Kleine apologie van de voortplanting

Wat doen we ze aan?

We zetten ze op een wereld die smelt, overstroomt, uitdroogt. Ze kunnen hongersnoden en oorlogen verwachten. Toch houden we niet op met nageslacht maken. Uit domheid of omdat we hoopvol blijven?

Ze zegt iets als: ‘Je hebt een kind, niet? Misschien zou ik er heel anders over denken als ik ooit een kind had gekregen. Dan zou ik er wellicht meer moeite mee hebben.’

Ze is Amerikaans, achter in de veertig en min of meer bij toeval in Rotterdam beland. Ze had een vaak grappig maar vooral ook angstaanjagend essay geschreven over hoe Miami het stijgen van de zeespiegel collectief negeert. Niet direct haar specialisme – eerdere verhalen van haar hand die me waren bijgebleven, gingen over een luidruchtige papegaai in een Frans hotel en over wat een draak van een film Anthony Minghella’s The English Patient was – maar ze had naar aanleiding van dit essay een beurs gekregen om een boek te schrijven over klimaatadaptatie. Ze wil nu van mij weten of de Maeslantkering goed bereikbaar is. En ook of het überhaupt de moeite waard is daar de eeuwige strijd tegen het water te gaan bekijken. Valt er iets te zien?

De catastrofale toekomst die ze vermoedt, lijkt haar niet op te zadelen met iets als een zwaar gemoed. Het is geen après moi le déluge, eerder iets als een totaal gebrek aan fiducie. Een overgave aan het idee dat de mens, oog in oog met de vijandige wereld die hij zelf heeft geschapen, zijn eigen vernuftigheid schromelijk overschat.

Het is alsof bij de klimaatcrisis het onvermijdelijke en het onvoorstelbare perfect samenvallen. Op de fiets naar huis denk ik aan wat klimaatjournalist David Wallace-Wells twee jaar geleden in New York Magazine schreef: ‘De meeste mensen praten alsof Miami en Bangladesh nog een kans hebben.’

When Will Climate Change Make the Earth Too Hot for Humans? was de titel van Wallace-Wells’ artikel. Wie eenmaal de vraag stelt wanneer iets zal gebeuren, is het station of het zal gebeuren reeds gepasseerd. Nog zo’n zin die zich met weerhaakjes had vastgezet in mijn brein: ‘Hoe goed geïnformeerd je ook bent, je bent hoe dan ook niet gealarmeerd genoeg.’

De portee van Wallace-Wells’ verhaal: staar je niet blind op de stijgende zeespiegel. Een paar graden opwarming, ooit een doemscenario maar nu een streefgetal waarop lang niet iedereen meer durft te hopen, brengt legio andere problemen met zich mee. Luchtverontreiniging en extreme hitte, voedselschaarste en uitstervende dierenpopulaties ter land, ter zee en in de lucht, uit het smeltende poolijs ontsnappende ziektes waartegen mens en dier niet resistent zijn, en natuurlijk dat wat de mens bij de minste of geringste druk de mens zo graag aandoet: oorlog. Onze cumulatieve vernietigingskracht gaat bij de meesten van ons verstand en fantasie ver te boven.

Op de dag dat Frankrijk net wel of net niet de warmste uren in zijn geschiedenis beleeft en in de zesde stad van India het water op is en negen miljoen mensen bidden voor regen, brengt het Algemeen Dagblad nieuws over het klimaatakkoord. Het kabinet legt de uitspraak van de rechter in de Urgenda-zaak naast zich neer. In een alinea over de maatregelen die het kabinet wél wil treffen leest men onder meer dat ‘automobilisten straks vaker hun bandenspanning moeten controleren en huizenbezitters wordt gevraagd energiebesparend folie op radiatoren te plakken’.

