (en gaat) het met de meeste Nederlanders met een migratieachtergrond eigenlijk opmerkelijk goed. Bovendien was niet alleen de diagnose verkeerd gesteld (‘mislukte integratie’), ook de gesuggereerde oorzaken daarvan bleken kwestieus. Zo is het Nederlands beleid nooit full blown multicultureel geweest. Wat op het eerste gezicht op multiculturalisme lijkt (de publieke financiering van bijzonder onderwijs), blijkt bij nader inzien een erfenis van de verzuiling (meer precies: van de pacificatie van 1917), en in het geheel niet gerelateerd aan de komst van gastarbeiders naar Nederland. Bovendien blijkt het nog verder gezocht om vervolgens de (gebrekkige?) stand van het geschiedenisonderwijs te verklaren uit het (niet reëel bestaande) multiculturalisme van de Nederlandse elite.

Als Amsterdams slavernijverleden minder gruwelijk was, maakt dat uit voor het bevechten van racisme nu?

Ook al waren probleemdiagnose en oorzaken van ‘het multiculturele drama’ dus feitelijk onjuist, de ‘gebrek-aan-houvast’-these vond niettemin een groot gehoor in ons parlement. De nationale identiteit en de vaderlandse geschiedenis moesten worden opgepoetst. Migranten waren in de ogen van de meeste politici een soort hulpbehoevende kleuters die je goed de les moest lezen.

Het gebrek aan kennis van de geschiedenis werd dus geïdentificeerd als het grootste probleem. En als dat het probleem was, dan was meer ‘nationale’ geschiedenis de meest logische, maar daarmee nog niet de eenvoudigste oplossing. Want wat was precies die ‘nationale identiteit’ en welke geschiedenis moest er dan worden onderwezen? Het aantal rapporten dat over deze beide kwesties is geschreven is welhaast ontelbaar. In het geval van de canon heeft dit nog wel geresulteerd in een aantal ‘vensters’ dat kenmerkend zou zijn voor Nederland en daarom belangrijk om kennis van te nemen. Het Nationaal Historisch Museum is echter nooit van de grond gekomen, mede omdat er verschillende opvattingen bleken te zijn over de vraag hoe het verleden ten toon te stellen. Zo was SP-voorman Jan Marijnissen sterk geporteerd van een chronologische presentatie in plaats van de postmoderne opstelling die de beoogde curatoren voor ogen stond.

Het was niet alleen verrassend dat Kamerleden zich bemoeiden met de inrichting van een museum, dit meningsverschil bleek ook verder veelzeggend. Het betreffende Kamerlid dacht namelijk dat geschiedenis een kwestie is van lineaire ontwikkeling – hij hield er een continuïteitsthese op na. Deze opvatting, namelijk dat er een rechte lijn loopt van verleden naar heden, vinden we ook terug bij anderen, bijvoorbeeld bij hen die het uitgesproken liberale karakter van Nederland anno 2021 historisch duiden. Russell Shorto’s boek Amsterdam: A History of the World’s Most Liberal City (2014) is hiervan een sprekend voorbeeld: Amsterdammers zijn nu eenmaal van nature liberaal en kennen daarom een doorlopende geschiedenis van migratie en tolerantie. Dat de aantallen migranten en de mate van tolerantie sinds de tijd van Spinoza behoorlijk fluctueerden, is niet echt aan hem besteed.

Ook veel wethouders en burgemeesters van Amsterdam hielden vaak, goedbedoeld, verhalen over de historisch verankerde tolerantie en vrijzinnigheid van de stad, in de hoop dat hedendaagse migranten al evenzeer zouden gedijen in een Willkommenskultur. Het idee dat Amsterdam het aan zijn verleden is verplicht om goed met migranten om te gaan, heeft echter weinig met waarheidsgetrouwe geschiedschrijving te maken. Het is vooral bedoeld als een aanmaning voor het heden (en best een nuttige trouwens, dat is het punt niet).

Recent is dit zonnige verhaal over Amsterdams tolerante verleden drastisch bijgesteld. De schaduwkanten van de vergaarde rijkdom vielen niet langer te loochenen. Het verleden werd (ook) een schandvlek, al helemaal in een stad waar veel inwoners een achtergrond hebben in de voormalige koloniën. Er werd geprobeerd recht te doen aan deze pijnlijke periode door de geschiedenis mede te laten vertellen aan de hand van de slachtoffers. De Black Heritage Tour in Amsterdam biedt bijvoorbeeld zo’n nieuw extra perspectief op het verleden.

