Audrey Hepburn, New York, 1952 © George Douglas / TopFoto / ANP

Ik zit naast je in de auto, maar ik weet eigenlijk niet wie je bent. Ik bedoel, ik weet dat we als kind samen speelden, in roze tutu’s op muziek van K3 dansten, herinneringen die zijn vastgelegd op een videoband die in een doos op de zolder van ons ouderlijk huis is verdwenen. Jij speelde hem nog wel eens af in hun woonkamer, maar de laatste keer is alweer jaren geleden. We weten niet of de recorder het nog doet.

Op een van de beelden zijn we in Frankrijk, bij een klein chateau dat opa en oma hadden gehuurd. Weet je nog? Ze verstopten muntgeld in boomstronken in de tuin en wij dachten dat er een schat begraven lag. ’s Avonds, vlak voordat mama ons strak instopte, zaten we naast elkaar op bed bij je nichtje, mijn nichtje, haar vader las ons voor uit een boek van Roald Dahl. Ze zoog op haar duim, waardoor haar tanden elk jaar verder naar voren gingen staan. Ik kan me niet herinneren dat papa en mama ons op die leeftijd nog voorlazen, mij in ieder geval niet. Ik weet nog dat ik die vakantie edelstenen kocht bij een winkeltje in het dorp, ze kostten een paar euro – toen nog een fortuin – en dat opa mij in de tuin met pijl-en-boog leerde schieten, als Robin Hood. We speelden in de namiddag softbal of zochten naar een vliegend hert tussen de bladeren onder de bomen.

Mama maakte een foto van ons in die tuin, we droegen Bretonse truien, blauw-wit gestreepte vissershoedjes. Opa zou die foto later gebruiken om twee portretten te schilderen, van ons allebei een. Ze hangen nu nog boven elkaar bij pap en mam in het trapgat naar zolder, jij boven mij.

We zijn elkaar nooit helemaal verloren. Soms zagen we elkaar bij onze ouders, als we toevallig op hetzelfde moment bij hen gingen eten. Of op meer gezette tijden, op verjaardagen of met kerst. Maar daarbuiten zagen we elkaar amper. Daarom vroeg ik of je een dag mee weg wilde, om het zwijgen te doorbreken, om te weten wat er van ons over was, óf er nog wat over was.

Jij wilde graag naar Gent, vertelde niet waarom en ik vroeg er ook niet naar, zoals we vrijwel nooit elkaars keuzes bevroegen. Dat was er van onze relatie geworden. Als water dat altijd de weg van de minste weerstand kiest, hadden wij ons erbij neergelegd dat we elkaar toch niet zouden begrijpen. Onze keuzes een voldongen feit, de wirwar van gedachtes die eraan voorafgingen een kluwen waarvan de ander de uiteinden nooit zou vinden. Onze levens waren onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar hadden tegelijkertijd niets meer met elkaar te maken, individuen die elkaars bestaan nog net erkenden.

Ik denk dat we van elkaar verwijderd raakten toen jij in groep zeven van de basisschool zat en steeds banger werd dat de mensen van wie je hield zouden sterven. Ik weet eigenlijk zeker dat het toen begonnen is. Je ging vaak na schooltijd bij een vriendinnetje spelen. Haar vader had een hersentumor. Hij werd steeds zieker, zijn hoofd vervormde, er verschenen knobbels achter op zijn schedel en donkere kringen onder zijn ogen. Op den duur lag hij nog alleen maar op het waterbed op de tweede verdieping van hun rijtjeshuis. De laatste keer dat je hem zag, gaf hij je een hand.

We zitten bij een kunstcafé als je het me vertelt, een halfuur lopen van ons hotel in Gent. Het is de eerste keer dat je er met mij over praat. Je krabt aan je kin, frunnikt aan je beige kanten blouse, drinkt veel water. Ik was gespannen geweest voor vertrek.

Op zijn sterfdag hadden jullie een kringgesprek op school, je was meer ontdaan dan het vriendinnetje dat haar vader net verloren had. Je geneerde je, omdat je het gevoel had dat je haar verdriet had gestolen, emotionele grafroof had gepleegd.

