Polen zijn de snelst groeiende migrantengroep

‘Wat een raar volk, die Nederlanders’

Iedere dag registreren zo'n zeventig Polen zich in Nederland. Sommigen blijven hooguit een paar jaar, anderen doen hun uiterste best te integreren. ‘De basis van alles is: de taal leren en hard werken.’

Medium nicole 20segers wat 20een 20raar 20volk 2023112011 web

MARIUSZ RENT achter zijn kinderen aan de school in. De laatste auto’s met Nederlandse en Poolse nummerborden rijden zoekend naar een parkeerplek rond. ‘Dzie? dobry’, roept Mariusz zwaaiend als hij langs de ouders op het hoge bordes van de school in de Piet Mondriaanstraat in Slotervaart snelt. Dan staat hij hijgend binnen, hoge kinderstemmen schallen door de hal. Mariusz kijkt om zich heen, hij zoekt zijn vijfjarige tweeling. Robin en Nicole zitten onder de tafel in hun klas, ze hebben beide een rood T-shirt aan, erop in witte letters Polska. Ze giechelen. Dan gaat de deur dicht. Zijn negen jaar oude dochter Martyna zit al in de klas aan een tafel, serieus kijkt ze in haar schrift, twee lange vlechten vallen langs haar schouders. Ze beginnen met catechisatie. 'Lees voor’, roept de juf tegen een meisje. 'Dobrze. De volgende.’
Het is zaterdagmiddag drie uur. Het is altijd haasten om ze alledrie op tijd op de Poolse school te krijgen. Terwijl de kinderen in de klas zitten, maakt Mariusz Terebieniec (41) nog een praatje met de andere Poolse ouders. Sommigen komen helemaal vanuit Noordwijkerhout of Den Helder naar Amsterdam. Het is belangrijk dat hun kinderen iets leren van de Poolse taal en cultuur, vinden ze. Dat is hun achtergrond. De meeste ouders wachten twee uur tot de school is afgelopen. 'Gezellig, beetje kletsen met de andere Polen hier’, lacht een kleine, gezette vrouw met bontkraag uit Hillegom. 'Terug naar Polen? Wie weet. Een keer. Maar nu is er geen werk, de salarissen zijn laag.’ Mariusz rent terug naar zijn auto. Hij woont vlakbij, in Diemen, en heeft nog veel te doen.
'Iedereen is verrast door de hoeveelheid Polen die naar Nederland is gekomen’, begint Godfried Engbersen, hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit. 'Het planbureau, de deskundigen, de Europese Unie, de politiek: niemand heeft dit verwacht.’ Naast Nederland zijn vooral ook Engeland, Ierland en de Scandinavische landen populair. 'Er ontstaan in het Europa met de open grenzen nieuwe emigratiepaden van migranten die blijven, doormigreren, heen en weer gaan of terugkeren.’
De Polen zijn op dit moment de snelst groeiende migrantengroep in Nederland. Afgelopen kwartaal registreerden zich volgens de laatste cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) meer dan zesduizend Polen. Dat zijn er bijna zeventig per dag. In werkelijkheid zijn het er meer, want registratie in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) is niet verplicht. In 2003, een jaar voordat Polen zich aansloot bij de Europese Unie, nam het aantal immigranten toe. Vanaf 2007 kunnen Polen zich vrij vestigen en werken in Nederland en is de groei verder gestegen. De emigratiecijfers stijgen mee: van de in de GBA ingeschreven Polen die sinds 2000 naar Nederland zijn gekomen, is inmiddels zestig procent weer vertrokken. Het totaal aantal Polen in Nederland is moeilijk te bepalen, schattingen lopen uiteen van 144.000 tot 200.000.
'De migratie van Polen is totaal onderschat’, concludeerde ook een Kamercommissie onder leiding van Ger Koopmans (CDA) afgelopen september. De commissie signaleerde veel excessen, met name in de seizoensarbeid. Migranten worden onderbetaald door werkgevers en uitgebuit door huisjesmelkers. Dat is erg voor de migranten en leidt bovendien tot overlast. 'Er moet snel iets gebeuren’, stelde het rapport, want deze situatie is blijvend. 'Er is een structurele in- en uitstroom van arbeidsmigranten.’