Tot overmaat van ramp lees ik E.M. Cioran. Maar zo er ooit een goed moment is geweest om hem te lezen, is dit het. In Geboren zijn is ongemak (1973) schrijft hij: ‘Door de mens toe te laten heeft de natuur meer dan een rekenfout gemaakt: zij heeft een aanslag op zichzelf gepleegd.’

Ik heb geen idee hoe oud ik was toen mijn moeder me op luchtige toon, maar toch ook duidelijk in alle ernst, vertelde dat ze helemaal niet zeker was geweest over het antwoord op de vraag of ze überhaupt ooit kinderen op deze wereld wilde zetten. De klemtoon maakte duidelijk dat de twijfel vooraleerst gelegen was in de toestand van de wereld. Het was de eerste keer dat ik begreep hoe ons hele bestaan al voordat het goed en wel is begonnen aan een zijden draadje hangt. Een relativerende gedachte. (Wat schrijft Cioran? ‘Tijdens angst en radeloosheid plotselinge kalmte bij de gedachte aan de foetus die je geweest bent.’)

Wie nadenkt over het wel of niet krijgen van kinderen – en wie doet dat op enig moment in zijn of haar leven niet? – denkt in de eerste plaats toch na over de eventuele gevolgen voor het eigen leven.

Maar ook het diametraal tegenovergestelde oogpunt is allesbehalve nieuw. Angst voor overbevolking, het Grenzen aan de groei-rapport van de Club van Rome, kernmachten die elkaar en daarmee de rest van de wereld naar het leven staan: andere generaties, andere doembeelden en angsten die zich kunnen vermengen met meer persoonlijke twijfels.

Bill McKibben, milieuactivist en peetvader van de moderne klimaatjournalistiek, publiceerde in 1998 een boekje waarin hij zijn eigen kinderwens bekeek in de context van de ongemakkelijkste vragen over de in de afgelopen eeuw explosief gegroeide wereldbevolking. De titel, Maybe One: A Case for Smaller Families verraadt tot welke conclusie hij kwam. De harde woorden waren niet van de lucht: The Wall Street Journal noemde hem ‘een extremist’, The New York Times een ‘heilig boontje’. Deugziek, zou men tegenwoordig zeggen.

De komende vijftig jaar, schreef McKibben inmiddels ruim twee decennia geleden, zijn cruciaal voor de toekomst van het leven op aarde. De planeet zucht onder de mens. Wat hem betreft was de conclusie onvermijdelijk: we zijn de enige plek waar we als mensheid in voorspoed kunnen leven in rap tempo volledig aan het uitputten.

McKibben was er niet op uit een moreel oordeel te vellen over het krijgen van kinderen (‘kinderen zijn immers geweldig’), maar waar hij bijkans wanhopig van werd, was hoe men niet leek te willen begrijpen dat het feit dat de Malthusiaanse doemscenario’s in het verleden niet zijn uitgekomen, voor de toekomst betrekkelijk weinig zekerheid biedt. Iets als een vrees voor de gevolgen van overbevolking kan alleen op korte termijn ongegrond blijken, stelde hij in Maybe One. Dat doemprofeten het in het verleden mis hadden nodigt uit tot gezonde scepsis, maar dat is iets anders dan de schijnbaar rotsvaste overtuiging dat de mens tot in de eeuwigheid de uitdagingen zal aankunnen. Laat staan dat onze omgeving zich naar onze noden zal blijven plooien.

‘Door de mens toe te laten heeft de natuur meer dan een rekenfout gemaakt: zij heeft een aanslag op zichzelf gepleegd’

Zo ver als de in 1991 door een andere Amerikaanse activist opgerichte Voluntary Human Extinction Movement wilde McKibben niet gaan, maar wat hem betreft was het ruim twintig jaar geleden evident: met een breedgedragen, persoonlijke éénkindpolitiek zouden we al een heel stuk opschieten. McKibben was erop uit het populatievraagstuk in het domein van het persoonlijke leven te trekken: ‘No single decision any of us will make will mean as much to our own lives or to the life of the planet.’

