Syrische spijtoptanten

‘Wat doen we met de terugkeerders?’

Waar in 2013 teruggekeerde Syriëgangers nog hulp kregen bij hun re-integratie is de aanpak van de Nederlandse overheid na Parijs en Brussel verhard. Het is echter de vraag of ‘potentieel gevaar’ hiermee wordt ingeperkt.

Medium hh 46774917

‘Ze vermoorden mensen alsof het niets is.’ Reda Nidalha (22) is na twee jaar gevlucht uit IS-gebied en wordt vastgehouden in een ‘heropvoedingskamp’ van rebellen in het noorden van Syrië. In een bbc-filmpje vertelt hij dat hij terug wil, dat hij de consequenties van zijn reis zal aanvaarden en uit hij scherpe kritiek op de praktijken van IS.

In Leiden vraagt zijn vader Mohamed Nidalha de Nederlandse overheid al maanden om hulp bij de terugkeer van zijn zoon uit Syrië. Dagelijks heeft hij contact met Reda, die op dit moment als voormalig IS-strijder wordt vastgehouden door Jaish al-Tahrir, een groep gelieerd aan het Vrije Syrische Leger. Terwijl Mohamed zijn pasgeboren dochtertje vasthoudt, laat hij een aantal geluidsfragmenten horen van zijn zoon, die vertelt dat hij zich beter voelt na een korte tijd ziek te zijn geweest. Hij wordt naar eigen zeggen goed behandeld door zijn ‘broeders’. Volgens Mohamed heeft Reda zich geliefd gemaakt bij de rebellengroep en daarom mag hij dagelijks op het internet.

Mohamed weet al meer dan een half jaar dat zijn zoon door Jaish al-Tahrir wordt vastgehouden en volgens hem weet de Nederlandse overheid dat ook al zo lang. Hij heeft goed contact met de bbc-ploeg die het kamp in Noord-Syrië bezocht. Via een van de journalisten heeft hij contact gelegd met de lokale commandant die verantwoordelijk is voor de gevangen genomen deserteurs. ‘Ze zeggen dat hij naar huis kan, maar dat de Nederlandse autoriteiten daar een probleem van maken.’

Op dit moment zijn er naar schatting zo’n 250 Nederlanders in Islamitische Staat. Velen van hen reisden twee, drie jaar geleden af naar Syrië. Een deel van hen zal zijn omgekomen, een deel zal daar willen blijven, maar er zal ook een deel zijn dat terug wil. Nu IS aan de verliezende hand is, rijst de vraag: wat doen we met de terugkeerders?

Nederland koos er in 2013 bewust voor om de teruggekeerde Syriëgangers niet te vervolgen, maar om ze te helpen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld België, waar iedereen die uit IS-gebied kwam direct werd opgepakt. Zo hielp de gemeente Delft in 2013 vijf teruggekeerde jongens bij hun re-integratie, onder meer met scholing en bemiddeling naar werk – onder voorwaarde natuurlijk dat ze niets op hun kerfstok hadden. ‘Deze aanpak heeft ervoor gezorgd dat de rust is teruggekeerd’, zegt het Delftse pvda-raadslid Abdel Maanaoui. ‘Hierdoor zijn niet meer jongeren geradicaliseerd.’ Op dit moment is Delft het zicht op twee jongens verloren: de een vertrok naar Den Haag, de ander naar Rotterdam. De derde is veroordeeld vanwege een delict. ‘Met de twee anderen gaat het goed’, zegt Maanaoui. ‘Zij hebben hun leven weer opgepakt.’

In drie jaar tijd is er echter veel veranderd. Die eerste terugkeerders waren maar een paar weken in Syrië geweest, het kalifaat was nog niet uitgeroepen door IS, de aanslagen in België en Frankrijk waren nog niet gepleegd. ‘We konden nog geloven dat ze daar naartoe gingen om dekens uit te delen’, zegt Maanaoui. Nu is het veel meer een veiligheidsvraagstuk geworden. Bovendien is de wet veranderd: er mag nu ook preventief worden opgepakt. Het Openbaar Ministerie gaat ervan uit dat iedereen die in IS-gebied zit, deelneemt aan de gewapende strijd en om die reden verdacht is van lidmaatschap van een terroristische organisatie. En dat is strafbaar. Daarna is het nog wel lastig om genoeg bewijs te vinden om tot een veroordeling te komen, want Nederland kan ter plekke geen onderzoek doen.