In zijn werkkamer met uitzicht over Rotterdam haalt Engbersen zijn nieuwste onderzoek Arbeidsmigratie in vieren: Bulgaren en Roemenen vergeleken met Polen uit de kast. Afgelopen vrijdag is het aan de Tweede Kamer gepresenteerd. Het verschil tussen de Polen enerzijds en Bulgaren en Roemenen anderzijds blijkt niet groot. Roemenen en Bulgaren hebben weliswaar een tewerkstellingsvergunning nodig voor de Nederlandse arbeidsmarkt, ze komen toch en gaan werken in de informele economie. De hoogleraar heeft vier categorieën ontdekt binnen de Midden- en Oost-Europese immigranten: de seizoensmigranten, de transnationale migranten - vaak hoogopgeleiden die drie tot vijf jaar komen werken -, vestigingsmigranten en footloose-migranten. 'Mijn stelling is dat Nederland de komende decennia geconfronteerd zal worden met deze vier groepen migranten uit Europa. De groepen zullen zich uitkristalliseren, maar geen enkele zal dominant worden.’
De footloose-migranten vormen de grootste en meest diffuse groep, zo'n veertig procent. Ze zijn nog maar kort hier, zijn jong, zonder partner, laagopgeleid en hebben weinig wortels in Nederland, maar ook in hun land van herkomst. Ze zijn zoekende, werken her en der. Een groot deel van hen weet nog niet hoe lang ze hier blijven. Ook de dak- en thuislozen vallen onder deze categorie. 'Maar’, benadrukt Engbersen, 'er is absoluut geen sprake van een tsunami aan Poolse daklozen. In de vier grote steden zijn in totaal maar enkele tientallen Midden- en Oost-Europeanen die gebruikmaken van de daklozenopvang.’
De Poolse seizoensarbeiders vormen zo'n kwart van het totaal. Ze worden vaak door Nederlandse uitzendbureaus in Polen geworven. Nederland is koploper met deze vorm van rekrutering. Ze werken in het Westland, delen van Limburg en andere agrarische gebieden, verblijven in zogenoemde Polen-hotels - werk en huisvesting all inclusive - spreken geen Nederlands, komen en gaan weer terug. Engbersen: 'Zij sturen het meeste geld naar hun land van herkomst: gemiddeld 5400 euro per jaar. Vaak hebben ze in Polen een gezin, of partner. Ze blijven een tot vijf jaar hier en pendelen in die periode op en neer tussen Polen en Nederland.’
Een kwart van alle Poolse immigranten is van plan om zich voor onbepaalde tijd hier te vestigen. Ze zijn volgens Engbersen vaak hoogopgeleid, al langere tijd in Nederland en komen om te blijven, of blijven omdat ze er nu eenmaal zijn. 'Deze vestigers hebben van de vier categorieën de sterkste binding met Nederland en de minste met Polen.’

'HOUDEN JULLIE wel van sushi?’ vraagt Alicja Terebieniec (41) als ze een volle schaal op de salontafel zet. Ze heeft de Japanse rolletjes van plakkerige rijst, zeewier en zalm zelf gemaakt. Alicja is klein en rank, ze draagt een kort spijkerrokje met een maillot eronder, zwarte laarzen tot aan haar knie, haar donkerblonde haar in kort bebobkapsel. 'Ik ben er dol op’, glimlacht ze. 'We zijn helemaal geïntegreerd.’
Alicja en Mariusz waren begin jaren negentig een van de eerste Poolse arbeidsmigranten die naar Nederland kwamen. 'We zijn nu allebei zzp'ers, zelfstandigen zonder pensioen’, lacht Mariusz. Hij zit op de rode skaileren bank in de woonkamer. Hij heeft vrolijke ogen, zijn rode T-shirt verbergt zijn iets gezette buik, een gouden kettinkje met een kruis eraan bungelt om zijn nek. Mariusz volgde in Polen een bouwkundige opleiding, maar er was geen werk. 'Mijn broer belde, die zat al in Nederland en zei: “Kom, hier is werk en een plek om te slapen.” Ik wilde op eigen benen staan, daarom kwam ik.’ In 1991 begon Mariusz, toen begin twintig, als illegaal te werken in de haven van IJmuiden: vis laden en lossen. Soms werkte hij in Harderwijk, in de haring, of in Scheveningen.