Het is een besef dat langzaam maar zeker lijkt in te dalen, maar in die laatste zin schuilt ook een afwezige: de nog niet geboren mens. De onuitgesproken aanname is dat het leven in principe een geschenk is waarvoor men niet zou willen bedanken.

De zelfmoord is het enige ‘werkelijk ernstige filosofische probleem’, schreef Camus in de openingsregels van De mythe van Sisyfus (1942). ‘Oordelen of het leven wel of niet de moeite waard is geleefd te worden, is antwoord geven op de fundamentele vraag van de filosofie.’ Waaraan hij met die woorden voorbij lijkt te gaan, is hoe het antwoord op diezelfde fundamentele vraag ook andere gedaanten kan aannemen dan die van de wel of niet gekozen dood.

Cioran schrijft: ‘Wij snellen niet de dood tegemoet, wij ontvluchten de catastrofe van onze geboorte.’ En ook: ‘Alle misdaden begaan hebben, behalve die van vader worden’. Men kan, eenvoudig gezegd, de eigen geboorte betreuren en een ander eenzelfde lot willen besparen.

De filosofische stroming die draait om de gedachte dat het leven het leven niet waard is, dat het een wrede grap is die we elkaar blijven doorvertellen, heeft een naam: het antinatalisme. Antinatalisten zijn van mening dat het creëren van nieuw leven in principe moreel onjuist en dus onwenselijk is omdat het leven hun toeschijnt als een perpetuum mobile van menselijk lijden.

Hoewel de titel van Sarah Perry’s Every Cradle Is a Grave (2014) niet valt te overtreffen, geldt Better Never to Have Been (2006) van de Zuid-Afrikaanse filosoof David Benatar als het hedendaagse standaardwerk op dit gebied. Hij is degene die zijn ideeën over de tirannieke zinloosheid van het bestaan het diepst lijkt te hebben doordacht. Het is geen mensenhaat waarop het antinatalisme drijft. Het woord ‘misopsychia’ (opgedoken uit een oude encyclopedie, Petrus Weilands Kunstwoordenboek uit 1858) lijkt dichterbij te komen: het zijn mensen wier wereldbeeld wordt gekenmerkt door een ‘verdriet in het leven’.

Over Benatars persoonlijke omstandigheden is weinig bekend en dat wil hij schijnbaar graag zo houden: dit om te voorkomen dat de eigenaardigheden van zijn eigen leven de gedachten van mensen over zijn ideeën zouden inkleuren. Hij staat aan het hoofd van de filosofiefaculteit van de Universiteit van Kaapstad, waar ook zijn vader doceerde, en hij bekende ooit schoorvoetend tegen een journalist van de New Yorker dat hij de pessimistische ideeën waarmee hij bekendheid verwierf er al bijna zijn hele leven op nahoudt. Benatar is een variant op de figuur die aan het woord is in Philip Larkins beroemde gedicht This Be the Verse:

‘They fuck you up, your mum and dad.
They may not mean to, but they do.
(…)
Man hands on misery to man.
It deepens like a coastal shelf.
Get out as early as you can,
And don’t have any kids yourself.’

De kern van Benatars betoog is dat geboren worden altijd een kwalijke zaak is. ‘A serious harm’, zoals hij het noemt. Zelfs een leven dat we als goed beoordelen bevat nog altijd een onnoemelijke hoeveelheid kleiner en groter leed. Benatar zegt dat het een misvatting is de goede en de slechte dingen in het leven tegen elkaar af te wegen. De goede zaken van het leven maken het in het beste geval draaglijk, maar als men nooit ter wereld was gekomen was er niemand geweest die van die goede kanten was beroofd. De afwezigheid van het slechte (doordat degene die daaronder zou lijden niet bestaat) is goed, terwijl de afwezigheid van het goede (doordat degene die daarmee te maken zou krijgen niet bestaat) goed noch slecht kan worden genoemd.

