Een van de plaatsen in Nederland waar je het verleden het best kunt ervaren is het Amsterdamse Paleis op de Dam. Architect Jacob van Campen, beeldhouwer Artus Quellinus, schilder Govaert Flinck en zelfs Rembrandt werkten hier samen aan een monumentaal geheel waaraan sinds de zeventiende eeuw weinig is veranderd. Het Paleis, dat jaarlijks door menigtes schoolkinderen wordt bezocht, is bovendien als erfgoed fundamenteel voor de Nederlandse identiteit. Het werd geopend bij de onafhankelijkheid van de Republiek der Verenigde Nederlanden in 1648. In de klassieke pracht van de Burgerzaal wandel je over marmeren vloeren ingelegd met wereldkaarten, onder beelden van Atlas die het hemelgewelf torst, omcirkeld door de planeten: een verbeelding van de uitgestrektheid van ruimte en tijd. Weinig andere locaties bieden een zo intense onderdompeling in het verleden als een emotionele, bijna lijfelijke ervaring.

Sinds mijn eerste baan als kunsthistorische gids, halverwege de jaren negentig, is het Paleis mijn favoriete bestemming om Nederlandse en buitenlandse bezoekers wegwijs te maken in de zeventiende eeuw. Aan de intensiteit van de historische sensatie is tegenwoordig weinig veranderd. Sinds een jaar of twee merk ik echter bij mijn studenten dat aan hun ervaring van het verleden een nieuwe dimensie is toegevoegd. Ze hebben de wrange bijgedachte dat dit monument van menselijke vermogens letterlijk zijn langste tijd heeft gehad. Ooit zal het Paleis, net als grote delen van West-Nederland, immers moeten worden prijsgegeven aan de gestegen zeespiegel. De termijn waarop dit zal gebeuren is onzeker – decennia, een eeuw, twee eeuwen of meer – maar de bottomline is evident: dit gebouw heeft er langer gestaan dan het er nog zal staan.

In het Paleis komen kunstgenot, historische ervaring en klimaatgerelateerde onzekerheid samen in een verwarrende mix van gevoelens en ideeën. Hieronder wil ik deze mix proberen te duiden. De literatuur over de gevolgen van klimaatverandering is inmiddels immens waar het de natuur betreft, maar over erfgoed is nog weinig geschreven. Hoe moet de historische sensatie, die cultureel erfgoed een deel van zijn waarde verleent, opnieuw worden overdacht in een tijd dat de kwetsbaarheid van dit erfgoed ons confronteert met de toekomst? Er mag immers nog wel het nodige gebeuren op het gebied van bewustwording. Toen de wereld collectief treurde over de brand in de Notre-Dame in Parijs in 2019, werd je via de sociale media weggehoond als je wees op de omvangrijkere destructie die de klimaatcrisis met zich zal meebrengen. Maar we zullen eraan moeten wennen dat Nederland het niet alleen zal moeten stellen zonder zijn immateriële erfgoed zoals de Elfstedentocht, maar ook zonder zijn belangrijkste materiële erfgoed.

Wat is er aan de hand? De klimaatwetenschap is berucht complex en wordt, zoals elke wetenschap, gekenmerkt door onzekerheden. Zo kunnen ontwikkelingen exponentieel versnellen na kantelmomenten. Dit geldt ook voor materieel erfgoed: de effecten van een stijgende zeespiegel, inklinkende bodem en erosie van bouwmaterialen kunnen elkaar versterken. Of en wanneer kantelmomenten zullen optreden is echter vooralsnog onduidelijk.

Ook is het moeilijk om vooruit te lopen op nieuwe technische mogelijkheden om erfgoed te beschermen of verplaatsen. Maar het is evident dat het proces van klimaatgerelateerde aantasting al is ingezet. In Nederland gaat het nu vooral om archeologische vindplaatsen, die instabiel worden omdat de bodem afwisselend natter en droger wordt. Maar op de langere termijn wordt al het erfgoed dat zich bevindt op land onder de huidige zeespiegel, inclusief het merendeel van de architectuur van de zogenaamde Hollandse Gouden Eeuw, door klimaatverandering bedreigd. Om nog eens vier eeuwen te overleven zal het naar hoger gelegen land moeten worden verplaatst. Dit geldt voor plaatsen die geassocieerd worden met de Nederlandse identiteit: van de Nieuwe Kerk in Delft met de grafkelder van de Oranjes tot de Leidse universiteit, Zaanse Schans en de zeventiende-eeuwse centra van Hoorn, Enkhuizen en Volendam. Vrijwel al het door unesco erkende werelderfgoed staat in de gevarenzone: de grachtengordel en Stelling van Amsterdam; de Rotterdamse Van Nelle Fabriek; de molens van Kinderdijk. Het is duidelijk dat we een deel hiervan zullen moeten opgeven, welke technische oplossingen in de komende decennia ook zullen worden ontwikkeld en hoeveel er ook zal worden geïnvesteerd in dijken, landophoging en afwatering. En zelfs als het Paleis op de Dam steen voor steen naar Arnhem wordt verplaatst, zal het veel van zijn huidige betekenis, gebonden aan de specifiek Hollandse en Amsterdamse context, definitief verliezen.