Een jaar later kwam ook Alicja. Ze kenden elkaar al uit hun woonplaats in het oosten van Polen. 'Toen Mariusz vroeg of ik mee wilde naar Nederland, zei ik direct: Yes! Ik was helemaal in de wolken.’ Haar moeder heeft haar altijd vrij gelaten. 'Ze zei: “Ga jij maar de wereld ontdekken.”’ Ze hoefde als kind ook niet zo hard te werken als vriendinnetjes, niet elke dag de koeien te melken. Ze hielp wel bij de grote oogst, aardappelen rooien. Dat was altijd feest. Met alle neven en nichtjes het land op. 'Mijn ouders vonden het belangrijk dat ik leerde. Dat ik andere dingen zag in het leven.’
Toen Alicja twee weken in Nederland was, werd Mariusz opgepakt als illegaal en teruggestuurd naar Polen. 'Ik zat hier helemaal alleen’, vertelt Alicia. 'Ik sprak de taal niet, kende niemand. Ik wist niet wat ik moest doen.’ Toen Mariusz weer in Nederland was, kregen ze ruzie. Er was geen werk, geen geld, ze konden net een brood kopen. Mariusz wilde definitief terug naar Polen. Zij niet, zij wilde doorzetten. Ze besloten dat Mariusz als schilder in de bouw ging werken. Zij vond werk als au pair. En ze nam een beslissing: 'Ik moet Nederlands leren en goed integreren.’
Alicja en Mariusz vallen onder de vestigers, maar voorheen waren ze eerder footloose-migranten. Ze wilden alleen wat geld verdienen hier. Ze waren al begonnen met het bouwen van een villa in hun eigen dorp. Het huis in aanbouw staat er nog, half af. Misschien gaan ze later nog terug. Als ze oud zijn. Nu helpen ze hun ouders met wat geld. 'Mijn moeder’, zegt Alicja, 'krijgt tweehonderd euro per maand pensioen. Ze heeft gelukkig een eigen huis.’ Mariusz: 'Mijn moeder moet die tweehonderd euro aan huur betalen. In Polen verwachten ze dat we rijk zijn.’
Jaren leefden ze zoals ze het noemen 'een half leven’ in Nederland. Ze waren illegaal, hadden geen werkvergunning, konden zich niet verzekeren, ook niets huren. Ze woonden op een kamer in IJmuiden, in een flatje in de Bijlmer, in onderhuur van een Surinamer, in weer een ander flatje. Zeven keer zijn ze verhuisd. Negen jaar hebben ze gewacht met kinderen krijgen.
Op 1 mei 2004, toen Polen officieel lid werd van de Europese Unie, waren Mariusz en Alicja van de ene op de andere dag legaal. Ze vroegen direct een vergunning aan voor een eigen bedrijf. Na acht maanden was het zo ver: Mariusz was eigenaar van Myla Klussenbedrijf, gespecialiseerd in binnen- en buitenschilderwerk. Mariusz, trots: 'In 2005 stuurde ik mijn eerste factuur.’ Alicja was in Polen opgeleid tot kapster, ze volgde hier nog twee jaar de avondopleiding aan de Nederlandse Kappersakademie. Sinds 2006 heeft ook zij haar eigen bedrijf: Alicja Haarstyliste - het staat cursief geschreven op de spiegel in haar kapsalon op zolder. Haar eigen salon, aan huis; dat is handiger met de kinderen.
Nu konden ze ook deze eengezinswoning in Diemen huren. In een keurige nieuwbouwwijk, tegenover de lagere school waar alle drie de kinderen op zitten. Alicja lacht en wijst op een bruin wandmeubel van eikenhout. 'Dat hebben we meegenomen uit onze flat in Echtenstein.’ De grote Sony-flatscreentelevisie in het midden is nieuw. Aan de achtergevel hangt een schotel om ook Poolse televisie te kunnen kijken. 'Hier op de drempel begint Polen’, verklaart Alicja. 'Hier praten we Pools, samen en met de kinderen. Martyna is verliefd op Poolse dingen.’ Niet veel in hun woonkamer verwijst naar Polen, een kalender aan de muur van de Polska Misja Katholicka, een houten kruis aan de muur boven de eettafel, een doosje met Poolse chocolaatjes op het aanrecht. Misschien verraadt de enorme stapel tomaten in de keuken nog wel het meest hun achtergrond. Alicja heeft in de buurt een tuinhuisje gehuurd, ze miste het buitenleven en kweekt nu in haar moestuin tomaten, aardappelen, komkommers, rode bieten, wortels, sperziebonen, snijbonen en alle soorten kolen. 'Het is mijn Poolse bloed, en dat van mijn moeder. Ik ben ermee opgegroeid.’