En los daarvan, zegt Benatar; we zijn ook nog eens heel sterk geneigd de kwaliteit van ons bestaan te overschatten. Alleen al in het afgelopen uur heb ik bijvoorbeeld behoorlijk wat stress ondervonden door het besef dat wat ik tot nu toe schreef nog vol kromme zinnen staat en de gedachte dat er nog zeker vijftienhonderd woorden ergens vandaan moeten worden gehaald terwijl op hetzelfde moment het verhaal ook nog eens te lang dreigt te worden. Daarnaast is het hier in deze kamer bloody hot en kreeg ik het net voor elkaar om de deur dicht te trekken terwijl mijn middelvinger ertussen zat. Toch zou ik, als iemand me zou vragen hoe het gaat, zeggen: goed. En zeker in vergelijking met het grootste deel van de mensheid is dat ook helemaal terecht. Wie het allemaal objectief in ogenschouw neemt, komt volgens Benatar onvermijdelijk tot de conclusie dat niet geboren worden in alle gevallen beter was geweest.

Hij benadrukt dat dat alles niet betekent dat ieder leven dat al is begonnen zo snel mogelijk zou moeten worden afgebroken. Hij laat overtuigend zien dat de lat voor het beëindigen van een leven dat al is aangevangen veel hoger ligt dan voor het niet laten beginnen van een nieuw bestaan. (Benatar stelt wel dat het moreel verkeerd is om foetussen in een vroeg stadium van de zwangerschap niet te aborteren.)

De logische conclusie van deze positie is dat het uitsterven van de menselijke soort, en van alle met gevoelens of iets als een bewustzijn opgezadelde dieren, een wenselijke ontwikkeling zou zijn. Dat wil niet zeggen dat de mens zichzelf zou moeten uitmoorden. Benatar gaat uitvoerig in op de scenario’s waarin de mensheid een zelfgekozen einde tegemoet gaat. Hij komt tot eenzelfde positie als de Voluntary Human Extinction Movement, maar bereikt die via een soort doorgefokt humanisme in plaats van via een overdaad aan vereenzelviging met de natuur.

Het is de diepste vrees die onder het ouderschap zindert. Het besef dat we niet weten wat we onze kinderen aandoen

Benatar lezen is voelen hoe de zuurstof uit je bestaan wordt weggezogen. Een enkeling zal dit wellicht als opwindend ervaren, een intellectuele variant van auto-erotische asfyxiatie, maar voor de rest van ons is het een benauwende bedoening: dacht je werkelijk dat het het uiteindelijk allemaal waard is? Dat ook het zinloze leven betekenisvol kan zijn? Alles wat je jezelf wijsmaakt over een waardevol leven is niets dan ijdelheid. Een eindeloos herkauwde, genetisch overgedragen ontvankelijkheid voor zinsbegoocheling.

Het is bijna onvoorstelbaar, maar Benatar lijkt met een nog zwaarder gevoelsleven te zijn gestraft dan Cioran. Die laatste veroorloofde zichzelf zo nu en dan nog een zekere ambivalentie: ‘Ik vergeef het mijzelf niet dat ik geboren ben. Het is alsof ik door in deze wereld binnen te sluipen een mysterie geprofaneerd, een of andere belangrijke belofte verbroken of een vreselijke fout begaan heb. Toch ben ik soms minder radicaal: geboren worden lijkt mij dan een ramp waarvan het gemis mij ontroostbaar gemaakt zou hebben.’

