Wat een verschil met Elsschot

Hans Fallada, Wat nu, kleine man?, Vertaald door Nico Rost, Anne Folkertsma, 21,90
Hans Fallada, Kleiner Mann, was nun? EUR 12,95

Hans Fallada kende ik alleen van naam. Of liever: van een boektitel. Kleiner Mann, was nun? was ik in beschouwingen over de Republiek van Weimar wel eens tegengekomen, als citaat dat als verzuchting of zelfbeklag deel uitmaakt van het culturele erfgoed van de Duitsers. Dat ik over Fallada nooit iets inhoudelijks had gelezen, realiseerde ik me pas toen kort achter elkaar twee van zijn belangrijkste romans in het Nederlands verschenen, Alleen in Berlijn en Wat nu, kleine man?
In beide gevallen gaat het om herziene vertalingen, uit respectievelijk 1949 en 1932. De eerste titel is vreemd. Het origineel, uit 1947, Fallada’s zwanenzang, heet Jeder stirbt für sich allein. Misschien heeft de uitgever een recente Engelse vertaling gevolgd die onder de vlag Alone in Berlin een onverwacht publiekssucces was, binnen drie maanden had Penguin er honderdduizend van verkocht. Soortgelijke aantallen gingen er van een recente Franse en Amerikaanse uitgave over de toonbank. Dat maakte nieuwsgierig. Ik besloot met het oudste van de twee boeken te beginnen. In minder dan één bladzijde wist ik al wat voor vlees ik in de kuip had. ‘Het is vijf minuten over vier’, luidt de openingszin. Twee zinnetjes later: 'Het is dus vijf minuten over vier (…)’, en weer twee zinnetjes later: 'En inderdaad! Nou is het al vijf minuten over vier (…)’ Fallada schrijft voor hardhorigen. Zozeer dat ik gaandeweg gefascineerd raakte door de hardnekkige stijlloosheid van het boek, de naïviteit op alle fronten, het armzalige idioom, het totale gebrek aan reflectie.
Want laat ik er geen doekjes om winden: met literatuur heeft dit boek niet veel te maken, het is er hoogstens het kwade geweten van. Het is familie van de sentimentele colportage- of feuilletonroman, zoals ze eind negentiende, begin twintigste eeuw geschreven werden voor de amper geletterde man, in een tijd dus dat het onderscheid tussen hoge en lage literatuur nog vanzelfsprekend was. Kleiner Mann, was nun? was Fallada’s eerste succesroman, in de economische nood van de vroege jaren dertig konden veel Duitsers zich kennelijk identificeren met de arme, bangelijke Pinneberg en zijn vrouw Engeltje. Van Jeder stirbt für sich allein is bekend dat Fallada de bijna zevenhonderd pagina’s in vier weken heeft geschreven.
Kleiner Mann wordt vaak als stadsroman aangeduid. Ja, het speelt in Berlijn, daar is alles mee gezegd. Pinneberg en zijn Engeltje mogen nog zo zielig zijn, ze leven in de trage, geruststellend stereotiepe patronen van de Bouquetreeks uit die dagen, van tranen en (zelf)medelijden verzekerd. Wie iets over het Berlijn tijdens de Republiek van Weimar wil weten, kan duizend keer beter terecht bij Franz Hessel, Siegfried Kracauer, Walter Benjamin, Joseph Roth of Alfred Döblin, van laatstgenoemde Berlin Alexanderplatz (1929), van de anderen kort proza, schetsen en columns. En ter vergelijking te hooi en te gras nog wat grote en kleine romans uit die jaren: The Waves (Woolf), Der Mann ohne Eigenschaften (Musil), Brave New World (Huxley), Tsjevengoer (Platonov), Die Blendung (Canetti), The Sound and the Fury (Faulkner), Manhattan Transfer (Dos Passos); en van eigen bodem: Blokken, Bint en Knorrende beesten (Bordewijk), Kaas en Tsjip (Elsschot).
Ik noem Elsschot niet als voorbeeld van een experimenteel auteur, hij is net als Fallada een verteller, bovendien staat er in Wat nu, kleine man? een aantal scènes die qua uitgangssituatie zo van Elsschot konden stammen - maar wat een verschil in uitwerking! Pinneberg heeft in een vlaag van overmoed en verliefdheid een veel te dure kaptafel gekocht voor zijn Engeltje en krijgt daar onmiddellijk spijt van, het ding kost hem meer dan een half maandsalaris, dus dat wordt honger lijden, hij wil het terugbrengen maar dat kan niet meer; ook de climax aan het eind van deel twee, als klerenverkoper Pinneberg zich door onhandigheid in de nesten werkt en ontslagen wordt, is elsschottiaans. Maar anders dan de langdradige, alles voorkauwende en bloedserieuze Fallade bewijst de efficiënt comprimerende en ironische Elsschot dat vertellen ook zonder opzichtige experimenten nog altijd literatuur van het hoogste niveau kan opleveren. Fallada mag met recht een naïeve verteller worden genoemd, tussen vertellen en schrijven bestaat bij hem geen verschil, bij Elsschot is de vertelling het resultaat van uitgekiend schrijfwerk.
Tot slot een woord over de vertaling, waarvan ik ook zonder raadpleging van het origineel moet constateren dat die ernstig tekortschiet. Een veldwachter midden in Berlijn? Portiers, kelners en caféklanten die geen andere vloek kunnen bedenken dan 'O, jee’ en een verteller die zijn figuren om de haverklap 'hemel’ of 'hemeltje’ laat roepen, dat maakt een weinig grootsteedse indruk. En dan dat vreselijke 'wurm’, op elke bladzijde wordt het kindje van onze arme stumpers wel een paar keer zo genoemd; dat zal bij Fallada ongetwijfeld ook zo zijn, maar de vertaler had toch echt iets eigentijdsers moeten bedenken.
Kleiner Mann, was nun? werd kort na verschijnen tot hoorspel en toneelstuk bewerkt, ook verschenen er al gauw diverse verfilmingen. Nu herdrukken en vertalingen alom furore maken, zou het me niet verbazen als Joop van den Ende er, met een nieuwe economische crisis in het vooruitzicht, stof voor een aangrijpende musical in ziet, Danny de Munck of liever nog Frans Bauer zou een aandoenlijk stuntelende en weinig aan de verbeelding overlatende Pinneberg kunnen neerzetten.

HANS FALLADA
WAT NU, KLEINE MAN?
Vertaald uit het Duits door Nico Rost, Cossee, 320 blz., € 21,90