In het begin vonden ze het moeilijk hier, om te begrijpen hoe mensen met elkaar omgingen. 'Dat iedereen een afspraak wilde maken, dat alles met een agenda ging’, lacht Alicja. 'Wat een raar volk, dachten wij. Bij ons rijd je gewoon langs, iedereen is gastvrij, je komt binnen zonder te bellen. Nu zou ik het niet meer anders willen. Heerlijk dat niemand plotseling voor je deur staat.’
Alicja biedt nog een sushi aan. 'Wij zijn veranderd, Polen is veranderd. Ik wil nooit meer terug. Als we nu naar ons stadje teruggaan, reizen we terug in de tijd. Het is veel vrijer hier. De buren vragen niet steeds om suiker, er is geen sociale controle. Ik heb een eigen inkomen. In Polen werken mensen voor driehonderd euro per maand. Ze moeten echt vechten.’
Mariusz lacht: 'In Polen zijn wel de mooiste vrouwen.’
Alicja: 'Dat is wel waar. De vrouwen zijn mooi verzorgd. Maar ik pas beter hier, wil me nooit zo druk maken over mijn nagels en zo.’
Mariusz: 'En Poolse mannen zijn heel jaloers.’
Alicja: 'Poolse vrouwen ook. Hoe jullie in Nederland met exen omgaan, dat kennen ze niet. Ik vind het mooi, dat moeten ze nog leren in Polen.’
De Polen spelen met economische patronen, constateert Godfried Engbersen. 'We moeten ons denken over migratie veranderen. We zijn sterk bepaald door de gastarbeiders en denken dat iedereen blijft. Wat nu gebeurt, is eerder absolute mobiliteit: dé droom van liberale politici.’ De integratie regelt zich in belangrijke mate zelf. Mensen zoals Alicja en Mariusz worden als vanzelf geïncorporeerd in Nederland. Anderen blijven er meer buiten staan en vertrekken weer. Het past volgens de migratiehoogleraar bij deze tijd: behalve dat Polen vrij zijn zich te vestigen en te werken, kunnen ze ook makkelijk contact houden met het thuisland. 'Dat maakt de optie van terugkeer veel realistischer dan vroeger. Ze reizen heen en weer, verliezen minder hun familie en vrienden.’
Zo ontstaan er meer complexe patronen van migratie binnen Europa. 'Vloeibare migratie’, noemt hij het. De Polen komen hier, maar Polen zelf voert weer Oekraïners in. Het gevolg: mensen die teruggaan brengen geld mee, maar ook ideeën. Op die manier is de migratie niet alleen economisch van groot belang, maar betekent het ook veel voor de modernisering van een aantal landen. De arbeidsmigratie van voor de Eerste Wereldoorlog keert zo terug in Europa, maar dan over langere afstanden en met nieuwe bestemmingslanden. Engbersen: 'Europa is hier nog onvoldoende op toegerust. Hoe regel je dit? Hoe doe je het met sociale zekerheid? Tot nu toe gaat het vaak probleemloos en vanzelf. Niettemin zijn er ook serieuze problemen van slechte huisvesting, uitbuiting en eenzaamheid. De meeste Polen voegen zich echter makkelijk in het Nederlandse landschap.’

