Hemelvaart. Op zoek naar een verloren vriendin

Wat een verhaal doet

Ongeveer op de helft van haar boek over een gestorven jeugdvriendin last Judith Koelemeijer, bekend van de familiegeschiedenis Het zwijgen van Maria Zachea, een saillante scène in. Het is het jaar dat het ongeluk heeft plaatsgevonden, 1985, en de dan achttienjarige Judith beschrijft dat ze niet anders kan dan schrijven over hetgeen haar is gebeurd tijdens de zomervakantie.

Judith Koelemeijer, Hemelvaart, € 19,95
dwarsligger, € 17,95
e-book, € 14,99

Medium koelemeijer hemelvaart 667x1024

Ze was met vijf vriendinnen op vakantie naar Griekenland, en in de allerlaatste nacht, na een avondje wild stappen, dansen en drinken, krijgt een van hen een motorongeluk. Een nogal stom ongeluk, want ’t gebeurde toen de motor van de Duitse jongen bij wie zij achterop zat nota bene stilstond in een bocht. Een van de andere bevriende motorrijders knalde in het nachtelijke duister boven op hen. Judith zat op dat moment een paar kilometer verderop met een Griekse motorrijder bij een cafeetje te wachten tot de anderen eindelijk kwamen. En ze kwamen dus niet. Wat een daverend afscheid van een vrolijke vakantie had moeten zijn, veranderde in een nachtmerrie, inclusief verwarring, haperende hulp, helikoptervlucht naar het ziekenhuis, en een almaar zwakker rochelend sterk zongebruind meisje in een roze tuinbroek. Judiths tuinbroek. Zo zijn vriendinnen van een bepaalde leeftijd: ze trekken elkaars kleren aan.

Maar nu dus de saillante scène. Ze zoekt een paar maanden na het drama de vriendinnen van toen op, nadat ze hen haar aantekeningen over het gebeurde had laten lezen. Een van die vriendinnen zegt dan: ‘Je hebt een verhaal gemaakt van mijn ervaring, maar het is niet een verhaal waarin ik me herken.’ Ook twee anderen hebben er moeite mee. Te veel drama. Judith voelt zich onmiddellijk aangesproken. ‘Het was mijn verhaal, mijn beleving. En niet de hunne. Ik had mezelf eerder moeten afvragen wat ik ermee dacht te bereiken. Laten zien wat ik had meegemaakt? Een complimentje oogsten voor de manier waarop ik het had opgeschreven? Ik had mezelf opgedrongen. Kijk eens, zo was het voor mij. Alsof ze niet genoeg hadden aan hun eigen herinneringen.’

Zoveel jaar later, 28 om precies te zijn, moet die eerste rauwe pijnlijkheid verdwenen zijn. De vriendinnen hebben Judith in ieder geval geholpen, zo blijkt uit de verantwoording en het dankwoord achterin, door haar hun herinneringen aan de vakantie, en aan de onfortuinlijke Annette in het bijzonder, te vertellen. ‘Als schrijver van non-fictie kan ik niets uitrichten zonder de getuigenissen van anderen’, schrijft Koelemeijer vroom, ‘al die stemmen die een veelkleurig perspectief bieden op de werkelijkheid.’

Blijft de vraag wat haar precies dreef om dit boek te schrijven, en wat ‘het verhaal’ zou moeten zijn. Het echt pijnlijke van Hemelvaart is dat dat verhaal er niet is. Of laat ik het zo zeggen: Koelemeijer heeft ervoor gekozen van het ongeluk van destijds een zoektocht naar ‘de waarheid’ te maken. Krampachtig probeert ze op allerlei manieren spanning aan te brengen in iets dat van meet af aan, hoe lullig dat ook is, domweg niet spannend is. Voorvoelde Annette haar dood? Wilde ze misschien dood? Waarom stond de motor stil? Waarom knalde die andere motor erbovenop? Was het misschien allemaal Judiths schuld, had zij eigenlijk bij de Duitser achterop moeten gaan zitten en niet bij de Griek? Het is tenenkrommend hoe Koelemeijer van de dood van een vriendin een non-geschiedenis maakt door deze vragen op te werpen, en het antwoord hierop uit te stellen door verleden en heden door elkaar te snijden, door terug te gaan naar de plaats des onheils, de Griekse rechtbankarchieven te raadplegen, door de moeder van Annette te laten constateren dat alle oude dagboeken van haar dochter verdwenen zijn. Hoe meer ze uit de kast probeert te halen, hoe armzaliger het geheel wordt. Hoe gewóner vooral.

Wat ook niet helpt is Koelemeijers schrijfstijl. Kleurloos rijgen haar zinnen zich aaneen – ‘Ik liep in de richting van kasteel Groeneveld. Er lagen grote plassen water op het pad. Wanneer ik erlangs probeerde te gaan, zakte ik diep weg in de modder. Ik kreeg het koud. Toch wilde ik niet terug. Niet naar mijn kamer’ – met aan het eind van ieder hoofdstuk een doorzichtige ‘cliffhanger’. ‘Toen zei hij me dat hij moest ophangen.’

Een paar ingrediënten van Hemelvaart zijn interessant: de rouw van de ouders, die zelfs een paar jaar op het eiland in kwestie gaan wonen omdat ze daar hun dochter dichterbij voelen; het verdriet van de broer, die altijd in de schaduw blijft bij zijn dode zus; het knagende schuldgevoel van de Duitse motorrijder. Had Koelemeijer die ingrediënten maar uitgediept, en, zonder opzichtig effectbejag, ‘gewoon’ het verhaal van rouw en verlies geschreven, over taai verdriet, over een ongeluk dat in zijn stommiteit – wat een ongeluk natuurlijk altijd is – al onverteerbaar genoeg is.

Er zijn ergere dingen dan een boek schrijven, maar al lezende kreeg ik last van toenemende gevoelens van afkeer. Het je toe-eigenen van een precaire geschiedenis is tot daar aan toe, maar maak er dan wel iets uitzonderlijks van. Het tegenovergestelde bereikt Koelemeijer met dit boek: je haalt er je schouders bij op. In plaats van levend wordt de dode vriendin in Hemelvaart alleen maar dooier. Platter vooral. Een groot verdriet wordt een banaal verteld verhaal.


Judith Koelemeijer
Hemelvaart. Op zoek naar een verloren vriendin
Atlas Contact, 176 blz., € 19,95