Iedereen kon plots wegvallen, die gedachte beet zich toen vast in je kop. ‘Als een orthodox geloof’, zeg je, als we voor Het laatste oordeel van Raphael Coxie in het Museum voor Schone Kunsten staan. ‘Soms zou ik willen dat ik kon geloven dat het waar was, dat ik in God kon geloven, dan zou ik het makkelijker kunnen accepteren als iemand gaat, dat ik het niet in de hand heb, dat je accepteert dat de dood erbij hoort en geen invloed hebt, maar dat kan ik dus niet.’

Aan anderen vertel ik nauwelijks over je. Te moeilijk, te ingewikkeld, te pijnlijk. Bovendien zou ik ook niet weten wat ik zou moeten vertellen. Soms, als iemand me vraagt wie je bent en ik er niet onderuit kan, vertel ik vooral wat je doet, dat je kunstgeschiedenis studeert in Amsterdam en later middeleeuwse kunst wil restaureren in prominente Europese musea, Madrid, Rome of Parijs. Je tekende als kind al, ook tijdens die zomer op het landgoed in Frankrijk, ik weet nog dat je het beter kon dan ik, en dat ik je benijdde. Ik was tweeënhalf jaar ouder dan jij en tot dan toe altijd overal beter in geweest, verder ontwikkeld. Maar op die vakantie in Frankrijk zag ik voor het eerst dat jij ergens beter in was dan ik, al wilde ik dat toen niet toegeven.

Niet lang na Frankrijk zagen we elkaar minder, en wanneer we elkaar zagen hadden we ruzie. Ik negeerde je soms zelfs. Ik was bezig met mijn eigen strijd, mijn eigen gevecht. Pap en mam hadden een paar ‘homovrienden’, zoals we ze noemden, en ik wilde niet zo zijn. Niet zo overdreven, niet zo vrouwelijk, ik was niet zoals zij, dacht ik. Niemand wist dat ik elke nacht voor het slapengaan voor de spiegel stond en probeerde de woorden over mijn lippen te duwen, de letters te laten deinen op mijn adem. Als dat zou lukken was ik bevrijd, kon ik het iedereen vertellen, maar dat zou nog jaren duren. Ik lag jarenlang op de sofa bij psychologen en een levenscoach, al lukte het ook hen niet om mijn ware identiteit te onthullen of het mij te laten inzien.

Ze wroetten in mijn ziel, vonden alleen mijn continue dwalen. Het was ook niet aan hen om mij te vertellen wie ik was, daar stond ik alleen voor. Al die tijd was ik dus te druk met mezelf, zag jou niet, al was je er.

We zitten op een plein in het centrum van Gent naar livemuziek te luisteren. Een biertje in je hand. Ik hoor mezelf sorry zeggen. Je knikt. Ik wist niet dat je toen al onder behandeling was, zo’n vijftien jaar geleden. Je geloofde dat je de dood kon beteugelen, vertel je, en dat geloof je nu nog steeds. Het begon onschuldig. Terwijl ik mezelf voor de spiegel probeerde toe te spreken, schreef jij briefjes aan pap en mam, die hebben ze tussen de videobanden bewaard, denk ik. Er was nog geen patroon, geen vast ritme of regime, maar na verloop van tijd moesten alle briefjes op dezelfde manier beginnen en eindigen. Eerst zette je één streep onder je naam, daarna trok je die 23 keer over. Je dacht dat het ervoor zou zorgen dat hun niets zou overkomen, dat je de dood ermee wegjaagde. Ze leven nog, dus misschien had je gelijk.

Je briefjes waren het eerste en enige zichtbare bewijs dat er wat mis was met je, je eerste noodkreet, maar er was niemand die ze zo interpreteerde.

Alle andere rituelen verrichtte je als niemand het zag.

Je mocht niet over de groeven tussen de houten planken lopen.

Je mocht niet op pluisjes op de donkere trapbekleding staan.

Dingen die je op straat had gevonden, moesten mee naar huis en kregen een plek op de plank in je bedstee.

Je vertelt dat je hunkert naar een andere verhouding, dat je spontaan op de koffie wil kunnen komen

Voor het slapengaan moest je alle spullen op die plank herschikken.