DE FILM BEGINT. Het wordt stil in het kleine zaaltje van Dom Polski, Het Nederlands Pools Huis aan de Keizersgracht in Amsterdam. Elke tweede vrijdagavond van de maand komt de filmclub - gerund door Poolse jongeren - hier bijeen. Het Nederlands Pools Huis is een cultureel centrum en, aldus de website, 'de eerste organisatie in Nederland die een actieve en initiërende rol speelt bij de inburgering van Polen in Nederland’. Het organiseert Poolse en Nederlandse lessen, fototentoonstellingen, er is een spreekuur van de vakbond, van een speciale jurist, een Poolse bibliotheek en een filmclub. Vanavond is het rustig, er zitten zo'n 25 mensen. De zwart-witfilm Kanal uit 1957 - over de laatste dagen van de opstand in 1944 tegen de nazi’s in Warschau - speelt zich af in het rioolsysteem onder de stad, waar de laatste verzetsstrijders in wanhoop hun toevlucht zoeken en 'als ratten’ worden opgejaagd door de Duitsers. Als de film afloopt is het een paar minuten stil in het kleine zaaltje.
'Wat een heftige film’, verzucht Zbyszek Zielinski, een verlegen, kalende jongen van in de twintig, in het Engels. Hij is nog maar twee jaar hier en durft niet zo goed Nederlands te praten. Hij studeerde toerisme in Polen, werkte in verschillende bedrijven, maar wilde weg. Dacht aan Spanje, Engeland, Noorwegen, Frankrijk. Ooit was hij op vakantie geweest in Nederland, hij vond het leuk hier. Hij ging meubels in elkaar zetten bij Ikea. Na een jaar ging hij werken in een hotel in Osdorp, hij wilde tijd hebben om te studeren. Hij vindt het af en toe wel eenzaam, maar zijn vrienden hier zeggen dat het beter wordt, dat hij ook Nederlandse vrienden zal krijgen. Terug wil hij nog niet.
De vrienden van de filmclub vallen in de vierde en meest nieuwe categorie van Engbersen, de transnationale migranten, een soort expat-migranten. Ze zien heel Europa als mogelijke bestemming. Agnieszka Marcinkowska, een lange vrouw met halflang, pikzwart haar, net dertig, studeerde etnologie en culturele antropologie in Polen en vond het saai om in Polen te blijven. Ze is drie jaar hier en het bevalt haar goed. Ze voelt zich beter in Nederland. Het is meer open, vindt ze. 'Mensen in West-Europa zijn anders dan in het oosten. En er wonen Nederlanders, Surinamers, Oekraïners, Marokkanen, Turken, dat is interessant.’
Ze klapt de stoelen in en zet ze tegen de muur van het zaaltje. Agnieszka wil hier blijven, maar Emilia Borowik en Daniel Malecki, ook eind twintigers, wonen hier nu een paar jaar en willen volgend jaar naar Oslo verhuizen. Hij mist de bergen, vindt Nederland te plat. In Noorwegen zijn ze op vakantie geweest. 'We hebben gehoord dat daar een minder hechte Poolse gemeenschap is dan hier’, vertelt Emilia. 'Dus het zal wel anders zijn. We zien wel waar we uitkomen. Misschien gewoon weer in Polen.’ Als ze klaar zijn met het opruimen van de filmzaal gaan de vier vrienden naar huis; ze zijn moe, hebben de hele week hard gewerkt.

'ZIJ ZIJN de echte Europeanen’, begint Iwona Smoktunowicz. 'Ze reizen, werken, kijken waar ze het goed hebben.’ Ze is psychiater en voorzitter van de Stichting Nederlands Pools Huis en van de Stichting GGZ Keizersgracht. Drie jaar geleden heeft ze beide instellingen mede opgericht. Het Pools Huis beschouwt de psychiater als vorm van preventie: 'Je moet je verbonden voelen met je land van herkomst. Pas dan kun je echt integreren. En hoe beter geïntegreerd, hoe minder psychische problemen.’
Iwona Smoktunowicz, een kleine, kordate vrouw van in de zestig met kort blond haar, zit in een stoel in een behandelkamer van het nieuwe centrum. De vraag naar psychiaters en psychologen die Pools spreken is zo groot dat ze afgelopen week zijn verhuisd naar een groter onderkomen. Ze somt op: 'Er werken hier drie psychiaters, twee gz-psychologen, twee ervaren psychologen, een neuropsycholoog, twee net afgestudeerde psychologen, een stagiaire, ook Pools, twee psychosynthese-therapeuten, een vatenchirurg, twee beeldend therapeuten, een drama-stagiaire, een lichaamsgerichte therapeut. Vrijwel iedereen spreekt Pools, en natuurlijk Nederlands. We hebben filialen in Eindhoven, Deventer, Utrecht en Zoetermeer. Onze therapeuten komen soms van ver, maar de patiënten ook. Op dit moment zijn er 380, in de afgelopen drie jaar hebben we in totaal al ruim duizend patiënten gehad. We werken ook in de avonduren en op zaterdag. Want veel mensen zijn bang om vrij te nemen. Er zijn vaak problemen met werkgevers. Vooral in de laagbetaalde banen.’
