Wat een klotewijf!

Wij wisten natuurlijk dat het zaakje stonk. In 1938 het debuut aan de staatsopera van Berlijn. In 1943 getransfereerd naar de staatsopera van Wenen. Dan ben je tenminste een meeloper/ster geweest.

Nu is het beeld nader ingevuld. Zij was in 1935 de leidster van een nationaal-socialistische studentenvereniging en sloot zich in 1940, onder het nummer 7548960, aan bij de NSDAP.
Wij konden het weten, desnoods op irrationele gronden. Een paar jaar geleden leidde Elisabeth Schwarzkopf een masterclass in de Koepelkerk te Amsterdam. Ik heb daar een dagdeel van bijgewoond. Zij bekte een kandidate zo genadeloos af, dat ik werkelijk dacht: ‘Klotewijf, heb je dat misschien van Josef Goebbels geleerd?’ Even later zong zij, met de restanten van haar stem, een tweede kandidate een frase voor. Het was ten diepste emotionerend - ik besefte andermaal hoeveel de wereld aan Elisabeth Schwarzkopf te danken heeft.
Het probleem is dat zij, dat gehoereer met de nazi’s ten spijt, een grote kunstenaresse was. Nooit is mooier Hugo Wolf gezongen dan op 18 augustus 1953, 'registrazione dal vivo al Mozarteum di Salisburgo’. Wilhelm Furtwangler, net gedenazificeerd, zat achter de piano. In 1959 zong zij een hartverscheurende Marschallin in Richard Strauss’ Rosenkavalier. Herbert von Karajan dirigeerde, de man die voor alle zekerheid niet een, maar twee keer lid van de NSDAP is geworden. Terwijl ik, vervuld van chagrijn, dit stukje schrijf, draai ik een herontdekte opname uit 1962 van Mozarts Cosi fan tutte. Ja, zo deden zij het allen, Schwarzkopf die de rol van Fiordiligi zong, en Karl Bohm die de Wiener Philharmoniker dirigeerde, dezelfde Bohm die in 1938 bij diezelfde Wiener Philharmoniker de Hitler- groet introduceerde.
Wat moet je met al die ellendelingen? Je kunt toch moeilijk driekwart van je discotheek bij het grof vuil zetten. Dus besloot ik tot een particuliere kabouterwraak. Ik kocht een paar dagen geleden een cadeautje voor mijn collega T. te U. Aarzelend tussen Strauss-liederen, gezongen door Schwarzkopf en Schumann-liederen, gezongen door Dietrich Fischer- Dieskau, koos ik na ampele overweging voor de laatste, die tenslotte slechts onderdeel van de Wehrmacht is geweest, iets wat ons allemaal had kunnen overkomen.
Hield ik maar van pop, van Queen of van Pink Floyd. Aardige jongens, ver na de oorlog geboren, ideologisch ongetwijfeld brandschoon. Het enige probleem is de pokkemuziek die zij ten gehore brengen. Anders dan Elisabeth Schwarzkopf die ons aller leven heeft verrijkt, zowel het mijne als dat van Baldur von Schirach. Ja, je moet kunst en politiek proberen te scheiden, plegen de goedpraters te zeggen. Maar het lidmaatschap van de NSDAP anno 1940, na de boekverbranding en de Kristallnacht, heeft niets met politiek te maken, het is een beginselverklaring ten faveure van het antisemitisme en de totalitaire staat. Het is allemaal hoogst deprimerend, zo deprimerend dat ik een ogenblik heb overwogen de kunst en cultuur, de enige troost in een onleefbare samenleving, definitief af te schaffen.