Is Nederland immuun voor het Piketty-scenario?

Wat gelijker lijkt blijkt schijn te zijn

Volgens officiële statistieken blijft Nederland behoed voor groeiende ongelijkheid. Maar bij nadere beschouwing is er sprake van een valse geruststelling.

Medium hh 40363902
Born, de assemblage van BMW’s Mini Cooper bij VDL Nedcar © Roger Dohmen / HH

‘Overheidsschuld daalt verder.’ ‘Beschikbaar inkomen van huishoudens stijgt.’ ‘Investeringen 9,3 procent hoger.’ Voor wie speurt naar signalen dat na tien jaar zweten een nieuwe economische dageraad aanbreekt, biedt het nieuwsoverzicht van het Centraal Bureau voor de Statistiek op dit moment een rijke oogst. Onlangs kwam de klap op de vuurpijl: op basis van nieuwe berekeningen concludeerde het cbs dat de inkomensongelijkheid in Nederland in vijftien jaar tijd praktisch gelijk is gebleven. Daarmee lijkt ons land immuun voor het Piketty-scenario waarin de kloof tussen hoge en lage inkomens steeds groter wordt.

De bruto-inkomens zijn in de afgelopen jaren weliswaar verder uiteen gegroeid, meldt het cbs, maar dankzij herverdeling en de toegenomen deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt blijven de onderlinge verschillen in besteedbaar inkomen nagenoeg gelijk, ondanks de voorbije crisis. Een compliment aan de verzorgingsstaat en haar tweeverdienersmodel. Wie kan, werkt, en krappe huishoudboekjes worden aangevuld met subsidies en uitkeringen.

De timing voor dit nieuws was goed gekozen, daags voor Prinsjesdag waarop het demissionaire kabinet zichzelf een compliment maakte door in de Troonrede op te nemen dat Nederland zich ‘na moeilijke jaren’ weer kan verheugen op ‘een bloeiende economie en een gezonde schatkist’. De vvd-achterban knikte tevreden. De pvda werd erkend met de plichtmatige woorden dat ‘niet iedereen de economische groei voldoende merkt in het dagelijks leven’ en dat het belangrijk is dat ‘meer mensen gaan profiteren van de economische voorspoed’.

Het is een typisch verschijnsel in het economisch debat, de strijd tussen wat de cijfers zeggen en wat burgers merken ‘in het dagelijks leven’. Vaak zitten die twee op verschillende sporen. Een enkele keer rent het gevoel op de cijfers vooruit, zoals vóór de crisis toen gezinnen zich zonder al te veel aarzeling overgaven aan hoge schulden. Maar meestal is het andersom. Dan pakt de perceptie somberder uit dan de rekenplaatjes rechtvaardigen. Ergens gaat het dus stelselmatig verkeerd: óf het gevoel strookt niet met de realiteit, óf de cijfers geven valse geruststelling.

In het geval van inkomensongelijkheid in Nederland lijkt dat laatste aan de hand. De inkomensverschillen lijken vooral stabiel omdat de rekenmodellen toevallig gunstig uitpakken. Er is alle reden om herverdeling en de toename van werkende vrouwen, door het cbs genoemd als twee grote dempers van ongelijkheid, tegen het licht te houden. Een belangrijk feit gaat daaraan vooraf: zonder ingrijpen groeit de kloof tussen wat hoge inkomens en de rest verdienen als vanzelf, en dat is ook in Nederland gebeurd de afgelopen jaren. De grote vraag is in hoeverre het afremmen daarvan – iets wat volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau wordt gewenst door 66 procent van de bevolking – daadwerkelijk is gelukt.

Allereerst die herverdeling. ‘Door compenserende herverdeling via sociale uitkeringen, belastingen en premies bleef de ongelijkheid in het besteedbaar inkomen vrijwel onveranderd’, schrijven onderzoekers Ferdy Otten en Marion van Brake in een toelichting op het cbs-onderzoek die werd gepubliceerd in Economische Statistische Berichten. Dat lijkt te suggereren dat lage inkomens in zware tijden een extra steuntje in de rug hebben gekregen, maar in de praktijk blijkt het tegendeel. Wat de onderzoekers daaraan toevoegen is namelijk dat deze compenserende werking voornamelijk is toe te schrijven aan de aow en de pensioenuitkeringen. Met andere woorden: omdat Nederland als gevolg van vergrijzing meer uitgeeft aan gepensioneerden lijkt het alsof er over de gehele linie meer wordt herverdeeld tussen hoge en lage inkomens. Maar in de praktijk zijn het vooral 65-plussers die hiervan de begunstigden zijn.

