Wat elders is, is een spiegel

Serge van Duijnhoven, De overkant en het geluk. Uitgeverij Prometheus, 201 blz., f29,90
OP SCHRIJVERS als Serge van Duijnhoven moeten we zuinig zijn. Want zoveel getalenteerde, opportunistische, daadkrachtige en eigenzinnige kunstenaars zijn er niet. Van die wakkere geesten die hun nek durven uitsteken. Die soort is aan het uitsterven. En de literatuur heeft dergelijke sujetten altijd nodig.

Serge van Duijnhoven is een van de mensen die hebben geholpen een literair klimaat te scheppen waarin meer mogelijk is dan voorheen. Ondanks zijn jeugdige leeftijd (geboren in 1970) heeft hij al een indrukwekkend palmares opgebouwd. Hij debuteerde in 1993 als dichter, met de bundel Het paleis van de slaap, als romancier vorig jaar met Dichters dansen niet, en kort geleden publiceerde hij alweer De overkant en het geluk.
Niet alleen wat zijn eigen werk betreft is Van Duijnhoven opvallend produktief. Ook als oprichter en redacteur van het literaire tijdschrift Millennium, organisator van literaire manifestaties en festivals, journalist voor NRC Handelsblad en De Morgen, en als drijvende kracht achter een internationale groep talentvolle jonge kunstenaars heeft hij van zich doen spreken. Hij steekt daarmee zijn hoofd unverfrohren boven het maaiveld uit.
Hoe het in Nederland met zulke mensen afloopt, is bekend. In een land waar de lijfspreuk des volks ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’ is, wordt het type-Van Duijnhoven binnen de kortste keren zijn plaats gewezen. Nederlanders zijn nou eenmaal het liefst gewoon, als de buren dat tenminste ook zijn. Mensen die op de voorgrond treden zijn pretentieuze aanstellers. Hun kop moet eraf. DE TWEE belangrijkste jonge schrijvers van dit moment zijn Serge van Duijnhoven en Ronald Giphart. Ook Giphart heeft voor zijn dertigste al drie boeken gepubliceerd. Meer overeenkomsten zijn waarschijnlijk niet aan te wijzen, want wat hun literatuuropvatting betreft verschillen ze als dag en nacht.
Zowel in zijn eigen boeken als in de beoordeling van andermans werk, legt Giphart zijn prioriteit nadrukkelijk bij de stijl. Van Duijnhoven geeft de voorkeur aan de 'boodschap’, de inhoud, of hoe men het ook wil noemen. Hem gaat het erom wat er wordt verteld; hoe dat gebeurt is minder belangrijk. Voor Giphart is een verhaal pas goed als het stilistisch deugt.
Beiden blinken uit op hun eigen gebied. Het commentaar is voorspelbaar: Giphart wordt (ten onrechte) verweten dat hij niets te vertellen heeft en in mooischrijverij vlucht. De kritiek op Van Duijnhoven kan zijn dat hij zo gericht is op de inhoud dat zijn stijl eronder lijdt. Jammer genoeg is dat waar. Net als Dichters dansen niet draagt ook De overkant en het geluk de sporen van ofwel haast, ofwel pure slordigheid. Aangezien Serge van Duijnhoven wel degelijk iets te vertellen heeft, is dat eeuwig zonde.
De overkant en het geluk bestaat uit twee delen, die samen vier in lengte varierende verhalen bevatten. Ze worden per flaptekst aangeduid als 'Orfische reizen’. Hun onderlinge samenhang is te sterk om ze als afzonderlijke verhalen te beschouwen, en te zwak om van een roman te kunnen spreken.
Hoe Deel Een en Deel Twee zich tot elkaar verhouden, wordt beschreven in het motto bij het tweede deel, van Italo Calvino: 'Wat elders is is een spiegel in het negatieve. Een reiziger herkent het weinige dat van hem is door het vele te ontdekken dat hij niet gehad heeft en nooit zal hebben.’
De overkant en het geluk is zeer doordacht opgebouwd. De vier verhalen verwijzen telkens naar elkaar, lopen parallel en spiegelen elkaar. Dezelfde motieven en thema’s keren terug, waardoor stukje bij beetje een complex maar boeiend verhaal ontstaat.
VIER KEER maakt de verteller een reis. In 'Marinus’, het openingsverhaal, gaat hij terug naar Oss, het dorp waar hij is opgegroeid, om daar de begrafenis bij te wonen van Marinus, de zwerverachtige grijsaard die vroeger zijn buurman was. De verteller herinnert zich dat de oude man bij zijn laatste bezoek een Mariabeeld in de kamer had staan, dat hij op zijn ezel naar huis had gesleept. Nadat het beeld op mysterieuze wijze boven op de vuilnisbelt is terechtgekomen, sterft Marinus.
In 'In God We Trust’ gaat de hoofdpersoon, die hier Kars Feller heet, naar Amerika, ook voor een begrafenis. Zijn reis brengt hem terug bij zijn verleden, de tijd dat hij in Amerika woonde en naar school ging. 'Het verleden zat in ons. In ons lichaam, onze genen. Het was er met geen stok nog uit te krijgen en was gedoemd zich eindeloos te herhalen. Was dat soms de “eeuwige wederkeer” waarover gesproken werd? De genen in ons lichaam die ons, tegen wil en dank, bleven confronteren met het karakter van onze ouders?’