De Nederlandse situatie is bijzonder, maar niet uniek. Elders zijn de gevolgen van de klimaatcrisis voor historisch erfgoed al duidelijker en zijn concrete maatregelen genomen. Dit jaar is het Louvre, dat in Parijs gevaarlijk dicht naast de Seine is gesitueerd, begonnen meer dan 250.000 kunstwerken onder te brengen in een nieuwe, klimaatbestendige dependance in Noord-Frankrijk. Een bekender voorbeeld is Venetië, dat inmiddels tegen overstromingen wordt beschermd door een barrière met de bijbelse naam Mozes (mose = Modulo Sperimentale Elettromeccanico). Deze rekent met een beperkte zeespiegelstijging en zal dus slechts tijdelijk soelaas bieden. Volgens een gangbare inschatting verdwijnt de stad rond het jaar 2100 geheel onder water.

Venetië is uitzonderlijk omdat niet alleen de zee stijgt, maar ook de bodem daalt. De Italianen maken echter ook plannen voor regio’s die meer op Nederland lijken, zoals het Renaissancestadje Ferrara in de delta van de rivier de Po. Ook wordt overwogen om de vroegchristelijke kerken van kustplaats Ravenna, met hun befaamde Byzantijnse mozaïeken, landinwaarts te verplaatsen. Dit klinkt misschien als science-fiction, maar het gaat om een relatief eenvoudige klus. Neem bijvoorbeeld het oudste gebouw van Nederland: de Egyptische tempel van Taffeh, stammend uit het begin van de jaartelling. Al in de jaren zestig is deze afgebroken, omdat hij dreigde te overstromen bij de aanleg van de Aswandam, en heropgebouwd in het Leidse Rijksmuseum voor Oudheden. Recenter zijn de Clavell Tower in Engeland en de vuurtoren van het Amerikaanse Cape Hatteras verplaatst vanwege een oprukkende kustlijn.

Al in 2005 publiceerde het World Heritage Committee een waarschuwing over de bedreiging van klimaatverandering voor cultureel erfgoed. In 2018 maakte het toonaangevende natuurwetenschappelijke tijdschrift Nature Communications een concrete inschatting van risico’s in het Middellandse Zeegebied voor het jaar 2100. Na Venetië is de Kroatische kust, met de oude bisschopsstad Poreč, aan de beurt, gevolgd door Carthago in Tunesië. Maar ook pittoreske dorpjes aan de baai van Napels, de kruisvaardersstad Acre, de tempel van Artemis in Efeze en zelfs de modernistische architectuur van Tel Aviv lopen reëel risico te overstromen.

Buiten Europa zijn vier bedreigde locaties, van Paaseiland tot Peru, geselecteerd door Google voor een online 3D-reconstructie, waarbij het de vraag is of die ooit het origineel kan vervangen. Veel erfgoed is bovendien reeds verloren gegaan. Een groot deel van het historische centrum van New Orleans, inclusief twee complete musea, is in 2005 vernietigd door orkaan Katrina. Sinds 2007 tasten hogere temperaturen in Canada de historische vestigingen aan van walvisvaarders op Herschel Island. In Afrika leidt klimaatverandering zowel tot woestijnvorming als meer neerslag. Dit bedreigt de uit aarde opgetrokken architectuur van Mali, zoals de befaamde Sankoré-moskee in Timboektoe. Het grootste risico lopen echter de laaggelegen delen van Azië, zoals Vietnam. Daar staat de zestiende-eeuwse stad Hoi An, door unesco erkend als werelderfgoed, dat sinds 2017 grotendeels onder water staat en tegen 2100 zal zijn verdwenen.

