Wat een ongelooflijke wereld, die van ons

De afgelopen decennia zijn we rijker geworden, vrijer, het leven werd comfortabeler, de horizon ruimer. Maar zijn we er beter op geworden, gelukkiger?

Medium gouden

In mijn omgeving leeft sinds enige tijd de vaste overtuiging dat het nooit meer wordt zoals het was. Wij, geboren tussen 1945 en 1975, hebben niets anders dan groei meegemaakt. Oorlog hebben we slechts gekend van horen zeggen. We zijn rijker en rijker geworden. De wereld is voor onze ogen verschrompeld. Technologische verbeteringen volgden elkaar in steeds sneller tempo op. Gezondheidszorg maakte ons ouder en fitter. We kregen meer en meer vrije tijd, plus de mogelijkheden om daarvan gebruik te maken.

Natuurlijk, niet alles was verbetering. Er kwamen ernstige ziektes zoals aids. Er waren economische crises waaronder die van de jaren tachtig. Er was protest, integratieproblematiek, een afkalvende verzorgingsstaat en nog veel meer. Niettemin kan het ‘totale plaatje’ niet anders dan positief genoemd worden. Om het in langetermijntermen te zeggen: sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog zijn alle westerlingen ‘van adel’ geworden; zij behoren tot de één à twee procent van de historische wereldbevolking die het zonder meer goed heeft gehad.

Niettemin is in de uitverkoren positie van de gemiddelde westerling in de afgelopen jaren ernstig de klad gekomen – of juister wellicht: diepe twijfel geslopen. De eerste economische crisis van de 21ste eeuw lijkt een andere dan voorgaande crises: structureler, dieper, definitiever. Oorlog is opnieuw een dagelijkse realiteit, verontrustender dan voorheen omdat hij in tegenstelling tot de uit de boekjes bekende oorlogen niet gevoerd wordt van staat tegen staat maar van een willekeurige gek tegen iedereen. Welvaart, gezondheidszorg, organisatie, technologie en al die andere zaken waarop we tot voor kort zo trots waren, tonen in toenemende mate hun grenzen. Hoe ver kunnen en willen we gaan? Je tot je 130ste voortslepen met een platina hart en op kunstbenen? Twintig miljard zombies op een door kunstmatige intelligentie bestuurde aarde? En dan zijn er nog het milieu, de volgens sommigen almaar brutere moraal, de veronderstelde verdomming en de schijnbare vereenzaming in een wereld van permanente communicatie. Om maar wat somberheden te noemen.

Dit alles maakt terugkijken tot een geliefde bezigheid, niet alleen op feesten en partijen maar ook in de media en in boekpublicaties. Zo hadden we vorig jaar Het land van Beatrix van Hans Wansink en De mooiste jaren van Nederland van Han van der Horst. Nu liggen er minstens drie nieuwe, vergelijkbare boeken op tafel.

Een daarvan is van de hand van econoom en journalist Annegreet van Bergen en beschrijft aan de hand van thema’s als communicatie, eerste levensbehoeften, gezondheid en vrije tijd in korte hoofdstukken tientallen zaken die in de afgelopen zeventig jaar ingrijpend zijn veranderd. Op mijn exemplaar van het boek zit een groen plakkertje met de tekst: ‘In 1965 moesten we naar de buren om te bellen.’ Op het omslag staan twee braaf geklede meisjes die met twee rietjes uit één flesje (ranja?) drinken. In het openingshoofdstuk vertelt Van Bergen dat ze het boek schreef met haar in 1959 overleden grootmoeder in het achterhoofd. Wat zou de vrouw gedacht hebben als ze een kijkje kon nemen in de leefomgeving van haar kleindochter?

Deze details zetten de toon van Gouden jaren: een boek vol nieuwsgierigheid, verbazing en één dominante overtuiging, namelijk dat onze generatie ‘iets’ heeft meegemaakt dat nooit eerder is voorgevallen. Als econoom associeert Van Bergen dat ‘iets’ in eerste instantie met welvaart. Dat is deels terecht, maar uit de uitvoerige aandacht in het boek voor het vele wat door de welvaart mogelijk wordt gemaakt, blijkt dat het net zo goed om welzijn gaat.