Je knuffel Muis moest rechtop in bed zitten.

Onder de douche moest je 23 seconden in het licht kijken zonder te knipperen, terwijl het water tot je haargrens over je voorhoofd liep, anders mocht je er niet onder vandaan.

Daarna moest je de douchewand 23 keer streeploos wissen.

Het lichtknopje in je kamer moest 23 keer knipperen.

Sommige handelingen doe je nog elke dag. Ze zijn inmiddels zo ingesleten, onderdeel geworden van je bestaan, dat je er niet meer over nadenkt.

We dwalen door het historische centrum van Gent. Je wil graag naar Het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck in de Sint-Baafskathedraal, je hebt al kaartjes gekocht voor het laatste tijdslot van de dag. Er zijn een paar andere bezoekers, een gezin met twee kleine kinderen. Ik zit op een kerkbank recht tegenover het kunstwerk, jij bestudeert het van dichtbij. Soms loop je naar me toe, overtuig je me ervan dat ik moet opstaan om hetzelfde te doen, je wijst naar details op een van de panelen, dan ga ik weer zitten. Het tafereel herhaalt zich tot de suppoost ons verzoekt de kerk te verlaten. We lopen over de trappen naar beneden naar de uitgang, naar het licht. Je kijkt me kort aan. Ik herken iets van mezelf, ik zie het, voel het. Je hebt honger, zeg je als je je blik afwendt.

We hebben geen reservering en komen terecht bij een dumplingrestaurant met Scandinavische inrichting vlak bij de kathedraal. Je bestelt gemberbier en dumplings met paddenstoelenvulling. Een paar minuten later doop je ze in een mengsel van wasabi en sojasaus. Je moet nog wat vertellen, zeg je, iets wat ik nog niet weet.

Na de briefjes aan pap en mam, in de derde klas van de middelbare school, werden je gedachtes steeds dwingender. Je was fan van een muzikant die zich sneed en daarom probeerde je het ook. Je wist niet of je het fijn had gevonden, maar je kon er niet meer mee stoppen en vertelde het tegen mama. Ze had gezegd dat je het me niet mocht vertellen, maar ik betwijfel of je het anders wel had gedaan. We vroegen elkaar destijds al niet meer hoe het ging, en als we dat wel deden, wilden we het antwoord eigenlijk niet weten. Het had niet lang geduurd, hooguit een paar maanden. Daarna verslechterde je situatie. Je werd gegijzeld door je eigen brein.

Ik herinner me dat mama me op een avond vertelde dat je jezelf beschadigde. Ze klopte op mijn slaapkamerdeur en ging op de rand van mijn bed zitten. Ik begreep niet wat ze me probeerde uit te leggen, het leek alsof zij het ook niet helemaal snapte. Haar formuleringen waren omslachtig. Ik onthield dat het slecht met je ging, niet fysiek maar mentaal, en dat je niet naar een dokter wilde. Ik moest beloven dat ik erover zou zwijgen, tenzij jij erover begon. Mama verliet de kamer en ik staarde tot diep in de nacht naar het plafond.

Ik voelde me machteloos, en boos, op jou, omdat ik het niet begreep. Ik trok mijn telefoon uit de lader naast mijn bed en ging achter mijn bureau zitten. Ik zocht een citaat waardoor je je beter zou voelen, een inzicht waardoor alles op zijn plek zou vallen, al wist ik heus donders goed dat het niet zou helpen. Maar ik moest iets, en dit was de enige remedie die ik kon bedenken. Ik zocht eindeloos op internet. Uiteindelijk koos ik door vermoeidheid willekeurig een uitspraak van Audrey Hepburn. ‘Pick the day. Enjoy it – to the hilt. The day as it comes. People as they come… The past, I think, has helped me appreciate the present, and I don’t want to spoil any of it by fretting about the future.’ Ik schreef het op gebleekt lijntjespapier dat ik los scheurde uit een collegeblok, met een plastic pen, ik had zweethanden, mijn handschrift was slordig. Ik wist niet wie Audrey Hepburn was, maar haar naam klonk bekend, alsof jij haar zou kennen. Ik schoof het briefje onder je slaapkamerdeur door en kroop weer in bed.