Wat moet je met mensen die gehard zijn in de oorlog, die gevochten hebben? ‘Het is goed om niet te lief te zijn voor de teruggekeerde IS-strijders’, zegt terrorismedeskundige Bart Schuurman, onderzoeker bij het Institute of Security and Global Affairs (isga) van de Universiteit Leiden. ‘De aanslagen in België en Frankrijk hebben duidelijk gemaakt dat het hier om potentieel zeer gevaarlijke mensen gaat.’ Bij spijtoptanten is het nu eenmaal lastig in te schatten hoe oprecht ze zijn.

Het zijn niet allemaal potentiële terroristen, benadrukt Schuurman. Een deel is gedesillusioneerd en zal echt veranderd zijn. ‘Maar IS heeft laten zien dat ze capabel genoeg is om mensen naar Europa te sturen en aanslagen op touw te zetten. Het lijkt me verstandig om terugkerende jihadgangers, zeker degenen die zich bij IS hebben aangesloten, allereerst te beschouwen als een potentieel gevaar en de mogelijkheden voor strafrechtelijke vervolging te verkennen.’

Toch zullen ze een keer uit de gevangenis komen, beseft Schuurman. Er zijn de afgelopen jaren programma’s opgezet voor re-integratie. De zogenaamde exit-faciliteiten. ‘We kunnen bijvoorbeeld proberen het zwart-wit van hun extremistische wereldbeeld een beetje grijs te maken’, zegt hij weinig hoopvol. Het begint met de vraag: waarom willen mensen bij IS? Vaak gaat het volgens hem meer om een gevoel ergens bij te willen horen, deel van iets groters te zijn, om status, hechte vriendschappen. ‘Mensen losweken uit die groepen, is één van de manieren.’ Werk, opleiding, dagbesteding, verstoorde familiebanden weer aanhalen, die kunnen een buffer vormen. Maar er is nog weinig ervaring mee, deskundigen weten nog niet echt of dergelijke re-integratieprogramma’s werken. ‘We hebben nog amper cijfers van terrorisme-gerelateerde recidive, vooral in de EU. Dat maakt het moeilijk om te beoordelen of een bepaald programma als een succes kan worden beschouwd of niet.’

Volgens de terrorismedeskundige zouden we meer naar het verleden in Europa moeten kijken, naar ervaringen met voormalige leden van de ira, eta en raf. Hoe is het daarmee gegaan? ‘De vraag is bijvoorbeeld of het wel noodzakelijk is om te deradicaliseren voordat iemand kan re-integreren. Is dat eigenlijk wel een voorwaarde? Of kan iemand goed functioneren zonder een gevaar te vormen voor de samenleving, terwijl hij of zij nog radicale gedachten heeft, zoals veel ex-ira-leden bijvoorbeeld nog hebben?’

‘We kunnen het zwart-wit van hun extremistische wereldbeeld een beetje grijs proberen te maken’

De Nederlandse overheid steekt niet onder stoelen of banken dat ze de Nederlandse IS-strijders liever kwijt dan rijk is. Zo steunde premier Rutte in een verkiezingsdebat in maart 2015 volmondig de stelling dat uitgereisde jihadisten beter in Syrië kunnen sneuvelen dan terugkeren naar Nederland. Ook wordt regelmatig gesuggereerd om de strijders bij terugkeer het Nederlanderschap te ontnemen. Ook in andere Europese landen klinkt deze roep.

‘Politici kunnen hier wel van alles over zeggen, maar de wet is er om te bepalen wat ze mogen doen.’ De Oostenrijkse hoogleraar Andrej Zwitter is aan de Rijksuniversiteit Groningen gespecialiseerd in internationaal recht, terrorisme en kwesties van ethiek en moraliteit. Burgers hebben volgens de International Covenant on Civil and Political Rights van 1966 het recht om naar hun vaderland terug te keren, weet Zwitter. Bovendien is het volgens de Convention on the Reduction of Statelessness van 1961 verboden om van mensen het burgerschap af te nemen als dit leidt tot stateloosheid. Alleen van mensen die een dubbele nationaliteit hebben, zoals bijvoorbeeld Marokkaanse Nederlanders, zou theoretisch wel het Nederlanderschap afgenomen kunnen worden.

Dat is echter ook een ethische kwestie. Waar stuur je ze aan. Misschien gaan ze terug naar Syrië bijvoorbeeld, en vormen ze op de lange termijn eerder een groter probleem.

Volgens het principe van gelijkheid in het recht kan het afpakken van het Nederlanderschap ook niet. Iemand die geen tweede nationaliteit heeft kan namelijk het Nederlanderschap niet worden ontnomen. ‘Het kan niet zo zijn dat een jihadist met een enkele nationaliteit voor dezelfde misdaad minder wordt bestraft dan iemand die er twee of meer heeft.’