De nood is hoog. Veel patiënten die bij deze 'Poolse’ GGZ aankloppen, hebben depressieve klachten, een burn-out. 'Mensen werken veel te hard, denken dat dat moet, willen overuren maken, voor geld, of durven geen nee te zeggen. Dat leidt tot depressie.’ Anderen kampen met relatieproblemen, de een wil terug, de ander niet. Een terugkerend probleem, merkt de psychiater, is dat een deel van de jonge generatie nergens thuis is: ze hebben in Polen alles opgegeven, maar kunnen hier niet wortelen. 'Ze hebben een stap gezet en zijn hier niet gelukkig.’
Smoktunowicz weet uit eigen ervaring hoe moeilijk het kan zijn. Ze kwam in 1981 naar Nederland, was eind dertig en had een Nederlandse kinderneuroloog ontmoet. Ze vond het cultuurverschil moeilijk, voelde zich niet thuis. 'Ik had echt een integratieprobleem. Ik realiseerde me dat toen niet. Daardoor is ook mijn relatie uitgegaan. Pas veel later ging ik Nederland begrijpen. Toen ik zag dat er na 2005 zo veel Polen kwamen, dacht ik: ik moet iets doen voor hen. Ik wil een brug slaan. Ik ken Nederland en ik ken Polen, ik weet waar ze mee worstelen, hoe ik ze kan helpen.’
Migreren is een pijnlijk proces. Als je hier net bent, heb je nergens moeite mee. 'Daarna komt het, dan wordt het moeilijk. Je moet met Nederlanders omgaan. Dan word je niet zo gefrustreerd. Je moet de taal leren, dat is het eerste, en anders naar Nederland kijken, je niet afsluiten. Onbekend is onbemind. Dat wordt versterkt als je blijft klagen.’ In 2008 organiseerde het Pools Huis de eerste integratiecursus: Nederland kun je liefhebben, gebaseerd op het bekende Pools liedje Warschau kun je liefhebben.
OM VIJF UUR staan Alicja en Mariusz weer op het bordes van de school in Slotervaart. Ze gaan met de kinderen naar de Pauluskerk, iets verderop in Osdorp. Ze rijden hard, ze zijn laat. Martyna is misdienaar. De school is onderdeel van de Poolse katholieke missie, die sinds oktober dit jaar officieel parochie is geworden. De kerk groeit hard, vijfhonderd gezinnen vallen eronder. Elke zondag doet pastoor Krzysztof Obiedzinski vier missen: in Hoorn, Almere, Aalsmeer en Amsterdam. Het is belangrijk, vindt de jonge pastoor, dat mensen naar een Poolse dienst kunnen. Het gaat om de taal, de traditie, de liturgie. Hij is lid van de Pools katholieke orde voor Poolse emigranten, en speciaal voor dit werk in het buitenland opgeleid.
Mariusz rent met de misdienaarkleding in zijn armen de straat over, Martyna erachteraan. De Pauluskerk zit al vol, bijna alle banken zijn bezet, overal jonge ouders met kinderen. Hier geen leegloop en vergrijzing. Snel trekt Martyna haar zwarte toog over haar kleren, daarna de witte superplie. De andere misdienaren staan al klaar in hun lange gewaden. Pastoor Obiedzinski, met een groene soutane, begint te lopen tussen de kerkbanken door naar het altaar. Iedereen staat op. Het orgel speelt.
Na de mis drommen bevriende kerkgangers om Alicja en Mariusz heen, ze hebben advies nodig. 'Dat is heel vaak zo’, lacht Alicja. 'Wij zijn het hele traject doorgegaan. We weten hoe je het moet aanpakken. De basis van alles is: de taal leren en hard werken.’