Ontroostbaar is ook het woord dat zich opdringt bij het lezen van Better Never to Have Been. Het is een even gitzwarte als grenzeloze empathie die Benatar parten lijkt te spelen. Overal waar hij kijkt ziet hij de mens onnodig lijden. Het profiel dat Joshua Rothman een paar jaar geleden voor de New Yorker van hem maakte, is wat dat betreft een welkome aanvulling op dat wat Benatar ons zelf voorschotelt. Rothman schrijft dat Benatar tranen in zijn ogen heeft wanneer hij beschrijft hoe hij het gevoel heeft dat de mens wordt geacht te accepteren wat niet te accepteren valt. Hoe het onacceptabel is dat mensen en dieren moeten doormaken wat ze doormaken, en dat er niets is wat ze daaraan kunnen doen. Benatar vindt zijn eigen ideeën niet minder verontrustend dan ieder ander, en hij deelt ze dan ook met een dubbel gevoel. Over de mensen die zich in zijn wereldbeeld herkennen en die erdoor lamgeslagen worden, zegt hij: ‘Het vult me met treurnis, ze hebben een helder beeld van de realiteit en daarvoor betalen ze een hoge prijs.’

Benatars betoog is indrukwekkend, maar ergens is het als het kijken naar iemand die in tien seconden een Rubiks Kubus oplost: je bent tegelijkertijd totaal overdonderd door de prestatie en diep doordrongen van het geringe belang ervan. De ijzeren logica van Benatars betoog laat, juist door te overtuigen, zien hoe weinig ijzeren logica met de geleefde werkelijkheid van doen heeft. Het lijkt niet te gaan over het aardse bestaan waarover het zegt te gaan. Er moet zo veel worden weggelaten, van iedere vorm van twijfel en verwondering tot een besef van het leven als een betekenis genererende aangelegenheid. Het model dat hij optuigt is een hopeloze vereenvoudiging van de duizelingwekkend complexe ervaring van het zinloze bestaan op aarde. Leven, lijden, de dood. Hoe groter de woorden, hoe kleiner hun zeggingskracht soms lijkt te zijn.

Hoezeer Benatar onder je huid kan kruipen bleek afgelopen januari. Joshua Rothman schreef, wederom voor de New Yorker, over de kunst van het maken van heldere keuzes. Het stond nergens, maar tussen de regels door leek hij nog altijd in gesprek te zijn met de ongemakkelijke Zuid-Afrikaan die hij twee jaar eerder interviewde. Rothman had inmiddels een kind gekregen en hij schreef over de keuze die daaraan vooraf zou zijn gegaan: ‘Zijn bestaan suggereert dat ik op enig moment besloot vader te worden. Maar deed ik dat? (…) in plaats van dat ik een lijst maakte met voors en tegens en tot de conclusie kwam dat het krijgen van een kind een goede zaak was, ging ik geleidelijk en onbewust van niet per se op kinderen zitten te wachten, naar ze wel willen, naar ze samen met mijn vrouw krijgen.’

Hij beschrijft hoe een filosofe genaamd Agnes Callard hem deed inzien dat het ouderschap intrinsiek ‘aspirational’ is: toekomstige ouders zien ernaar uit een liefdevolle relatie op te bouwen met een bepaalde persoon. Maar ook dat het de voorkeur heeft het ouderschap aan te vangen zonder al te heldere gedachten over hoe die liefdevolle relatie eruitziet. Daarmee houden kinderen de mogelijkheid om die invulling zelf mede vorm te geven, ook wanneer het diezelfde relatie is die hen vormt.

Als de Amerikaanse schrijfster eenmaal is teruggevlogen, is het eerste wat ze na thuiskomst publiceert een essay met een ‘take no prisoners’-titel: The Best Abortion Ever. Zonder enige terughoudendheid, unapologetic zoals het zo mooi heet, verdedigt ze de gigantische verworvenheid die een legale en bereikbare abortus is. Het is een verdediging die aan kracht wint doordat ze weigert toe te geven aan de druk – waaronder voorvechters van het recht op abortus vrijwel altijd bezwijken – om ieder gesprek over het hele gebeuren in te kleden als inherent tragisch. Misschien is het dat soms. Misschien is het dat vaak. Maar het is het zeker niet altijd. Over wat ze dacht tijdens een nare ervaring met het middel RU-486 schrijft ze: ‘Ik besloot daar, op dat moment, dat ik het krijgen van de baby, inclusief de hele opvoeding tot aan het trotse moment waarop ik hem een knuppel met spijkers geef waarmee hij zich de fascisten van het lijf kan houden die de waterput van onze familie proberen te bemachtigen, zou verkiezen boven het ooit nog RU-486 te gebruiken, het is ayahuasca zonder de totemdieren.’