Voor de beroepsbevolking is de inkomensondersteuning juist afgenomen. In 2005 namen sociale uitkeringen, zoals WW, bijstand, huur en zorgtoeslag nog bijna een kwart van de herverdeling voor hun rekening, tien jaar later is dat minder dan vijftien procent. Die cijfers weerspiegelen de miljarden bezuinigingen op sociale zekerheid die sinds de crisis zijn uitgevoerd. In werkelijkheid zijn de regelingen die mensen door krappe tijden moeten loodsen ingeperkt uit naam van begrotingsdiscipline. Maar omdat een groeiend aantal ouderen met pensioen is gegaan, lijkt de verzorgingsstaat onder de streep nog altijd dezelfde.

De middenklasse in Nederland dreigt gefrustreerd te raken omdat haar inkomens praktisch stilstaan

Deze vertekening is het gevolg van de gekozen maatstaf voor ongelijkheid, de zogeheten Gini-coëfficient. Dat is een cijfer tussen de 0 en 1 waarbij 0 staat voor absolute gelijkheid (iedereen precies evenveel) en 1 voor absolute ongelijkheid (al het inkomen in de handen van één huishouden). In 2001 had Nederland (voor herverdeling) een Gini van 0,531 en in 2015 was dat 0,563. Daarmee is Nederland een middenmoter. We hebben minder bruto inkomensongelijkheid dan bijvoorbeeld de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, en meer dan Duitsland en Noorwegen. Dankzij herverdeling werd het verschil verkleind tot een Gini van respectievelijk 0,278 (in 2001) en 0,293 (2015). Een geringe toename, inderdaad, maar de Gini-coëfficient bundelt alle inkomensverschillen samen tot één eindcijfer. Over de omvang van de kloof tussen specifieke groepen, bijvoorbeeld tussen oud en jong of tussen de laagste inkomens en allerrijksten, valt uit dit getal niets af te leiden.

En ook wat er allemaal onder ‘herverdeling’ valt, is niet direct zichtbaar. Dat in Nederland de pensioenen hierbij worden meegeteld is een opmerkelijke keuze, vindt Wiemer Salverda, hoogleraar arbeidsmarkt en ongelijkheid aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Pensioen is in feite uitgesteld loon, dat je zelf gespaard hebt. Het uitbetalen daarvan heeft niks te maken met geld overhevelen van hogere naar lagere inkomens.’ Sterker nog, deze ‘herverdeling’ vertekent in de statistieken vooral de hogere inkomens, omdat die meer pensioenpremie betalen. ‘De bovenste tien procent van de inkomens betaalt veertig procent van de totale pensioenpremies’, zegt hij. ‘Daardoor lijkt hun netto inkomen lager, maar uiteindelijk krijgen ze dat geld ook weer zelf terug in de vorm van pensioenuitkering’. Dat de cbs-cijfers op deze manier gelijk gebleven ongelijkheid tonen, noemt de hoogleraar dan ook ‘kunstmatig’. Volgens Salverda zit er een vergelijkbaar probleem bij de hypotheekrente. Die wordt juist niet meegerekend als inkomen. In 2000 werd bijna zeventien miljard aan fiscale aftrek voor een eigen woning opgegeven. In de vijftien jaar daarna verdubbelde dat bedrag bijna. Huizenbezit vind je vooral bij hogere inkomens, dus komt de teruggave van de hypotheekrente vooral daar terecht. ‘Ook dat zie je niet terug in de ongelijkheidscijfers’, aldus Salverda.