Erfgoed heeft altijd een relatie tot het verstrijken van de tijd. Nu loopt de tijdlijn twee kanten op

In het mondiale zuiden zullen overstromingen en economische schade leiden tot massale migratie. Er zal zo veel menselijk welzijn verloren gaan dat het bijna pervers is om ook aandacht te besteden aan het culturele erfgoed aldaar. Daarentegen zal Nederland, veel beter dan Vietnam, in staat zijn om de basisveiligheid van zijn bevolking te waarborgen. Bovendien is Nederland interessant omdat een relatief grote hoeveelheid historisch erfgoed er in het licht van de stijgende zeespiegel op een andere manier zal worden behandeld en beleefd.

Als het gaat om klimaatverandering, hoe verschilt onze houding tot cultureel erfgoed van die tot natuur? Net als een koraalrif of landschap kunnen kunst en architectuur leiden tot een ervaring van louter schoonheid. Een kenmerkend verschil is echter dat erfgoed vanwege zijn aard altijd een relatie heeft tot het verstrijken van de tijd. Tot voor kort betekende dit vooral een reflectie op het verleden. Door klimaatverandering loopt de tijdlijn echter twee kanten op, en dwingt de kwetsbaarheid van historisch erfgoed ons te reflecteren op de toekomst. Pogingen om het ‘verhaal van Nederland’ te vertellen met behulp van zowel schilderijen in het Rijksmuseum als de architectuur van de Van Nelle Fabriek, zijn niet meer vanzelfsprekend.

Om de relatie tussen erfgoed, identiteit en geschiedenis beter te begrijpen kunnen we te rade gaan bij Johan Huizinga (1872-1945). Befaamd is zijn concept ‘historische sensatie’. Hijzelf onderging deze sensatie voor het eerst bij een tentoonstelling van vijftiende-eeuwse schilderijen, door Jan van Eyck en Rogier van der Weyden, in Brugge in 1902. Kijken naar deze kunstwerken was voor Huizinga belangrijker dan het lezen van historische bronnen, en inspireerde zijn wereldberoemde boek Herfsttij der Middeleeuwen (1919). In zijn eigen woorden bood materieel erfgoed hem ‘een onmiddellijk contact met het verleden, een sensatie even diep als het zuiverste kunstgenot, een (lach niet) bijna extatische gewaarwording van niet meer mijzelf te wezen (…) de aanraking met het wezen der dingen, het beleven van de Waarheid door de historie’.

Geestverwanten van Huizinga zoals Goethe, Jacob Burckhardt en Mario Praz konden een historische sensatie beleven bij de aanblik van een meubelstuk, stadsgezicht of kamer die eeuwenlang onaangeroerd was gebleven. Historici twijfelden daarna steeds meer aan de mogelijkheid om het verleden zo direct zintuigelijk te ervaren en zelfs ‘aan te raken’. Maar bij sommigen is die gedachte nog springlevend, zoals de Groningse filosoof Frank Ankersmit. De historische sensatie ‘verenigt verleden en heden in een korte maar extatische kus’, meent hij en noemt haar zelfs een ‘sublieme ervaring’.

Huizinga’s verlangen om geschiedenis emotioneel te beleven was ingegeven door zijn besef dat er een radicale breuk bestaat tussen heden en verleden. Deze opvatting is niet universeel. Vóór de negentiende eeuw gingen Europeanen ervan uit dat zij nog in contact stonden met de wereld van hun voorouders. Rond 1800 vonden echter traumatische politieke en wetenschappelijke ontwikkelingen plaats: de zogenaamde ‘dubbele revolutie’. De Franse Revolutie viel samen met de industriële revolutie, sinds James Watts ontwerp van de stoommachine in 1784. Deze twee elkaar versterkende factoren veranderden de wereld zodanig dat een terugkeer naar de voorgaande situatie onmogelijk leek. In 1830 herinnerde filosoof Hegel zich de opwinding van enkele decennia eerder als een kentering, waarbij de mens voor het eerst meester werd over de natuur: ‘Zolang als de zon aan het firmament staat en de planeten om haar heen cirkelen, was het niet gebeurd dat de mens zichzelf op zijn kop zet, dat wil zeggen dat hij (…) de wereld volgens zijn eigen gedachten opbouwt. (…) Het was hiermee een heerlijke zonsopgang.’