Maar iets toevoegen aan het verhaal van het verleden volstaat niet. De nazaten willen meer: het gaat hun ook om een schuldbekentenis en excuses van de betrokken bestuurders. Ze willen een nieuwe interpretatie van het verleden. Niet alleen vanwege wat er in het verleden is gebeurd, maar ook vanuit de gedachte dat de tijd van slavernij verbonden is met het heden. Hier is dus eveneens sprake van een continuïteitsthese: de periode van slavernij en het heden kennen, niet toevallig, vergelijkbare grondpatronen van racistische onderdrukking.

Voor gediscrimineerde groepen kan het longitudinale karakter van hun lijden een extra argument zijn ter onderbouwing van de eis tot betere behandeling nu. Soms wordt daarbij de historische waarheid geweld aan gedaan. Zo komen op 4 mei, tijdens de jaarlijkse, nationale dodenherdenking, homo’s en lesbo’s samen bij het homomonument in Amsterdam om hun vervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog te herdenken. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat de situatie voor Nederlandse homo’s tijdens de oorlog niet slechter was dan in de jaren dertig en vijftig. Homo’s werden nauwelijks actief vervolgd door de Duitsers vanwege hun homoseksualiteit. Het waren Nederlandse politieagenten die homo’s het leven zuur maakten: voor de oorlog, in de oorlog en tot lang na de oorlog. Gelet op de vervolging door nazi’s van homoseksuelen in Duitsland is de claim van homo’s in andere Europese landen dat zij onderdeel waren van de holocaust nog wel enigszins begrijpelijk, maar niettemin misplaatst, net zoals vergelijkingen met de holocaust tijdens de aidsepidemie al te lichtvaardig werden getrokken.

Groepen die naar gelijkheid streven, gebruiken de geschiedenis op uiteenlopende manieren. Sommige wijzen op de fundamentele overeenkomsten tussen uitsluitingspatronen toen en nu. Andere vestigen de aandacht juist op verschillen met het verleden. Of het nu om arbeiders gaat, of om vrouwen, Friezen, katholieken, seculieren, of homo’s, allen hebben zij zich succesvol geëmancipeerd, en daarmee hebben ze Nederland enorm veranderd en verrijkt. Zeker, gelijkheid is nog niet voor alle groepen bereikt; iedere groep kent zijn eigen geschiedenis van vallen en opstaan. Maar het zijn dynamische geschiedenissen, niet een van tijdloos lijden. De situatie is voor de meeste voorheen gediscrimineerde groepen sterk verbeterd.

Daar staat tegenover dat er vormen van discriminatie zijn, zoals antisemitisme en racisme, die welhaast onuitroeibaar lijken. En er zijn nieuwe gronden van uitsluiting bijgekomen. Islamofobie is daarvan het duidelijkste voorbeeld. Zeker in dat geval is het echter zeer de vraag of de verre geschiedenis ons veel kan leren om de huidige aversie van moslims te begrijpen. Moeten we een longue durée-perspectief kiezen, moeten we bij de angst voor de Moren beginnen? Mijn stelling zou zijn dat moslims vooral last hebben van recente veranderingen in Nederland: de meerderheid is in een razend tempo seculier en liberaal geworden en kijkt met weerzin terug naar de dagen van verzuiling en religieus-geïnspireerd conservatisme.

Is (kennis van) een lang en treurig verleden voorwaarde om ongelijkheid in het heden aan te pakken? Dat lijkt me niet. Natuurlijk is het noodzakelijk dat het bestuur van Amsterdam zijn excuses aanbiedt voor de rol van de stad ten tijde van de slavernij. Maar stel dat het verleden minder gruwelijk was geweest, zou dat iets (mogen) uitmaken voor het bevechten van racisme nu?

Meerderheden en minderheden bedrijven identiteitspolitiek. Maar wie zijn dat concreet? Wie claimt namens ‘de meerderheid’ te spreken? En wat betekent het dat ‘een minderheid’ zich op een bepaalde manier opstelt? Als we nadenken over de toekomst van identiteitspolitiek gaat het niet alleen om de inhoud daarvan, maar ook om de vraag wie daarbij betrokken is en waar het plaatsvindt.

