Wat een figuur!

Gerrit Paape was een ongelooflijke veelschrijver die in de Nederlandse literatuurgeschiedenis nooit de status kreeg van een grootheid. Ten onrechte. Maar dat gaat nu veranderen!

Op 18 augustus 1787 schrijft Gerrit Paape (1752-1803) aan het Delftse stadsbestuur een verontwaardigde ‘Declaratoir’ over het voornemen van een Oranjegezin­de Schutterssociëteit om een mars door Delft te houden. Paape is voorzitter van de Patriottische Schuttersclub en hij wijst erop dat die Oranjegezinden allerlei kwalijks van plan zijn en dat zijn eigen club daartegen gaat optreden. Hij waarschuwt tegen ‘het geschreeuw van Oranje boven, als wel bijzonder en daadelijk door het draagen van Oranje bloemen, Oranje kamisoolen (soort vest), handschoenen, rottingbandjes, en dergelijke oproerige verziersels meer’. Nederland is op dat moment in rep en roer, op 28 juni is de vrouw van stadhouder Willem V in Goejanverwellesluis aangehouden, de Patriotten (‘keezen’) voelen dat ze aan de winnende hand zijn, het Verstand zal eindelijk zegevieren, de stadhouder moet nu maar eens zijn biezen pakken. De Oranjeklanten hebben het zwaar te verduren, overal zijn de patriottische sociëteiten aan de winnende hand: revolutie in Nederland! Een paar maanden later trekt de hertog van Brunswijk met een groot leger het land binnen en maken de patriotten zich haastig uit de voeten. Paape belandt in Antwerpen en Duinkerken. Hij keert pas in 1794, in het kielzog van het Franse leger, naar Nederland terug.

Dat waren nog eens tijden! Peter Altena promoveerde op deze uitvoerige, gelukkig zeer gedetailleerde biografie over het leven van veelschrijver Gerrit Paape: satiricus, politicus, stokebrand en verlichtingsman pur sang. Hij geeft een uitvoerig verslag van Paape’s niet geringe bijdragen aan het onoverzichtelijke en lang niet altijd ongevaarlijke politieke gekrakeel van die tijd en dat maakt dit levensverhaal adembenemend boeiend, informatief en af en toe gewoonweg ontroerend. Wat een figuur, die Paape! En wat een geschiedenissen dist Altena op. Ik weet nu hoe het precies met de verschillende elkaar bestrijdende fracties in 1787 in Delft zat, hun eigenaardigheden, hun verschillen en hun pogingen op alle fronten gelijk te krijgen. Compromissen sluiten, dat hoorde destijds in Nederland niet tot de mogelijkheden, je was patriot of Oranjeklant, van een poldermodel was geen sprake. Altena laat af en toe zijn verbazing doorschemeren over de ongehoorde felheid waarmee men elkaar bestreed, het had wel wat minder gekund, maar zo ging het dus en voor subtiliteiten was geen ruimte. En gelukkig weet hij het achteraf niet beter dan de figuren die hij beschrijft. De tijden waren bijzonder onzeker: men wist vaak niet of nauwelijks hoe de hazen in die tijd liepen en welke kleuren ze droegen. Geen internet, geen Twitter. Er was natuurlijk een uitgebreid geruchtencircuit dat opgestookt werd door de vele kranten en krantjes die overal in Nederland verschenen, maar vaak genoeg moest je er maar een beetje naar raden wat er precies aan de hand was. In 1798 bijvoorbeeld vonden in Nederland kort na elkaar vier staatsgrepen plaats. Wie precies de macht had, bleef soms lang onduidelijk. Wie niet voor ons is, is tegen ons, dit soort opgewonden geroep was aan de orde van de dag.

Ook Paape wist soms niet wie er aan de touwtjes trok. Op de achtergrond loerde een terechte vrees voor een schrikbewind, als dat van Robespierre rond 1793 in Frankrijk. De vraag of je voor of tegen de onthoofding van Lodewijk XVI was kon ook in de Nederlandse koffiehuizen aanleiding zijn voor de verschrikkelijkste ruzies en vechtpartijen. En de vijand loerde wel degelijk, dat er in Nederland niet veel meer doden gevallen zijn in de periode tussen 1785 en 1798 mag een wonder heten. Altena geeft een voortreffelijk beeld van de onzekerheden van die tijd en van de pogingen van Paape daar tussendoor te manoeuvreren zonder zijn opvattingen te verloochenen. Hij laat ook zien dat Paape niet vies was van opportunisme, hij was een populist pur sang en liet zijn rancune en radicalisme vaak de vrije teugel. Zijn gezeur om een baantje bij patriot­tische machthebbers is af en toe pijnlijk, maar ook begrijpelijk: van de pen kon hij niet leven. Paape was een belangrijk politicus die tegelijkertijd ook op literair gebied een flink partijtje meeblies; als je het over ‘geëngageerde literatuur’ wilt hebben ben je bij hem aan het goede adres. Hij spaarde zijn medebroeders niet, al laat Altena in gedetailleerde interpretaties van Paape’s werken haarfijn zien dat zijn politieke vrienden er toch altijd net even beter van afkwamen.