Anno 2021 is pas goed duidelijk hoe ontwrichtend de ‘dubbele revolutie’ is geweest. De stoommachine luidde immers ook de verschuiving in van hout en hernieuwbare energiebronnen naar het gebruik van fossiele brandstoffen op grote schaal. Hegels idee van een kentering was een vooraankondiging van het Antropoceen, waarin de mens zelf een klimatologische factor van betekenis is geworden. Zijn metafoor van een zonsopgang lijkt door een zonsondergang te worden gevolgd nu de natuur juist steeds minder beheersbaar blijkt.

De beperkte houdbaarheid van Hegels optimisme inspireert allereerst kritiek op de opvatting dat de geschiedenis maar één kant op gaat, in de richting van vooruitgang. Deze kritiek klinkt al langer in de geesteswetenschappen, ook bij auteurs die zich niet interesseerden voor de klimaatcrisis. In de jaren negentig verklaarden postmoderne filosofen Francis Fukuyama en Arthur Danto het ‘eind van de geschiedenis’ en het ‘einde van de kunst’. Volgens Danto konden na de opkomst van de conceptuele kunst, kunstenaars nooit meer oprecht avantgardistisch zijn, omdat ze beseften dat hun eigen werk ook weer gedateerd zou raken. In de 21ste eeuw wordt duidelijk dat deze opvatting getuigde van een haast ondraaglijke intellectuele lichtheid. In de eerste plaats beseften in de jaren negentig bitter weinig van de zelfverklaard vooruitstrevende kunstenaars wat er feitelijk aan het veranderen was in termen van klimaatdisruptie. Ten tweede heeft deze disruptie eerder een praktisch dan een theoretisch ‘einde’ van kunst en kunstgeschiedenis tot gevolg.

In andere disciplines dan de filosofie is de vooruitgangsgedachte echter nog springlevend, zoals de erfgoedstudies. Met behulp van verfijndere natuurwetenschappelijke technieken zouden we steeds beter in staat zijn om materieel erfgoed te conserveren en toekomstbestendig te maken. Elk jaar geeft unesco meer locaties de status van werelderfgoed en versterkt daarmee het juridische en economische raamwerk om ze voor verval te behoeden. Maar klimaatverandering is dusdanig verstorend dat ook aan dit optimisme een einde zal komen wanneer architectuur, historische binnensteden en complete cultuurgebieden moeten worden prijsgegeven.

‘Wat is het eindpunt van een stijgende zeespiegel? Verdriet wordt gestremd door onzekerheid’

Als we het einde van de kunst dus praktisch in plaats van theoretisch moeten opvatten zijn er andere manieren mogelijk om na te denken over historische ontwikkelingen. Hiervoor moeten we echter teruggrijpen op auteurs van vóór de industriële revolutie. Dat kunst zich niet altijd ontwikkelt in de richting van vooruitgang, was de grondgedachte van Giorgio Vasari’s De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten (1550). Na de bloei van de klassieken zou de kunst in een dal zijn beland totdat zij in Florence met Michelangelo een nieuw hoogtepunt bereikte. Zulke opvattingen over een cyclisch verloop van de geschiedenis zijn wereldwijd te vinden. De Griekse stoïcijnen geloofden in ekpyrosis, de periodieke destructie van de wereld; de klassieke Chinezen veronderstelden een dynastieke cyclus; en de Tunesische geleerde Ibn Khaldun meende dat steden zich ontwikkelen als ze nu en dan door nomaden worden verwoest. Dit cyclische model is misschien beter dan het vooruitgangsidee in staat om de loop van de geschiedenis in tijden van klimaatcrisis te bevatten. Maar het is onzeker of er na een periode van klimaatgerelateerd ‘verval’ vervolgens wel weer een ‘bloei’ zal komen, gezien de exponentiële wijze waarop veranderingen zich doorzetten.