Het moge duidelijk zijn dat politieke partijen – van links tot rechts – identiteitspolitiek voeren. Maar ‘politiek’ is breder dan ‘Den Haag’: sociale bewegingen bedrijven ook identiteitspolitiek. Dat geldt al evenzeer voor arbeidsorganisaties, bijvoorbeeld als deze zich beijveren voor een meer ‘diverse en inclusieve’ werkomgeving. De verenigingen waarvan we lid zijn, de organisaties waarin we werken, de instituties van de overheid, zij zijn alle betrokken bij identiteitspolitiek en zouden over de toekomst daarvan, en hun rol daarin, moeten nadenken. En dat geldt al evenzeer voor de mensen die samen die organisaties vormen. Uiteindelijk gaat het ook om ons eigen, individuele gedrag – juist in verhouding tot collectieve identiteiten.

Dat brengt me tot acht lessen voor de toekomst van identiteitspolitiek:

1. Maak het verleden niet té belangrijk
Om in de toekomst samen te leven, gaat het primair om wat we nu delen en hoe we elkaar nu bejegenen, ongeacht ieders afkomst en verleden. Zeker, daarbij is het belangrijk om gevoelig te zijn voor elkaars gevoeligheden – en die zijn vaak historisch gegroeid. Maar door het verleden als hét vehikel te zien voor vreedzaam samenleven in het heden, worden Nederlanders met een migratieachtergrond onnodig op achterstand gezet. Hun (voor)ouders maakten daar immers geen deel van uit – of, als zij dat wel deden, dan vaak tegen hun zin.

Met name ‘de gewone man’, populair van links tot rechts, is een voorbeeld van een omvattende, uitsluitende identiteit

Als de meerderheid het verleden zo centraal stelt, moet de minderheid naarstig op zoek naar een plekje in die geschiedenis. En soms wordt dat gevonden: Marokkaanse soldaten hebben in de Tweede Wereldoorlog in Zeeland gevochten! Dat is op zich bewonderenswaardig, maar is een letterlijk gedeeld verleden écht een voorwaarde voor gedeeld Nederlands burgerschap nu? Het verleden verplicht tot weinig; we ontwikkelen ons morele kompas in het heden en geven daarmee betekenis aan het verleden. Heeft Amsterdam de historische plicht om migranten te verwelkomen omdat Spinoza hier heeft gewoond? Of gaat het om een morele plicht, ongeacht ons verleden?

2. Wees zorgvuldig in historische vergelijkingen
De wet van Godwin voorspelt dat online-identiteitsdiscussies na zoveel rondes altijd uitdraaien op vergelijkingen met het nazisme (en dan zijn die discussies meestal snel voorbij). Die vergelijking met de holocaust is vaak bedoeld als waarschuwing: iets lijkt op wat er tijdens het fascisme is gebeurd. Soms is deze analogie adequaat, soms vergezocht en soms geheel misplaatst (zoals in het geval van Baudet die meent dat niet-gevaccineerden behandeld worden zoals joden in de Tweede Wereldoorlog).

Tegenover deze dramatisering van het heden met behulp van het verleden staat de relativering. De holocaust en andere historische gruweldaden worden dan gemobiliseerd om klagers in het heden te wijzen op echt groot leed in het verleden: toen was het pas erg! In plaats van het verleden primair in te zetten ter dramatisering of ter relativering van het heden, zouden historische vergelijkingen ook getrokken kunnen worden om voorzichtige vooruitgang te laten zien, ter illustratie van de vermindering van ongelijkheid.

3. Vermijd de suggestie dat alle vormen van discriminatie noodzakelijk samenhangen en alleen gezamenlijk kunnen worden bestreden
In een artikel over de klimaatcrisis in de Helling (het tijdschrift van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks) stond dat ‘de verschillende dimensies van ongelijkheid elkaar onvermijdelijk raken’ en daarom zouden we ‘alle vormen van ongelijkheid tegelijkertijd aan moeten pakken’, en ‘daarom moet de klimaatbeweging zich nadrukkelijker verbinden met andere sociale bewegingen, zoals de antiracismebeweging en de vrouwenrechtenbeweging’. Zelfs als het waar zou zijn dat sommige vormen van ongelijkheid soms samen opgaan, dan nog is het de vraag of iedere vorm van uitsluiting ‘intersectioneel’ bestreden moet worden. Waarom niet juist discussies ontkoppelen opdat er, afhankelijk van het onderwerp, wisselende meerderheden gevormd kunnen worden?