Dan de mate waarin vrouwen werken en bijdragen aan het gezinsinkomen. Dat wordt door het cbs genoemd als de tweede reden waarom Nederland zijn egalitaire karakter heeft weten vast te houden gedurende de crisisjaren. Het is een bekend verschijnsel in economisch onderzoek: meer arbeidsparticipatie van vrouwen is gunstig voor de gelijkheid van inkomens. Dat gebeurde bijvoorbeeld in de periode tussen het einde van de Eerste Wereldoorlog en de jaren tachtig waarin inkomens in westerse landen een flink stuk gelijk werden getrokken (ook wel ‘the great levelling’ genoemd). ‘De massale uitbreiding van het openbaar onderwijs (aangedreven door een behoefte aan geschoolde arbeidskrachten) en het groeiende aandeel van vrouwen in de beroepsbevolking zorgen voor meer dan een halve eeuw van groeiende gelijkheid in alle ontwikkelde landen’, schrijft ongelijkheidsexpert Branko Milanovic in een recent artikel in Nature.

Nederland lijkt dit proces in het klein te hebben doorgemaakt in het afgelopen anderhalve decennium. Eind jaren negentig werkte net iets meer dan de helft van de Nederlandse vrouwen. Inmiddels is dat opgelopen tot bijna driekwart (voor mannen is het cijfer ongeveer gelijk gebleven, tussen de 85 en negentig procent). Met andere woorden: in Nederland is in een kleine twintig jaar een extra kwart van de potentiële vrouwelijke arbeidskrachten aan het werk gegaan. Dat is vooral zichtbaar bij de lagere en middeninkomens. Hoger opgeleide vrouwen (die in de regel ook meer verdienen) werkten altijd al meer, ongeveer net zo veel als mannen. Het zijn de groepen daaronder die een inhaalslag hebben gemaakt. Hier ligt ook meteen de verklaring waarom meer werkende vrouwen de ongelijkheid remmen: met name de kleinere gezinsinkomens worden hierdoor omhoog getild waardoor ze een stapje dichter bij de grootverdieners komen.

Het egalitaire ideaal wordt hiermee een dienst bewezen, maar afgezet tegen gelijk gebleven ongelijkheid is het resultaat toch mager. Honderdduizenden vrouwen hebben de stap gezet van onbetaald naar betaald werk en het beste wat daarmee kon worden gekocht is dat de inkomensverschillen niet verder toenemen. Al die gewerkte uren gaan dus zitten in het behoud van positie op de inkomensladder, en hebben in het totaal niet gezorgd voor vooruitgang.

Ook dit is een trend. In The Squeezed Middle: The Pressure on Ordinary Workers in America and Britain beschrijft onderzoeker Sophia Parker dat de toename van het aantal gewerkte uren per huishouden niet leidde tot meer luxe. Door stagnerende lonen van mannen is de bijdrage van de vrouwen aan het gezamenlijk goed noodzaak geworden. Parker wordt geciteerd door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in haar rapport De val van de middenklasse? De wrr concludeert dat de middenklasse er over het algemeen in slaagt haar welvaart op peil te houden, maar daarvoor wel harder moet werken. ‘Hollen om stil te staan’, in de woorden van Salverda, die meewerkte aan het wrr-onderzoek. En het blijken vooral vrouwen die op de tredmolen erbij zijn gezet.

Wie met deze blik nog eens naar de platte ongelijkheidscurve kijkt ziet ineens iets anders: ons beeld van Nederland gelijkheidsland is te danken aan de vergrijzing en is deels gekocht met arbeidsparticipatie van vrouwen. Het eerste is een demografische toevalstreffer die gunstig uitpakt in de gelijkheidsstatistieken. Het tweede zou de ongelijkheid eigenlijk moeten doen afnemen in plaats van enkel gelijk houden. Bovendien geeft dit aanleiding tot zorgen voor de toekomst. Op een gegeven moment bereikt het aantal uren dat een gezin extra kan werken om bij te blijven een plafond. Dan zal de remmende werking op groeiende ongelijkheid verdwijnen.

Er bestaat een alternatief voor dit systeem van achteraf de inkomensverschillen repareren: meer loon voor de lagere en middeninkomens. ‘Predistributie’ wordt dit ook wel genoemd, een technische term voor het gegeven dat als de inkomens aan de onderkant harder of net zo hard stijgen als aan de bovenkant de ongelijkheid kleiner wordt. Niet toevallig pleiten onder andere De Nederlandsche Bank en het imf voor loonstijging. De middenklasse in Nederland dreigt gefrustreerd te raken omdat haar inkomens praktisch stilstaan, waarschuwde imf-voorzitter Christine Lagarde onlangs. Noem het een erkenning dat gevoel in dit geval een betere leidraad is dan statistiek.