Scenario’s voor de toekomst zullen waarschijnlijk veel chaotischer zijn dan de schematische cyclische en lineaire modellen. Klimatologische ontwikkelingen zullen elkaar vooral veel sneller opvolgen dan in het verleden. Daarmee moeten we opnieuw nadenken over de schaal waarop we de geschiedenis beoordelen. Naast langere tijdsschalen zullen we uiterst korte gaan hanteren. Toen in de achttiende eeuw geologen beseften dat de ouderdom van de aarde veel verder teruggaat dan de zesduizend jaar uit de Bijbel, spraken ze over ‘diepe tijd’. Ze kregen een indruk van de onpeilbare traagheid van de natuur. De 21ste eeuw brengt daarentegen een niet eerder vertoonde versnelling, die je bijvoorbeeld ervaart als je opnamen ziet van een eeuwenoude ijsberg die ineenstort in zee. Dan lijkt het welhaast of heden en verleden zich tegelijkertijd voltrekken. In zijn boek De onbewoonbare aarde (2019) probeert David Wallace-Wells daarom klimaatverandering te begrijpen aan de hand van een tijdsopvatting van de Australische Aboriginals. Zij spreken over ‘droomtijd’ of ‘everywhen’: overal in de tijd. Dit is de half-mythische ervaring van een ontmoeting in het heden met zowel voorouders uit een ver verleden als onsterfelijke helden en goden. ‘Everywhen’ kan een aanzet bieden om Huizinga’s opvatting over geschiedenis te verrijken voor de 21ste eeuw. Nu erfgoed zo precair wordt, leidt de historische sensatie automatisch tot een blik vooruit. Op dat moment vallen heden, verleden en toekomst samen.

I n feite zijn toekomstvoorspellingen nog steeds met grote onzekerheid omgeven. Dat delen van Nederland onder water zullen lopen staat vast, maar over de termijn waarop dit gebeurt willen weinig klimaatwetenschappers uitspraken doen. In het licht van nieuwe gegevens stellen ze hun modellen voortdurend bij. Deze onzekerheidsfactor staat centraal in een essay van Meehan Crist in de London Review of Books (2018). Ze vraagt zich af waarom slechts weinigen actie ondernemen in het licht van klimaatverandering. Crist meent dat de menselijke geest niet is ingesteld op nauwelijks waarneembare dreigingen die langzaam versnellen. Allereerst wijst ze op het werk van de Zwitsers-Amerikaanse psychiater Elisabeth Kübler-Ross, die de ‘vijf stadia van verlies’ benoemde: ontkenning, woede, onderhandeling, depressie en acceptatie. Veel mensen zouden waar het klimaatverandering betreft nog in de eerste of tweede fase zitten.

Crist stelt echter dat dit model, waarin de betreurde geliefde persoon of voorwerp is verdwenen, niet goed toepasbaar is op het leven in een stad die binnenkort kan worden overstroomd. Ze verkiest de term ‘ambigu verlies’, die psychiaters gebruiken voor rouw die volgt op een proces dat niet is afgesloten. Families van vermiste soldaten bijvoorbeeld rouwen om een persoon die fysiek afwezig is maar psychologisch aanwezig blijft. Bij de ziekte van Alzheimer is het omgekeerd, de persoon is fysiek aanwezig en psychologisch afwezig:

‘De eerste soort ambigu verlies verduidelijkt de uitgestelde rouw die klimaatvluchtelingen vaak ervaren. Hoe moet je rouwen over een thuis dat zinkt in een verre zee, maar psychologisch aanwezig blijft? De tweede soort is van toepassing op de ervaring in een gebied te wonen dat door een stijgende zeespiegel wordt bedreigd. Het geliefde voorwerp is er en is er niet – nog aanwezig, maar langzaam aan het verdwijnen. (…) Hoe moet je rouwen over een thuis dat steeds meer risico loopt maar niet is overstroomd, vooralsnog? (…) Met een stijgende zeespiegel blijft het eindpunt onbekend. Een meter? Drie meter? Verdriet wordt gestremd door onzekerheid.’

Een dergelijke klimaatgerelateerde emotie staat ook centraal in het werk van filosoof Glenn Albrecht. In 2005 muntte hij, naar aanleiding van het woord nostalgie (verlangen naar het verleden), het concept ‘solastalgia’. Gebaseerd op het Latijnse solacium (troost) en het Griekse algos (pijn) is dit in het Nederlands te vertalen als ‘troostalgie’. Troostalgie verwijst naar het verschijnsel dat je heimwee voelt terwijl je nog thuis bent. Wie nooit in een huis heeft gewoond dat door rijzend water werd bedreigd, kan denken aan de ervaring van reizen. Bij aankomst op een aantrekkelijke bestemming kun je direct overweldigd worden door heimwee naar juist die plek, omdat je weet dat je verblijf van korte duur zal zijn. Inmiddels heeft medisch tijdschrift The Lancet ‘solastalgia’ opgenomen als nuttig concept om het effect van klimaatverandering op geestelijke gezondheid te beoordelen. Ook voor kunsthistorici kan ‘troostalgie’ bruikbaar zijn. Misschien kan ik er de gevoelens van mijn studenten in het Amsterdamse Paleis beter mee begrijpen: overweldigd door de ervaring van historisch erfgoed in het besef dat het er op termijn niet meer zal zijn.