Deel Twee is een spiegeling van Deel Een. Het opent met 'April Savino’, dat in New York is gesitueerd. Het meisje dat haar naam aan het verhaal gaf, leeft ondergronds, in het verwarmde buizenstelsel onder de stad. De verteller ontmoet haar bij het station van Grand Central. Het haveloze meisje vertedert hem. Hij trekt enige tijd met haar op en reist dan weer verder. Wanneer hij haar later weer opzoekt, heeft ze zelfmoord gepleegd.
HET LAATSTE verhaal is 'Highway 83 (De fatale limiet)’, dat zich afspeelt in de buurt van de tijdgrens in de Verenigde Staten, daar waar de 'Central Timezone’ ophoudt en de 'Mountain Timezone’ begint. Die grens is een van de limieten die Van Duijnhoven in verschillende hoedanigheden laat terugkeren. Op verschillende niveaus worden grenzen verkend, zowel materiele als immateriele en psychologische. De meeste aandacht gaat uit naar de kloof tussen Vroeger en Nu en die tussen Leven en Dood. Daar zijn het ook Orfische reizen voor.
In het laatste verhaal heet de verteller Serge van Duijnhoven. Hij is naar Herison gereisd, een dorp in het Midden-Westen, aan Highway 83. Daar herinnert hij zich een tocht die hij drie jaar eerder door hetzelfde gebied maakte, met een meisje dat Maren heette. Aan het eind van de reis was hun verhouding gebroken en Van Duijnhoven keerde gedesillusioneerd naar Nederland terug.
Het doel van zijn reis is ditmaal een interview met de schrijver Frederic Freeman. Hij beseft echter dat dat bezoek slechts een alibi is: de ware reden van zijn verblijf hier is zijn behoefte aan een tweede kans: 'Een probleem is dat ik slecht kan vergeten. Heb ik me te vaak vergist? Mijn gevoelens voor Maren heb ik nooit echt verloren. (…) wanneer weten we of iets werkelijk voorbij is? En als het voorbij is, dienen we ons daar dan bij neer te leggen, zoals bij een examen waarvoor je zakt, of bij het bericht van iemands dood? Ik weet dat er in het leven niet vaak een weg terug is. (…) Ook deze keer zal ik van de gelegenheid gebruik proberen te maken om me te revancheren, te trachten een vervolg te geven aan een verhaal dat nooit een rechtvaardig einde kreeg.’
Dat verhaal is de liefdesgeschiedenis van Serge en Maren, drie jaar geleden. In de loop van het verblijf in Herison beginnen de tijden door elkaar te lopen. Het verleden wordt weer levend en het heden sterft. Daarbij wordt steeds verder de spiegelstructuur doorgevoerd, de parallellen tussen de verhalen, de personen en hun reizen.
BIJ EEN TWEEDE lezing van De overkant en het geluk neemt de bewondering toe voor de manier waarop de auteur zijn verhalen heeft gecomponeerd en het thema 'Wat elders is is een spiegel in het negatieve’ zoals het in Calvino’s motto werd geformuleerd, tot in de kleine details heeft uitgewerkt. Op zeer vakkundige wijze vertelt Serge van Duijnhoven een verhaal dat vele malen meer is dan alleen maar de oppervlakkige laag van de gebeurtenissen.
Het zwakke punt van De overkant en het geluk is de stijl. Die is onacceptabel slordig. Het meest in het oog springen de vergelijkingen, die te pas en vooral te onpas te voorschijn worden getoverd en die maar zelden raak zijn: 'De torenflat droeg de gele blokletters als een gevangene op een politiefoto zijn nummer.’ 'Reclamebladen verpakt in cellofaan lagen onaangeroerd op de deurmat, als huisdieren die wilden worden binnengelaten.’ 'Hij sjokte weg. Een plastic boei sleepte kletterend aan een touw achter hem aan, als een kronkelende slang.’ 'De stank zal in vlagen over de Missouri gedreven worden en pas gaan liggen in de brede straten, als een luie hond die rust zoekt in zijn mand.’ 'Is er iets mooiers dan een vrouw die slaapt? Niet lichtjes, maar vol overgave, alsof ze zich in de branding werpt, de lang geworden herfstblonde haren kringelend om haar gezicht, als een nereide die rust op een bed van wier.’
Als daar nog de regelrechte fouten, lelijkheden en vormflauwtes bij worden opgeteld, moet de conclusie helaas zijn dat De overkant en het geluk wat inhoud, compositie en structuur betreft van hoog niveau is, maar door een gebrek aan aandacht voor de vorm en een veel te slordige afwerking zichzelf op schrijnende wijze tekort doet.
Maar ongetwijfeld zal Serge van Duijnhoven binnen afzienbare tijd opnieuw met een boek komen dat beter is dan het vorige. Een talent als het zijne ontwikkelt zich namelijk vanzelf verder, dat houdt niemand tegen.