Of de veronderstelling nu luidt dat alle vormen van strijd samengaan, dan wel dat de klassenstrijd voor alles gaat, beide ‘totaliserende’ aanspraken leiden uiteindelijk tot het kleinst mogelijke gelijk. Hoe zuiverder de leer wordt, hoe vaker we zuiveringen tegenkomen. Niet toevallig hebben de Partij voor de Dieren, Bij1 en de SP in de afgelopen tijd vooraanstaande leden geroyeerd (net zoals FvD dat deed aan radicaal-rechtse zijde). Versplinterend links lijkt vooral in de ban van het narcisme van de kleine verschillen.

4. Neem afscheid van het idee dat mensen alleen hun eigen belang kunnen en willen behartigen
Thomas Piketty constateert in zijn monumentale studie Capital and Ideology (2020) dat steeds meer hogeropgeleiden links zijn gaan stemmen. Hij is daar, nogal verrassend, bezorgd over, want hij meent dat dit ‘Brahmin Left’ linkse partijen sociaal-economisch naar rechts zullen sturen. Hogeropgeleiden zouden dit doen omdat hun ‘klassepositie’ hen daartoe aanzet. Piketty denkt namelijk, ten onrechte, dat mensen zich alleen, of vooral, om zichzelf bekommeren.

Dat recentelijk linkse partijen – inderdaad bevolkt door hogeropgeleiden – afscheid nemen van neoliberaal beleid past niet in deze nogal platte identiteitsopvatting. En toch is dat precies wat we zien gebeuren: hogeropgeleiden tonen hun solidariteit met lageropgeleiden, bijvoorbeeld door hun werk tijdens de covid-pandemie te erkennen met de eretitel ‘noodzakelijk beroep’. Of door hen te lauweren als ‘de onmisbaren’, zoals de titel luidt van het boek van voormalig SP-voorzitter Ron Meyer. Mooie voorbeelden van identiteitspolitiek.

5. Stop met het pushen van eendimensionale identiteiten
Met name ‘de gewone man’, populair van links tot rechts, is een voorbeeld van een omvattende, uitsluitende identiteit. Zo is de ‘gewone Nederlander’ een dog whistle voor radicaal-rechtse politici om witte en lageropgeleide Nederlanders aan te spreken en nieuwkomers te marginaliseren. Of breder: iedereen die in hun ogen niet normaal is, inclusief de ‘linkse elite’ die de belangen van gewone Nederlanders zou verkwanselen. Wilders wil het nog wel opnemen voor homo’s (zeker als hij daarmee moslims in diskrediet kan brengen) maar het moet niet ‘te gek’ worden. Tijdens de laatste algemene beschouwingen ging hij tekeer tegen iedereen die ruimte wil bieden aan genderdiversiteit. In zijn wereldbeeld is geen ruimte voor gelaagdheid van identiteiten, voor fluïditeit. Individuen die ‘ontelbare identiteiten’ (Sinan Çankaya) willen combineren zijn ‘abnormaal’. In veel identiteitsconflicten is de wereld zwart-wit; niet toevallig is er vaak geen ruimte voor bruine Nederlanders, zoals Stephan Sanders keer op keer laat zien.

6. Onderken gemeenschappelijkheid in plaats van verschillen uit te vergroten
In identiteitsdiscussies is van alle zijden te horen dat we een land van minderheden zijn geworden. Rechts-radicalen vinden dat verschrikkelijk en stellen dat échte Nederlanders, voorheen de meerderheid, een minderheid in eigen land dreigen te worden. Zoals Hans Boutellier in zijn boek Het nieuwe Westen: De identitaire strijd om de sociale verbeelding (2021) laat zien, combineert deze vorm van ‘identiteitspolitiek – ten diepste – het gevoel slachtoffer te zijn met het verlangen naar heldendom’. Deze mengeling van miskenning en hoogmoed blijkt bij Baudet en Wilders een explosieve vorm van identiteitspolitiek op te leveren, waarbij complottheorieën – zoals die van ‘omvolking’ – de boventoon voeren.

