Wat doen

Alles wat wordt gemaakt aan verhalen, schilderijen, films, boeken, toneelstukken, noem alle artistieke producten maar op, is uiteraard voor iedereen, maar vooral voor en door mensen van tussen de twintig en de zestig.

Daarvóór leer je, daarna moet je aanleren.

Ben je boven de zestig, dan heeft een artistieke carrière geen zin, een uitzondering daargelaten.

Jeugd concurreert met jeugd. Verder met niemand.

Vroeger zei ik vaak tegen mezelf als ik weer eens een rancuneuze, oudere auteur was tegengekomen: ‘Zo wil ik godverdomme nooit worden.’

U leest er nu één, als u tenminste tot hier bent gekomen.

Er zijn gevoelens waarvoor ik me schaam. Miskenning en rancune behoren daartoe.

Vroeger had ik last van jaloezie. Seksuele jaloezie. Als de vrouw op wie ik verliefd was alleen al keek naar een ander stierf ik vanbinnen. Die jaloezie is verdwenen. Dat komt doordat ‘liefde’ op mijn leeftijd voor een groot gedeelte ontdaan is van zijn ranzige begeerte – wat ik trouwens wel jammer vind – en plaats heeft gemaakt voor een andere strijd: nu eens wil ik dat ik eerder doodga dan mijn vrouw, dan weer is het mijn uit liefde voortkomende wens dat zij eerder sterft dan ik, en het komt ook wel voor dat ik denk: misschien is het ook wel mooi als we beiden tegelijkertijd het loodje leggen. Wat dat betreft heeft de romantiek me nooit verlaten.

De dood, die je steeds vaker dwingt aan hem te denken als aan een lekkere meid, wil dat je rekenschap aflegt. Wat heb ik precies gedaan, waarom en hoe was dat?

Op dat moment groeien het bitter en het zuur als onkruid in je hersens, de voedingsstoffen van miskenning en rancune.

Ooit ontdekte je dat je iets wil uitdrukken, maar je wist niet precies wat. Je leert om dat een stem te geven; je oefent de toonladders en de akkoorden. En dan ga je aan de gang, als een op zijn benen balancerende baby die bang is om te vallen. Je kleedt je naar de mode.

En opeens dringt het besef door dat je gehoord en gezien wil worden.

Ik vraag me nog steeds af of dat een goed of slecht moment was. Het was namelijk de geboorte van de ambitie.

Ambitie. Klonk het woord maar niet zo mooi en bestond het slechts uit valse tonen. Mijn definitie luidt: ambitie is datgene wat je nooit kunt waarmaken. Het is iets wat je schreeuwt tegen de dreiging van de dood.

‘Ik moet nog wat doen.’

Ambitie. Klonk het woord maar niet zo mooi en bestond het slechts uit valse tonen

Had ik maar geen ambitie, die benzine is als je jong bent en die een lege kruik is als je ouder wordt.

‘Het heeft allemaal geen zin, geen zin gehad en zal nooit zin hebben.’

Ik schrijf dit uitkijkend over het Trasimeense Meer in Italië. De schoonheid van de omgeving kleur ik in met morbide gedachten over de eindigheid. Waarom heeft schoonheid de onhebbelijke eigenschap dat het verdwijnt op het moment dat je erover nadenkt?

‘Zullen we een glaasje wijn drinken?’

Ik knik. Even later proosten we.

‘Je bent stil, waar denk je aan?’

‘Aan een verhaal… Over een man die gelukkig is als hij zijn vrouw vermoordt, dan de hond en dan zichzelf.’

Ze glimlacht.

De hond springt bij me op schoot. Zwaluwen vliegen hoog over. Mijn vrouw is nog zo mooi…

‘Ga het schrijven’, zegt ze.

‘Voor wie?’

Ze gaat ‘voor mij’ zeggen – twee woorden waar ik nog droeviger van word dan ik al ben.

‘Voor mij’, zegt ze.

Een voor mij onbekende vogel gaat op een tak zitten van een voor mij onbekende boom. Op het meer zie ik een bootje varen dat lijkt op een rups op een blad.

‘Ik wil nog wat doen’, zeg ik. ‘Niet nu, maar…’

Ambitie is een angstige aandoening.