De communicatie tussen de Nederlandse autoriteiten en Mohamed Nidalha verloopt ondertussen moeizaam. ‘Vlak voordat ik bij Pauw zou verschijnen werd ik gebeld door Buitenlandse Zaken’, vertelt de vader van Reda. ‘Ze waren op de hoogte van het kamp en deden hun best om hem terug te halen. Nederland zou een brief hebben gestuurd naar de Turkse regering met het verzoek om hem te laten oversteken. Maar nog geen week later vertelt BuZa mij dat hij het zelf moet uitzoeken.’ Vanaf dag één wordt hij van het kastje naar de muur gestuurd, zegt hij. Dan zegt BuZa dat hij de Nederlandse ambassade in Ankara moet bellen. Als hij dat vervolgens doet, verbindt de ambassade hem weer door met BuZa. Mohamed kan zich daar boos om maken. ‘Ze denken daarmee die jongens daar te pakken, maar ze pakken ons, ouders, ermee.’

‘De Nederlandse staat heeft de verplichting haar burgers te helpen en te beschermen’, vindt Zwitter. ‘Of ze nu wel of geen misdaad hebben begaan.’ Of Reda een misdaad heeft begaan, is bovendien nog onbekend. ‘Het enige dat wettelijk gedaan kan worden’, benadrukt de hoogleraar, ‘is de persoon terug laten komen en onderzoeken welke criminele aanklachten van toepassing zijn in deze specifieke zaak.’

Er is daarnaast ook nog de verplichting van de staat iemand hier een proces te geven als de kans bestaat dat hij in Syrië een ergere straf zal krijgen waarbij de mensenrechten niet worden beschermd. ‘Stel bijvoorbeeld dat zijn straf daar is dat hij wordt gedood – dan moet Nederland er zelfs alles aan doen hem terug te halen.’

Vader Mohamed is inmiddels het vertrouwen in de Nederlandse autoriteiten kwijt. Dat begon al toen hij de overheid waarschuwde voor een mogelijk vertrek van zijn zoon. ‘Nadat Reda via Düsseldorf naar Turkije was vertrokken, nam ik meteen contact op met de Nederlandse veiligheidsdiensten. Ik vroeg of zij een arrestatiebevel konden laten uitvaardigen. Hij verbleef twee weken in Turkije en is twee keer bij de grens aangehouden door de Turkse politie. En toch gebeurde er niets.’ Mohamed overwoog toen de Nederlandse staat aan te klagen, maar daar zag hij uiteindelijk vanaf. ‘Maar als Reda nu iets overkomt, dan hou ik de staat daarvoor verantwoordelijk.’

Als Nederland de eigen rechtsstaat serieus neemt, zal de regering moeite moeten doen om Reda Nidalha, evenals andere ex-IS-strijders, uit Syrië hierheen te halen, vindt Zwitter. De staat moet het goede voorbeeld geven en laten zien hoe we omgaan met iemand die een misdaad heeft begaan. ‘Zo zijn wij er trots op dat we geen doodstraf meer hebben. Maar als het om terrorisme gaat veranderen we de wet, gaan we mensen uitzetten. Dat is een slecht teken.’

Spijtoptanten kunnen bovendien voor inlichtingendiensten een belangrijke informatiebron zijn. In een geluidsfragment vraagt Mohamed aan zijn zoon hoe groot hij de kans acht op een aanslag in Nederland. Reda vertelt dat de meeste IS-leden niet eens weten waar Nederland ligt (‘Deze Arabieren zijn echt dom’) en dat zij vooral geobsedeerd zijn door Frankrijk. De Franse IS-strijders koesteren volgens hem een enorme haat tegen de Franse maatschappij. ‘Nederlandse strijders herkennen dat niet. Ik zie eerder een vis lopen dan dat er (in Nederland) een aanslag wordt gepleegd.’

De gemeente Leiden belt regelmatig met Mohamed en vraagt hem of hij hulp nodig heeft. ‘Dan antwoord ik: “Ja, ik heb hulp nodig met het terughalen van mijn zoon.” Ik heb geen behoefte aan psychologische hulp, praatgroepen en steunpunten. Reda is de reden waarom ik aan het stressen ben. Als een plant ziek is, dan moet je de wortels proberen te genezen.’ Mohamed Nidalha overweegt nu zelf Reda uit Syrië te halen.


Beeld: Mohamed Nidalha met een foto van zijn zoon Reda. Leiden, mei 2015 ( Peter de Jong / AP / HH)