Joan Didions Heart of Darkness

Wat doet zij hier?

Het grote verhaal over El Salvador hadden anderen al geschetst. Joan Didion wilde dat haar indrukken voor zichzelf spraken. En door haar scherpe observaties voel je hoe het is om met angst en terreur in dat land te leven.

El Salvador tijdens de door de VS gesteunde junta, 1981 © Susan Meiselas / Magnum / HH

Onderweg van het vliegveld naar de hoofdstad San Salvador ziet Joan Didion ondervoed vee, straathonden en gepantserde voertuigen – ‘busjes en vrachtwagens en Cherokee Chiefs met versterkt staal en duimdik kogelvrij plexiglas’. Deze voertuigen, schrijft ze, worden door iedereen geassocieerd met verdwijningen en dood. Er was, zo vervolgt ze, een Jeep Cherokee Chief gezien die in maart 1982 de auto met de vier Nederlandse journalisten van de Ikon volgde, waarna ze werden vermoord. Er was de rode Toyota pick-up gezien vlak bij het busje waarin de vier Amerikaanse nonnen zaten in die nacht in 1980 dat ze werden vermoord. Er waren de drie Toyota panel trucks, een gele, een blauwe en een groene, die in de zomer van 1982 elk op een van de plekken waar een massadetentie – of ‘verdwijning’ – plaatsvond, aanwezig waren… We zijn dan nog maar op pagina twee van het boek.

‘Terror is the given of the place’, stelt Didion. De beklemming en angst in El Salvador waar een militaire junta onder leiding van Napoléon Duarte, met heimelijke steun van de Verenigde Staten, sinds 1980 aan de macht was, grijpen je als lezer direct bij de keel. De regering voert een terreurregime, waarbij vooral de doodseskaders die vaak zelfs openlijk opereerden, gevreesd werden, en ook de guerrilla die vanuit de bergen opereerden gebruikten veel geweld. In 1980 was aartsbisschop Oscar Romero vermoord, in december 1981 vond er een massamoord plaats op burgers, kinderen, jongeren, zwangere vrouwen, door regeringstroepen in het dorp El Mozote.

Salvador is een opsomming van observaties. Vooral van mortuaria, massagraven en geweld. ‘De dood en stukken van de dood zijn overal te zien in El Salvador, elke dag, en worden voor lief genomen als in een nachtmerrie, of een horrorfilm’, schrijft ze. Terreur en dood waren de enige tastbaarheden, de rest was retoriek, illusie.

‘In El Salvador, one learns that the vultures go first for the soft tissue, for the eyes, the exposed genitalia, the open mouth. One learns that an open mouth can be used to make a specific point, can be stuffed with something emblematic; stuffed, say, with a penis, or, if the point has to do with land title, stuffed with some of the dirt in question. One learns that hair deteriorates less rapidly than flesh, and that a skull surrounded by a perfect corona of hair is a not uncommon site in the body dumbs.’

Op hun eerste dag huren Didion en haar man een auto en rijden naar de body dump ten zuiden van de stad, Puerta del Diablo genoemd. Ze ziet bij de berg met lijken drie kleine kinderen spelen in het gras en een vrouw die rijles krijgt in een Toyota pick-up van haar man. Zwijgend rijden ze terug, tot ze weer in ‘het land van de voorlopig levenden’ zijn. Didion vraagt zich dan opeens af waarom dat echtpaar juist die plek had uitgekozen voor een rijles. ‘Ik begon het exacte mechanisme van terreur te begrijpen’, schrijft ze naar aanleiding daarvan, ‘op een manier die ik niet eerder begreep.’

‘Nothing fresh today, I hear’, vraagt een medewerker van de Amerikaanse ambassade haar in San Salvador. Waarmee hij bedoelde of ze nieuwe geëxecuteerden boven op de berg doden had zien liggen.

Joan Didion wilde net als veel andere Amerikaanse schrijvers, onder wie Susan Sontag en Mary McArthur, eigenlijk naar Vietnam, naar de ‘Heart of Darkness’. Maar haar toenmalige redacteur van Life Magazine weigerde haar uit te zenden. Uiteindelijk vindt Didion een paar jaar later haar duisternis in El Salvador – ook wel het ‘Vietnam van Ronald Reagan’ genoemd. Op een ochtend aan het ontbijt besluit ze er naartoe te gaan. Ze leest de krant en ‘it just didn’t made sense’, zei ze daar later over. De hoofdredacteur van de New York Review of Books, Robert Silvers, had al eerder bij haar aangedrongen om daarover te schrijven. Vooral, zo zegt hij later in de documentaire The Center Will Not Hold, omdat hij nieuwsgierig was hoe zij dat zou doen.