Terwijl ik het las voelde ik een steek van herkenning: in dat ene zinnetje vielen mijn gedachten over dat wat Benatar en McKibben hadden geschreven samen. In dat zinnetje, dat in feite om een helse abortus draaide, raakten de pleidooien van McKibben en Benatar voor radicale en totale geboortebeperking elkaar. Verpakt in dat grapje las ik een angst voor een toekomst waarin dat wat de mens met de wereld heeft gedaan grote gevolgen heeft voor wat de mens zijn medemens aandoet.

Het is de diepste, meest fundamentele vrees die onder het ouderschap zindert. Het afgrondelijke besef dat we niet weten, en nooit volledig zullen kunnen weten, wat we onze kinderen aandoen. Dat het in die zin altijd een verschrikkelijke gok is, een huiveringwekkende gok met het leven van een ander. De vrees voor wat we met de planeet doen door kinderen te krijgen en de vrees wat we diezelfde kinderen aandoen door ze op deze planeet te krijgen zijn twee zijden van dezelfde medaille. We doen de wereld de kinderen aan, en kinderen de wereld.

We kunnen geen toestemming vragen. Het is een eenzijdig besluit.

In de begin dit jaar verschenen klimaatroman The Wall van John Lanchester is het meest beklemmende aan de dystopie die hij schetst niet de hardheid van het leven op de muur die is opgetrokken rond het van de rest van de wereld afgesloten Groot-Brittannië. Het meest beklemmende is hoe het alledaagse leven is ingestort en hoe de generaties voorgoed van elkaar vervreemd zijn geraakt. Het weefsel van de maatschappij is onherstelbaar beschadigd en ouders en kinderen zijn niet meer in staat op waardevolle wijze met elkaar samen te leven. De ene helft wordt verteerd door schuldgevoelens – hoe hebben we dit in godsnaam kunnen laten gebeuren? De andere helft door wrok en onbegrip – hoe hebben jullie dit in godsnaam kunnen laten gebeuren?

We weten wat we doen. We weten wat we doen door te blijven vliegen alsof morgen niet bestaat. We weten wat we doen door te blijven stemmen op politici die ons op een zowel slaafse als betuttelende toon vertellen dat wij onze portemonnee vanzelfsprekend belangrijker vinden dan die hele klimaattransitie. Politici blijven zeggen dat we natuurlijk niet het beste jongetje van de klas moeten willen zijn. En ja: we weten wat we doen door kinderen te blijven maken.

We weten niet wat we doen. De toekomst is een vreemd land. Ze zullen daar nu eenmaal dingen anders doen. ‘The future is dark, which is the best thing the future can be, I think’, schreef Virginia Woolf op 18 januari 1915 in haar dagboek.

Hoe ziet een wereld eruit waarin iedereen op schone elektriciteit rijdt en de bossen weer groeien? Hoe een wereld waarin een miljard mensen op drift zijn geraakt? En wat als het er twee miljard zijn?

Voortplanten geeft geen blijk van optimisme. Het is geen bewijs dat men stiekem gelooft in een betere toekomst. Voortplanten is hopen op vergeving. Maar er zijn momenten waarop ik naar haar kijk en me onwillekeurig afvraag of er ooit een dag komt waarop die hoop ijdel zal blijken. Een dag waarop vergeving te veel gevraagd is.