De gedachte dat de meerderheid verdwijnt, wordt overigens ten onrechte ook gevoed vanuit progressieve zijde: Nederland zou ‘superdivers’ zijn geworden. In plaats van ons blind te staren op verschillen, waarom niet onderkennen hoeveel we met elkaar delen? De mainstream is verbreed door opname van nieuwkomers en hun nakomelingen.

7. Erken de diversiteit binnen groepen
Dit is een lastige les omdat voor politieke strijd de fictie van een collectieve identiteit nodig is. Om op den duur tot relativering van een identiteit te kunnen komen moet deze eerst extra worden aangezet. Dit ‘strategisch essentialisme’ (een term van de Indiase literatuurcriticus Gayatri Chakravorty Spivak) is een noodzakelijk kwaad: een quotum kan tijdelijk nodig zijn om de achterstand van vrouwen in bepaalde posities in te lopen, maar het blijft een paardenmiddel waarmee individuen primair worden beoordeeld op groepskenmerken. Het doel kan in dit geval echter het middel heiligen, als het ertoe leidt dat alle individuen, ongeacht hun gender, in de toekomst gelijke toegang krijgen tot banen.

Soms moeten groepen die gelijkheid nastreven de categorieën reproduceren die de meerderheid gebruikt om hen uit te sluiten, anders worden ze niet gehoord. Maar als het even kan proberen ze dat te vermijden. Een voorbeeld: racisten denken in termen van ras. Dan staan antiracisten voor de moeilijke opgave niet de gedachte te voeden dat rassen zouden bestaan. Minderheden proberen los te komen van de blik en de taal van degenen die hen discrimineren; om die uitsluitende identiteit niet te internaliseren. Dat is vooral een immense opgave als de marginalisering groot is. Maar als discriminatie afneemt, ontstaat er ruimte binnen de voorheen zo onderdrukte groep voor meer diversiteit (zie het toenemend aantal letters in lgbtqia+).

8. Individuen zijn zoveel meer dan de belichaming van collectieve identiteiten
In identiteitsdiscussies gaat het altijd over collectiviteiten, over wat we met anderen delen, wat ons van anderen onderscheidt. Uiteindelijk zou de inzet echter moeten zijn om die identiteiten minder knellend te maken, om ruimte te creëren voor individuen om te ontsnappen aan verstikkende collectieve identiteiten. Bij gender gaat dat al steeds beter: de diversiteit neemt toe en de relevantie van genderonderscheid neemt navenant af. Waarom zou de beoordeling van de beste acteur gebaseerd moeten zijn op genderidentiteit?

Die relativering van collectieve identiteiten is niet alleen moeilijk voor voorheen dominante groepen, ook activisten worstelen daarmee. Wat hun overkomt, begrijpen zij in termen van de brede categorieën waartoe zij zichzelf, als gediscrimineerden, rekenen: ervaren zij in hun eigen leven iets als onrechtvaardig, dan moet dat wel te maken hebben met ‘institutioneel’ racisme of seksisme.

Ik geef toe: ik heb ook graag gebruik gemaakt van de beschermende paraplu van de collectieve homo-identiteit. Als iemand mij bekritiseerde, dacht ik al snel dat diegene een homohater moest zijn, terwijl ik vaak domweg ongelijk had, autoritair was of gewoon vervelend. Identiteitspolitiek maakt individuen tot onderdeel van een groter geheel – en dat is vaak tijdelijk nodig. Dat achterstelling ‘institutioneel’ is, betekent echter nog niet dat we altijd louter slachtoffer zijn, collectief vrijgepleit en niet meer verantwoordelijk voor ons doen en laten als individu.

Om Wittgenstein te parafraseren: identiteitspolitiek is als een ladder die je nodig hebt om boven te komen – maar die je uiteindelijk moet weggooien, als je boven bent. En dat weggooien, dat moeten we niet vergeten.

Jan Willem Duyvendak is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van het Netherlands Institute of Advanced Study (NIAS-KNAW)

Lees verder