Biedt de crisis ook nieuwe kansen voor erfgoed? Praktisch gezien springt de archeologie in het oog. Zo legden afbrokkelende kliffen in Happisburgh, Engeland de oudste menselijke voetsporen buiten Afrika bloot: een gezin dat achthonderdduizend jaar geleden liep over de toenmalige landbrug met Nederland. Ook smeltende gletsjers in Canada en Scandinavië geven overblijfselen prijs. Zo vond de Nederlandse archeoloog Marcel Cornelissen recentelijk in Zwitserland menselijke werktuigen uit 7000 voor Christus. Van algemener belang is echter dat een verplaatsing van de focus van de natuur naar de mens waar het klimaatverandering betreft, kan leiden tot nieuw begrip en actiebereidheid.

Opvallend is dat veel meer is geschreven over de invloed van klimaatverandering op de natuur en dieren dan op onszelf. Wallace-Wells stelt: ‘Tot nu toe vinden we het kennelijk makkelijker om ons in te leven in het klimaatnoodlot van andere soorten, wellicht omdat we er zo veel moeite mee hebben om onze eigen medeplichtigheid te erkennen aan de veranderingen die zich momenteel ontvouwen.’ Wanneer we ons rekenschap geven van het verdwijnen van cultureel erfgoed wordt duidelijker dat mens en omgeving, cultuur en natuur onlosmakelijk verweven zijn in hun teloorgang en onlosmakelijk deel van een oplossing zullen vormen.

Een focus op historisch erfgoed kan bovendien leiden tot grotere betrokkenheid. Toen de Taliban de monumentale Boeddhabeelden van Bamiyan vergruizelden en IS de antieke Syrische stad Palmyra bombardeerde, kon dit op meer internationale verontwaardiging rekenen dan veel van het menselijke leed dat onzichtbaar bleef. Op dezelfde manier kan het besef dat de bouwstenen van onze eigen beschaving worden bedreigd mensen op de been brengen voor wie de teloorgang van Australische koraalriffen te ver van hun bed gebeurt. Nederlanders die hun identiteit deels ontlenen aan cultureel erfgoed zullen misschien meer klimaatvriendelijke politieke keuzes maken.

Klaarblijkelijk leidt de confrontatie met steeds meer natuurwetenschappelijke data, zoals die dagelijks door klimaatwetenschappers worden geproduceerd, er niet toe dat velen tot actie overgaan. Mensen moeten daarentegen op een diep emotioneel en spiritueel niveau worden geraakt (zie Jo Confino, The Guardian, 2014). Het is daarom goed mogelijk dat de gelaagde ervaring die een rol speelt in de omgang met erfgoed, bestaande uit historische sensatie, esthetische waardering en ‘troostalgie’, op nieuwe manieren mensen kan motiveren.

De focus op cultureel erfgoed kan ten slotte ook een nieuw perspectief bieden op de handelingsbekwaamheid van de mens ten aanzien van klimaatverandering. Dit erfgoed is immers ooit door mensenhand gemaakt. Met mensenhand zullen we het ook weer kunnen redden of, in laatste instantie, reconstrueren. Waar we bij de aanblik van de teloorgang van koraalriffen, complete diersoorten en landschappen ten prooi kunnen vallen aan een gevoel van machteloosheid, kan het redden van onze eigen maaksels ons inspireren tot nieuwe creativiteit. De kansen van de crisis zijn in dit opzicht heel concreet aan te wijzen. Bijvoorbeeld het Paleis op de Dam: Nederlanders kunnen laten zien dat ze tegenover het zeventiende-eeuwse genie van Van Campen, Flinck en Quellinus een niet eerder vertoond staaltje van technische, logistieke en artistieke vindingrijkheid kunnen stellen. Op een nieuwe plek, in een nieuwe context en van nieuwe luister voorzien zal het gebouw onvermoede betekenissen krijgen voor toekomstige generaties.


Thijs Weststeijn is hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht