STEPHEN FRY, THE FRY CHRONICLES: AN AUTOBIOGRAPHY

Wat een oplichter

De meeste komieken zijn saai; wie ooit een interview met André van Duin heeft gezien zal dat beamen, inclusief Van Duin zelf. Komedie is een moeilijk vak, maar de beoefenaren ervan zijn niet per se intellectuelen. Goede autobiografieën van komieken zijn zeldzaam.

Medium 9780141039800

Het tweede deel van de memoires van Stephen Fry beschrijft zijn leven tussen zijn achttiende en dertigste verjaardag. Wij zien de wording van de komiek, de acteur, de schrijver en televisiemaker, oftewel de ontplooiing van een duizelingwekkend multitalent dat inmiddels is uitgegroeid tot cuddly publiekslieveling en ‘Living National Treasure’. In het eerste deel, Moab is my Washpot, vertelde Fry over zijn moeilijke tienerjaren, waarin dat nog onbenutte talent vooral destructieve uitwerkingen had. Hij werd van school gestuurd, maakte zich bij vrienden en familie onmogelijk, stal een creditcard en belandde een maand in de gevangenis. In The Fry Chronicles richt de jonge Fry zich op. Hij wordt junior leraar aan een jongensschool in de provincie, waar hij Latijn en Grieks geeft, scheidsrechtert bij het cricket en neemt de verschijning aan van een pijprokende jonge intellectueel in tweed. Hij ziet voor het eerst dat zo'n bestaan hem zo niet gelukkig, dan toch tevreden zou kunnen maken. Vervolgens wordt hij aangenomen in Cambridge.
De jaren daar lezen als een stage in bedwelmend geluk. Fry is lang en stuntelig, onhandig, verlegen (zo'n strafblad, twee jaar voorwaardelijk, dat wil wat) en ook nog homo, natuurlijk, maar in zijn studentenjaren smelten oude remmingen weg. Zijn coming out verloopt rimpelloos, zijn eerste vriendje is beeldschoon en rijk, binnen de kortste keren is hij lid of voorzitter van een half dozijn verenigingen en staat hij in vier, vijf toneelstukken tegelijk. Daar bloeit hij in de warmte van een stoet van hyper-getalenteerde vrienden. Hyper is niet te veel gezegd: neem Hugh Laurie, die niet alleen een formidabele komische acteur is én een briljante muzikant, maar ook voor Cambridge de Boat Race roeit (en verliest) en en passant afstudeert als antropoloog en archeoloog. De formele kant van het studeren is overigens nauwelijks belangrijk. Fry memoreert af en toe 'dat hij kennelijk een examen moet hebben gehaald’, waar hij zich niets meer van herinnert. Grote namen van later passeren, van Emma Thompson en Rowan Atkinson tot Alistair Cooke en General Sir Anthony Cecil Hogmanay Melchett. Op den duur, als Fry Cambridge verlaat en in London aan een toneel- en televisiecarrière begint, wordt de lijst met namen langer en langer, en saai; dan is iedereen even verrukkelijk en geniaal en charmant.
De materie van die jaren is stof voor een heerlijke autobiografie, en dat is dit boek ook, en tegelijkertijd is het een raadselachtig verhaal, een oefening in zelfvernedering. Fry voelt zich veilig op het toneel, waar hij succes heeft, en waar zijn medespelers hem blindelings vertrouwen, maar hij bagatelliseert die prestaties op een bijna gênante manier. Op elke pagina, bij elke glanzende triomf, bij alles waar u, lezer, zich over verheugt meldt Fry dat hij in diepste wezen ongelukkig is. Dat hij zich ervoor schaamt de lezer te vergasten op zoete anekdotes, omdat het allemaal weerzinwekkend is, een roze schaamlap over zijn rottende zelfhaat.
Is dat het oude sjabloon van de briljante komiek die inwendig de slaaf is van sombere obsessies? Ja, zegt Fry. Hij komt over als de quintessential Englishman, maar hij denkt zelf: 'Wat een oplichter. Een half-joodse nicht die eigenlijk niet weet wat hij doet, en die eigenlijk nog steeds dezelfde achterbakse, steelse, snoepvretende tiener is die hij altijd al was en die nergens bij hoort. Kapot gemaakt door liefde, niet in staat bemind te worden, niet waard dat iemand van hem houdt.’ Wat er ook gebeurt, hoe luid ook het applaus: hij zal er nooit echt bij horen.
Dat sombere deel van Fry’s leven is al eens verfilmd, in de curieuze film Peter’s Friends, uit 1991. Een mooie Engelse komedie, op het eerste gezicht: zeven vrienden, gespeeld door precies die mensen met wie Fry in Cambridge op de planken stond, komen tien jaar na hun afstuderen bijeen op een landgoed en maken met veel drank en tranen de balans op. Peter (Fry), de gastheer, is de melancholieke buitenstaander. De anderen zijn aan spectaculaire carrières in Hollywood begonnen, aan kinderen, dan wel aan sexy vriendinnen, hij niet. Hij doet niet eens aan seks: 'I believe I am what is commonly termed bisexual, which is by the by because actually I no longer sleep with men or women.’ Aan het eind openbaart hij dat hij hiv-positief is. Weg sfeer.
Bij Fry is er voor die neiging tot zelf-ontkenning een medische oorzaak. Hij is manisch-depressief. Die diagnose kwam laat; in 2006 maakte hij er een aangrijpende documentaire over. Daarin ontmoet hij de half krankzinnige, alleen door medicijnen coherent gehouden actrice Carrie Fisher (Princess Leia). Hij vraagt haar of ze, alles afwegend, liever zonder die ziekte had geleefd. Het antwoord is nee, en dat is ook Fry’s antwoord: de 'lows’ van de depressie zijn gruwelijk, maar hij had de 'highs’ van de manie niet willen missen. Het is een ontroerend moment, omdat hij daar inziet dat zijn geluk onlosmakelijk verbonden is met zijn ongeluk.
In de geschreven mémoires is dat inzicht minder sterk. Hier spreekt vooral de jonge komiek, die zelf niet weet wat hij doet, of hoe zijn succes te verklaren is. De consequente ontluistering van alles wat u en ik zullen zien als een gouden leven en van alles wat zijn vrienden en zijn publiek zien als briljant, werkt als een dreunende bastoon, die eerst klinkt als typisch Britse bescheidenheid, dan als valse bescheidenheid, dan als zelfbeklag, dan als een irritante jeremiade, en ten slotte als dat wat het waarschijnlijk werkelijk is: de doffe dreun van de ellendige toestand die depressiviteit is.

Stephen Fry staat op 29 juni op Border Kitchen (uitverkocht). Op 30 juni geeft hij een lezing in de Singelkerk te Amsterdam. Kaarten via The American Book Centre, Amsterdam. Eind juni verschijnt de Nederlandse vertaling, De Fry Kronieken, met een voorwoord van Marcel Möring, bij Thomas Rap (448 blz., € 24,90)

STEPHEN FRY
THE FRY CHRONICLES: AN AUTOBIOGRAPHY
Michael Joseph/Penguin, 438 blz., € 20,99