Paape hoorde duidelijk tot de radicale vleugel van de revolutionairen. Toen zij in 1795 aan de macht kwamen was Paape voorzitter van een landelijke commissie die moest uitzoeken welke voormalige bestuurders gestraft moesten worden. Hij bleef zich daar jarenlang voor uitsloven, overigens tevergeefs want de Franse machthebbers voelden niet veel voor dergelijke strafmaatregelen, ze hadden in dit soort gekrakeel geen zin. In 1797 kreeg Paape in Leeuwarden eindelijk een baan, hij werd tot rechter benoemd. De republikeinse machthebbers wantrouwden beroepsjuristen en benoemden liever betrouwbare revolutionairen als Paape. Hij belandde in Leeuwarden in een nauwelijks ontwarbaar wespennest, waar hij geen vat op kreeg. Hij keurde de executie goed van een van de leiders van het antirevolutionaire oproer bij Kollum, waarbij een aantal doden viel. Dit werd hem nog jaren nagedragen, vooral toen de macht weer bij de Oranjegezinden terechtkwam. Uiteindelijk kreeg hij bij het ministerie van Onderwijs een rustige baan, de laatste jaren van zijn leven schreef hij geen opruiende geschriften meer, de revolutie in Nederland was voorgoed vastgelopen.

Tijdens lezing van deze overtuigend gedocumenteerde biografie wilde ik steeds meer over Paape weten. Dat krijg je ervan als je zo veel krijgt voorgeschoteld. Wie was deze man? Er zijn helaas maar een paar afbeeldingen van hem overgeleverd. Hoe klonk zijn stem? Onbekend. Kon je met hem lachen in het café? Waarschijnlijk heel hard. Altena laat zich terecht niet gaan in allerlei psychologische beschouwingen over dit leven, maar ik zat er wel naar te verlangen. Ik ben in Delft al langs zijn geboortehuis gelopen (vlak bij waar mijn ouders woonden) en heb zijn woonhuis aan de Boekhorststraat (het is er nog!) in Den Haag uitvoerig bekeken. Ik was hem al tegengekomen toen ik in 2004 mijn roman Ter navolging schreef, maar als ik destijds geweten had wat ik nu weet, had ik waarschijnlijk een andere roman geschreven. Eentje over deze prachtige figuur.

Altena geeft kortom een overtuigend beeld van deze ongelooflijke veelschrijver die in de Nederlandse literatuurgeschiedenis nooit de status kreeg van een grootheid, ondanks eerdere pogingen van hoogleraar Piet Buijnsters om dat te veranderen. Hij is hoogstens bekend van enige satirische werken. Altena’s boek geeft ruime argumenten om het beeld van Paape in de literaire geschiedschrijving grondig te herzien. Hij geeft achter in zijn boek een uitputtend overzicht van Paape’s werk. Hij publiceerde ruim vierhonderd geschriften, hij beoefende zo ongeveer alle genres uit zijn tijd: gedichten, pamfletten, satirische beschouwingen, vertalingen, bijbelse epen, kluchten, tragedies, reisboeken, een autobiografie en documentaires en dan vergeet ik ongetwijfeld nog een paar genres. Hoeveel pagina’s hij bij elkaar schreef is niet goed te schatten, maar het moeten er toch minstens dertig- à veertigduizend geweest zijn, ik weet zeker dat ik niet overdrijf.