Hoewel landschapsarchitect Han Lörzing met eenzelfde insteek dezelfde periode beschrijft, is zijn methode impressionistischer en daardoor ook aanvechtbaarder. Uit de bijna zeventig jaren tussen 1945 en 2014 koos hij er 36 en uit elk van die jaren nam hij één thema dat hij vervolgens uitvoerig beschrijft. Zo gaat 1951, het jaar van de eerste televisieavond, over de tv in de naoorlogse samenleving en 1987, het jaar waarin de eerste McDrive van Nederland werd geopend, over onze gewoonte om buiten de deur te eten. Onze ouders en grootouders deden dat bijna nooit. ‘Wie de laatste dertig jaar de opkomst van nieuwe restaurants heeft gevolgd’, schrijft Lörzing, ‘moet gemerkt hebben dat er inmiddels een keuze mogelijk is die voor de Nederlander uit de jaren vijftig volkomen ondenkbaar zou zijn geweest.’ Een dergelijke zin staat bij wijze van spreken 36 keer in het boek, bij elk thema of elk jaar, over verkeersveiligheid, populaire muziek, post telefonie, voetbal, spoorwegen en ga zo maar door. De rode draad door het geheel is dezelfde als die in Gouden jaren. Ter illustratie daarvan gebruikt Lörzing een uitspraak die David Lowenthal in 1985 als titel gebruikte voor zijn belangrijke boek over historisch besef: ‘The past is a foreign country’, oftewel de wereld van onze ouders en voorouders was echt heel, heel anders dan de onze; hij is als een verre reis.

Het derde recent verschenen boek over het Nederland van nu is Na de val van Duitsland-deskundige en medewerker van het Amsterdamse Duitsland Instituut Hanco Jürgens. Het gaat over een veel kortere periode, de jaren sinds 1989, en berust op een these, namelijk dat de grootste veranderingen in Nederland van buitenaf kwamen. Nederland, zo stelt Jürgens mede op basis van de door de logistieke dienstverlener dhl opgestelde Global Connectedness Index, is op dit moment het meest vernetzte land ter wereld, dat wil zeggen: er is geen ander land ter wereld waarvan de economie aan zoveel internationale touwtjes hangt.

Daarom is het vreemd dat debatten over maatschappelijke veranderingen zo vaak naar interne verhoudingen verwijzen – de kloof tussen burger en politiek bijvoorbeeld of de vrijblijvende tolerantiecultuur. Als internationale verhoudingen met betrekking tot Nederland ter sprake komen, aldus Jürgens, dan gaat het bijna altijd over 9/11, de Europese Unie of globalisering. Maar zelden wordt opgemerkt dat juist het einde van het communisme nieuwe verhoudingen met zich meebracht en dat het deze verhoudingen zijn geweest die voor ‘een geheel nieuwe maatschappelijke dynamiek’ zorgden.

Zo kwam er na 1989 in plaats van de klassieke tweespalt tussen links en rechts een tweedeling tussen een welvarende, internationaal georiënteerde en van progressieve waarden doordrongen middenklasse en de velen die in achterstandswijken of op het platteland wonen. Laatstgenoemden laten zich mede dankzij de democratisering niet langer de wet voorschrijven en maken gebruik van moderne middelen om hun onvrede te etaleren. Een volstrekt ander politiek- en mediaklimaat is het gevolg.

Gouden jaren en Jaren van verandering beschrijven vooral praktische zaken, ‘dingen’ die veranderd zijn, uiterlijkheden. We naaien nauwelijks nog kleren en stoppen zeker geen sokken meer. Luiers worden niet langer uitgekookt, we werpen ze weg. We reizen even eenvoudig naar Londen als men voorheen naar het buurdorp fietste. Vakantie is gewoner dan thuisblijven. ‘Iedereen’ studeert. Het zijn inderdaad te veel veranderingen om op te noemen, volledigheid (die Van Bergen tot op zekere hoogte beoogt) is onmogelijk.

Een van mijn studenten vroeg me wat het woord ‘schaarste’ betekent. Ik vroeg haar of ze op school economie had gehad

Hiermee komt als vanzelf de vraag op wat er nu eigenlijk niet veranderd is. Die vraag wordt door de auteurs nauwelijks gesteld. Lörzing gaat er kort op in en noemt een paar voorbeelden: de terugkeer van de Volkswagen Kever (nu Beetle geheten) en de Fiat 500, zo ook het feit dat onze huizen nog altijd gebouwd worden zoals in de jaren dertig. Maar hier blijft het bij. Ook niet gesteld wordt de hamvraag: wat al die veranderingen voor ons betekenen of betekend hebben. Rijker zijn we. Vrijer ook. Het leven is comfortabeler. De horizon ruimer. Maar zijn we er beter op geworden, gelukkiger? Ik denk niet dat er nog iemand te vinden is die serieus veronderstelt dat geluk ‘toen’ heel gewoon was. Lörzing zegt het aan het eind van zijn boek in de duidelijke taal van een bouwvakker. ‘Die goeie ouwe tijd, meneer. Dat-ie maar nooit mag terugkeren.’ Hij voegt eraan toe: ‘De man had gewoon gelijk.’ Maar is er iemand te vinden die beweert dat geluk ‘nu’ gewoon is? De vraag naar de betekenis van alle verandering is simpelweg te complex voor een antwoord. Hij wordt voortdurend gesteld, door het scp, het cbs, individuele onderzoekers, zij het bijna uitsluitend naar deelgebieden, maar behalve in abstracte, veelal nietszeggende cijfers zelden of nooit beantwoord. Geen verstandig mens wil terug naar het verleden, maar lang niet allen zijn gerust op het heden.