Je plakte het citaat met vier repen plakband vast aan een houten balk in je slaapkamer, zodat je het vanuit bed kon lezen. Het hangt er tot op de dag van vandaag, ik heb het nog gecheckt voordat we in de auto naar Gent stapten. De horizontale lijnen zijn vervaagd, het papier is vergeeld, de inkt nog net te lezen.

Tussen twee dumplings door kun je die zinnen, zoveel jaren later, nog opdreunen als de tafel van tien. Je lacht ongemakkelijk: ‘Ik wist dat pap en mam het erg vonden, maar dat zijn mijn ouders, dacht ik, zij moeten het wel erg vinden. Maar jij had je eigen leven, ik dacht dat het je niet uit zou maken wat er met mij gebeurde omdat je altijd bezig was met sport en school. Doordat je het citaat onder mijn deur door schoof, realiseerde ik me ineens dat er iemand anders was, die verder van mij af stond, die om me gaf.’ Je besloot daarom naar een psycholoog te gaan.

Ik vond het toen moeilijk om je te zien, ik had het gevoel dat we niet meer dezelfde taal spraken. Ik wist niet meer wat ik tegen je moest zeggen als ik je zag. Ik kreeg niet te horen wanneer je in behandeling was en wanneer niet, of je pillen slikte, of het slecht met je ging. We raakten elkaar kwijt, voor mij was je aanwezigheid soms al benauwend genoeg.

Zoals tijdens die familievakantie in Canada, vier jaar geleden. We sliepen twee weken naast elkaar, elke nacht schrok je wakker, zat je rechtop in bed, en schudde je zo hard met je hoofd dat ik dacht dat je een hersenschudding zou oplopen. Alsof je iets uit je hoofd probeerde te slingeren wat maar niet loskwam. Ik lag hele nachten wakker, wachtend op dat moment, ik was bang, zag hoe de angst je lichaam overnam, je mentale zelfkastijding fysiek werd, het maakte me misselijk. Ik kon het niet verdragen, duwde je weg.

Tot nu, in Gent. Je zit tegenover me met eetstokjes die trillen tussen je vingers. Je krijgt de hoogst mogelijke dosis pillen, zeg je, een paar milligram meer en je hart raakt van slag. Je zegt dat je er jaren naar hebt verlangd om samen weg te gaan, het maakte je niet uit waarheen. Je vertelt me dat je eens, een halfjaar geleden, ruim twee weken lang met je psycholoog had toegewerkt naar een moment om me te vragen of ik een weekend mee wilde naar de Utrechtse Heuvelrug. Ik zei nee. Je vertelt dat je tijdens deze dagtrip naar Gent bang was dat ik uit het niets boos zou worden.

Je angst was gegrond. Op de heenweg nam ik de verkeerde afslag en ik gaf jou de schuld. Ik word bijna weer boos terwijl je erover begint. Ik verweer me omdat het me spijt, maar dat kan ik niet zeggen, dat lukt me nog niet, zo kwetsbaar durf ik nog niet te zijn, zo ver heb ik je al die tijd bij mijn gevoel weggehouden.

Je vertelt dat je hunkert naar een andere verhouding, dat je spontaan op de koffie wil kunnen komen. Ik zeg dat ik dat ook wil.

Ik kom moe thuis uit Gent, slaap in twee dagen meer dan dat ik wakker ben. Ik ben moe van onze pogingen de gesprekken die we de afgelopen tien jaar niet hebben gevoerd in één dag in te halen. Ik ben moe van de onuitgesproken verwijten en het jarenlange wederzijdse onbegrip. Ik ben moe omdat we hebben geprobeerd een einde te maken aan alles wat al die jaren tussen ons in heeft gestaan. Ik voel me schuldig, omdat je zo lang geen broer hebt gehad.

Deze tekst is een voorpublicatie uit de bundel Op de sofa, die 29 november verschijnt bij uitgeverij Das Mag. Het boek is samengesteld door Maurits de Bruijn en bevat bijdragen van onder meer Nadia de Vries, Inge Schilperoord, Tobi Lakmaker en Bent van Looy.