‘De dood en stukken van de dood zijn overal te zien in El Salvador, elke dag, en worden voor lief genomen als in een nachtmerrie’

In juni 1982 reist Joan Didion twee weken, samen met haar man John Gregory Dunne, naar El Salvador om drie reportages voor de New York Review of Books te schrijven, die ze later zal uitbreiden voor haar boek dat in 1983 uitkomt. ‘Wat doet zij hier?’ denkt een fotojournalist van United Press International als Didion met een grote donkere zonnebril op over de patio van het Sheraton Hotel in San Salvador loopt, zo schrijft Didions biograaf Tracy Daugherty in The Last Love Song. Ze wordt door de aanwezige, veelal doorgewinterde oorlogsjournalisten die samen bier drinkend bij het zwembad zitten met argwaan bekeken; ze zien haar als een gevierde romanschrijfster die met haar zonnehoed op een week of twee in El Salvador zal rondhangen, wat aantekeningen zal maken voor een boek en dan weer zal vertrekken. Wat ze ook ongeveer doet.

Didions neurotische en fragmentarische schrijfstijl sluit in Salvador prachtig aan bij haar onderwerp, bij de chaos, de constante angst, de terreur en het verdwijnen van duidelijkheid, van de ‘waarheid’. Joan Didion werd in de jaren zeventig van de vorige eeuw geschaard bij het New Journalism van Tom Wolfe dat toen net was opgekomen. Ook Didion wilde duidelijk maken dat zij het was die keek, die aantekeningen maakte, die schreef. Dat objectieve journalistiek niet bestond. En in El Salvador in 1982 zijn feiten – aantallen doden hangen af vanuit welk oogpunt ze worden gemeten, niets is duidelijk, niets heeft nog waarde – onmogelijk te vinden, er is overal chaos.

In een shopping mall in San Salvador besluit ze haar beproefde techniek om een journalistiek verhaal te illustreren met ironische details overboord te gooien. Ze maakt nog wel notities van de supermarkt, de muziek, de paté van foie gras, de handdoeken met plattegrond van Manhattan, de flessen Stolichnaya, om aan te geven: buiten is er burgeroorlog, binnen de ‘toekomst die El Salvador vermoedelijk werd bespaard’. Maar al terwijl ze het opschrijft beseft ze dat ze niet meer geïnteresseerd is in deze vorm van ironie, dat dit verhaal niet gekleurd moet worden door dit soort details. ‘Dat dit misschien wel minder een “verhaal” was, en meer een noche obscura.’

Didion richt zich in haar boek ook op de dubieuze rol van de Verenigde Staten die de junta-regering van El Salvador achter de schermen steunden met trainingen, geld en wapens. Alles om te voorkomen dat de communisten aan de macht kwamen. Massamoorden, verdwijningen en martelingen namen ze op de koop toe. ‘At a point between the salad en de profiteroles’, schrijft ze over haar etentje met de Amerikaanse ambassadeur in zijn residentie in San Salvador, ‘it occured to me that we were talking exclusively about the appearances of things, about how the situation might be made to look better, about trying to get the Salvadoran government to “appear” to do what the American government needed done in order to make it “appear” that American aid was justified.’

Een aantal recensenten bekritiseerde haar boek vanwege haar gebrek aan objectieve verslaggeving, aan historische en politieke kennis. Zo schrijft Paul Theroux, van wie net The Mosquito Coast was verschenen, in de Sunday Times dat Salvador een goed boek is over nerveus zijn, maar niet over El Salvador. Voor een deel is dat waar. Ze maakt geen politieke analyses, behandelt geen achtergronden, geen geschiedenis, geeft geen verklaringen, geen context, heeft het niet over geopolitieke krachten, met andere woorden: ze schetst niet de big picture.

Maar dat was een bewuste keuze, zoals Joan Didion ook benadrukte in Interview Magazine in juni 1983. De big picture hadden anderen al geschetst. Ze wilde dat haar indrukken voor zichzelf zouden spreken. En die alomvattende nervositeit was precies waar het in El Salvador om ging.

Haar reportages zijn intussen soms gedateerd, omdat het ook momentopnamen zijn, maar haar fenomenale stijl maakt dat het boek zijn tijd makkelijk overleeft. Ze spreekt geen slachtoffers, houdt het bij informele ontmoetingen, in restaurants en bij sociale gelegenheden, maar door haar haarscherpe observaties voel je hoe het is om met angst en terreur in El Salvador te leven.

Deze houding ten opzichte van de grenzen van de journalistieke waarheidsvinding maakt haar werk ook weer eigentijds. Didion geeft inzicht in haar beperkingen. Na een gevaarlijk uitstapje naar Gotera, waar een van de grootste massamoorden van de regering tegen burgers had plaatsgevonden, concludeert ze dat ‘niets uit deze dag kwam, behalve wat afgeluisterde geruchten, onduidelijke observaties, fragmenten van informatie die misschien of misschien niet in een patroon passen’.

In Salvador gaat het voortdurend over die kloof tussen schijn en werkelijkheid. Als ze de Boulevard de los Heros oversteekt naar hotel Camino Real ziet ze soldaten een jonge man in een busje duwen, hun geweren prikken in zijn rug, en ze loopt snel door, ‘not wanting to see anything at all’.