Er is nog iets wat je in algemene zin over alle veranderingen van de afgelopen decennia kunt zeggen: dat de memorie uiterst kort is dan wel dat gewenning razend snel gaat. Onlangs vroeg een van mijn studenten me wat het woord ‘schaarste’ betekent. Ik vroeg haar of ze op school economie had gehad. Ze antwoordde bevestigend. Daarop vroeg ik de andere studenten of ze het woord kenden. Minstens de helft had het nooit gehoord. Het is tekenend. Terwijl de gemiddelde student sappelt en strest om studie, werk, geld- en tijdgebrek te combineren, stamt zijn mentaliteit nog uit het tijdperk van de overvloed.

Deze spagaat wringt des te meer omdat hij niet gezien, laat staan erkend wordt. Ook Van Bergen doet dat in haar aantrekkelijke boek niet. Economie, haar vak, heet traditioneel de wetenschap die zich bezighoudt met productie, consumptie en schaarse goederen en diensten. Dat lijkt op basis van Gouden jaren een achterhaalde definitie.

Niet schaarste maar overvloed is ons ‘probleem’. Van Bergen beschrijft enkele zaken die dit illustreren: obesitas, onderwijsmassaliteit, onophoudelijke levensrekking, overstelpende drukte. Een verband legt ze niet. Ze beschrijft van geval tot geval hoe wij aan de schaarste ontsnapten, maar vertelt niet hoe wij ons in de overvloed staande houden. Dat was ook niet haar doel, maar toch: de vraag raakt vermoedelijk wel de kern van onze of eigenlijk haar gouden jaren. Wat mij persoonlijk betreft duikt die vraag het vaakst op bij het thema dat Van Bergen in het derde van de zeven hoofdstukken van haar boek beschrijft, communicatie en informatie. Vooral de laatste kwart eeuw hebben we daarin een onbeschrijflijke revolutie meegemaakt. Welke infofreak (zoals ik) is daarmee niet gelukkig? Maar wie kan voorkomen dat hij niet af en toe, of regelmatig, overvallen wordt door een gevoel van te veel?

In Na de val contrasteert Jürgens de jaren zestig met de jaren negentig en stelt hij dat de jaren negentig vooral zo belangrijk zijn omdat daarin afscheid werd genomen van het beeld van Nederland als progressief land. Ter illustratie wordt kunstcriticus Huub Mous geciteerd: ‘De realiteit overtreft zelfs de meest extreme verbeelding. Sterker nog, de realiteit wordt verbeelding.’

Misschien zou je kunnen zeggen dat dit zowel in positieve als in negatieve zin de uitkomst is van alle veranderingen van de afgelopen decennia. Een uiting in negatieve zin is de nihilistische, hedonistische en decadente (excusez zoveel opgeblazen woorden) sfeer van het Amsterdamse uitgaansleven in de jaren negentig, zoals onder meer beschreven in Joost Zwagermans Gimmick! en sinds lang dagelijks waarneembaar op tv. Onlangs toonde Spuiten en slikken iemand die zich aan vleeshaken omhoog liet tillen omdat dit eenzelfde thrill bezorgt als drugs.

Hier staat tegenover dat iedereen met ook maar een beetje historisch besef en oog voor alle veranderingen van de afgelopen decennia door een ander soort thrill bevangen kan worden: wat een ongelooflijke wereld, de onze. Twee generaties geleden zou hij volstrekt onvoorstelbaar zijn geweest. De boeken van Van Bergen, Lörzing en Jürgens helpen begrijpen waarom.


Medium bkhanco

Hanco Jürgens: Na de val: Nederland na 1989_. Vantilt, 207 blz., € 18,95_


Han Lörzing: Jaren van verandering: Nederland tussen 1945 en 2014_. Athenaeum-Polak Van Gennep, 543 blz., € 19,99_


Medium bkgouden

Annegreet van Bergen: Gouden jaren: Hoe ons dagelijks leven in een halve eeuw onvoorstelbaar is veranderd_. Atlas Contact, 350 blz., € 19,99_


Beeld: Reclame uit 1968 – een gelukkig gezin voor de televisie (Maria Austria Instituut / HH).