Erg veel over zijn huiselijke omstandigheden is niet bekend, hij was getrouwd en had een zoon, maar af en toe kun je uit zijn geschriften wel opmaken hoe hij dit gigantische oeuvre bij elkaar schreef. ’s Ochtends was er vaak tijd en soms moest hij zich, wegens allerlei kwesties waarbij hij zich weer eens in de nesten had gewerkt, een tijdje op politiek gebied koest houden en dan was er dus tijd om als een bezetene te schrijven. En schrijven kon hij als de beste, dat is wel duidelijk, en het moet hem makkelijk afgegaan zijn, anders krijg je niet zo’n oeuvre bij elkaar. Er zit iets multatuliaans in zijn schrijfwijze en mentaliteit (Multatuli noemt hem ergens met veel waardering!). Paape formuleert in zijn satirische en politiek-journalistiek werk uitermate precies en doeltreffend, zijn Nederlands is glashelder, je kunt hem ook nu nog steeds gemakkelijk volgen. Hij schreef alles wat los en vast zat, de diversiteit van zijn oeuvre is ongehoord. Misschien dat dit juist een argument was voor latere geschiedschrijvers om zijn werk laag te waarderen. Hij schreef bijvoorbeeld een geschiedenis van de patriottische beweging, een geschiedenis van de revolutie in Frankrijk, een treurspel over de bijbelse held Simson, zes boeken over de geschiedenis van Jacob, een boek over de kunst van het silhouetten schilderen, een zesdelige verhandeling over het proces rond Lodewijk XVI. Alle actuele onderwerpen van die tijd pakte hij aan. Soms onder een schuilnaam, vooral die van J.A. Schasz, voormalig arts, was succesvol. Onder die naam schreef hij vermakelijke satirische werken, bijvoorbeeld Reize door het Aapenland, dat destijds maar door weinigen gelezen werd maar nu nog steeds uitermate geestig is. Af en toe nam hij voor die tijd geweldig dwarse standpunten in. Toen men bij een patriottisch comité bijvoorbeeld joden van lidmaatschap wilde uitsluiten, was hij daar een fervent tegenstander van, al moest hij uiteindelijk bakzeil halen.

Altena vraagt zich af of Paape bijgeschreven zou moeten worden in het panthéon van de Nederlandse Letteren. Is hij terecht of onterecht vergeten? Waarom bleven Betje Wolff en Aagje Deken wél min of meer aanwezig in het collectieve geheugen? Was hun werk kwalitatief beter? Het ligt er natuurlijk aan welke kwaliteits­normen je aanlegt, stelt hij: die van het heden of die van het verleden. Kijk je naar het verleden, dan kun je stellen dat Paape’s werk in de literaire kritiek van die tijd (ja, die was er ook) niet onderdeed voor het werk van Wolff en Deken. Zijn werk werd af en toe beslist geprezen, zijn biografie en zijn bijbelse epen kregen een gunstig onthaal, maar zijn sterk politiek gekleurde werken werden afgekraakt.

Volgens Altena speelt bij de latere waardering een grote rol dat men langzamerhand genoeg kreeg van de politieke en satirische stemmingmakerij. Ook Paape zag de veranderende smaak. ‘Zullen, over weinige jaaren, onze Kinderen niet vraagen: wat was dat toch voor een raazende koorts, die onze Vaderen gehad hebben?’ Men wilde vergeten wat er tussen 1780 en 1798 gebeurd was. Die tendens zette zich helemaal voort toen in 1815 de Oranjes hier opnieuw werden geïnstalleerd. Laten we er nu maar over ophouden. Paape’s werk verdween uit de aandacht. Pas de laatste twintig à dertig jaar is er onder geschiedschrijvers en literatuur­vorsers hernieuwde belangstelling voor de gebeurtenissen uit deze periode. Altena’s boek is er een briljant voorbeeld van.

Kun je Paape’s werk nu nog zonder al te veel toelichtingen lezen? Verschillende werken zijn nog gewoon verkrijgbaar (onder meer het Aapenboek). Altena scheidt in dit boek het kaf van het koren, veel was te slecht (hij schreef bijvoorbeeld uiterst banale kluchten), veel ook razendsnel en dus kritiekloos in elkaar geflanst, zijn werk is soms moeizaam te volgen omdat we de vele grappen over allerlei figuren niet meer goed kunnen snappen. Maar veel is nog steeds buitengewoon goed, Altena laat daar geen twijfel over bestaan. Het is duidelijk dat wat hem betreft Paape wordt gerehabiliteerd en ik sluit me daarbij aan. Voor deze gelegenheid heb ik bijvoorbeeld (via www.earlydutchbooksonline.nl) de volledige gefotokopieerde tekst gelezen van zijn buitengewoon geestige Vrolijke reis van een Engelschman, door Holland. In het begin vraagt een ‘Fransch meisje’ of zij met de ­Engelsman mee mag rijden naar een exercitieveld, omdat zij zo graag naar een Hollandse exercitie wil kijken. De dubbelzinnigheid druipt er al af, maar Paape maakt het nog mooier. Ze vertrekken in de koets, waar het meisje, ‘meer dan half op mijn schoot’ zat. En dan volgt een klassieke koetsscène, Flaubert deed het later in Madame Bovary nog eens over. ‘De zon schijnt zo sterk, zei ze, gij moest de gordijntjes voor de glaazen [ruiten] laaten vallen. Er scheen geen zon, – en echter schoof ik de gordijntjes voor de koetsglaazen: en en hier, – O menschlijke zwakheid! – De exercitie behaagde mij volkomen, wij reeden tegen den avond langzaam weer naar huis.’


Peter Altena, Gerrit Paape (1752-1803): Levens en werken. Vantilt, 837 blz., € 39,95