Essay: wat ging er mis? (Groene-lezing II)

Wat ging er mis tussen man en vrouw

Een van de grote universele problemen is de relatie tussen man en vrouw. Elke cultuur en elke religie heeft daar weer iets anders voor verzonnen. Volgens Jaap van Heerden, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Amsterdam, biedt de evolutionaire psychologie verrassende perspectieven. Deel II in de Groene-lezingenreeks: wat ging er mis?

Door de overkoepelende titel van de beken de lezingen cyclus Wat ging er mis met… hangt er een waas van pessimisme over de vraag hoe het thans staat met de betrekking tussen man en vrouw. Dat pessimisme is niet in alle opzichten gerechtvaardigd. Hoe de betrekking er voor staat hangt af van het antwoord op de vraag of er vervelende verschillen zijn tussen man en vrouw, of die verschillen berusten op een ongelijke verdeling van de macht, of die ongelijke verdeling geminimaliseerd kan worden met behoud van de aardigheid in dit leven of dat die ongelijkheid onvermijdelijk want natuurlijk is, en ten slotte of die ongelijkheid in ruimer multicultureel verband juist gerespecteerd moet worden. Wij zullen zien.

De geschiedenis van de westerse cultuur toont een moeizame emancipatie van de vrouw. Daar moeten wij niet gering over denken, omdat de ongelijke appreciatie van de man en de vrouw werd gezien als een intellectuele verworvenheid van allure. Philo van Alexandrië zag aan het begin van onze jaartelling de man als aanduiding van het goddelijke en de vrouw als aanduiding van het aardse. Hoog versus laag. De man is een teken van het goddelijke, ongeveer zoals een enorme voetafdruk in de sneeuw van het Himalaya-gebergte een teken is van de verschrikkelijke sneeuwman. Het zien van een verschil is dus een kwestie van ontologische opmerkzaamheid. De gedachte van Philo werkte door tot in de twintigste eeuw en ondervond geen of nauwelijks correctie. Nog in 1958 schreef F.J.J. Buytendijk in zijn bekende Aulapocket De Vrouw, haar natuur, verschijning en bestaan: «(…) fenomenologisch zien wij in de vrouw de verwantschap met het ‹laagste› leven, de onbewustheid van het gewas als een deelname aan de zuiverste demonstratieve zijnswaarde der natuur; een verwantschap met de bloemen, de ‹lilia agri›, die niet arbeiden, maar zorgeloos bloeien en morgen verwelken».

Over dat boek kon je bij professor F.J.J. Buytendijk tentamen doen. Logisch gezien komt dit inzicht neer op het toekennen van een verborgen strekking aan het lidwoord. De vrouw betekent eigenlijk De vrouw in essentie. Een uitspraak over de vrouw is iets anders dan een uitspraak over alle vrouwen. Want een uitspraak over alle vrouwen kan in principe weerlegd worden door het vinden van een tegenvoorbeeld, dat de aanspraak op universele geldigheid tenietdoet. Maar dat kan met de stelling van Buytendijk niet. Die stelling is immuun voor een tegenvoorbeeld. Else Barth, tot voor kort hoogleraar in de filosofische logica in Groningen, heeft de manier van redeneren zoals hier weergegeven in diverse publicaties haarscherp en vernietigend geanalyseerd. Alleen al daarvoor verdient zij de Annie Romein-Verschoorprijs, als die prijs nog bestaat. Je kunt met een gerust hart zeggen dat aan deze metafysische onredelijkheid een einde is gekomen, en daarmee is veel bereikt. Maar bestaat er dan geen verschil meer in de behandeling en waardering van man en vrouw? Gezien de roep om permanente waakzaamheid kennelijk wel. Er blijken steeds weer verschillen tussen man en vrouw, en de vraag is natuurlijk wat je daarmee doet.

Een simpel maar hardnekkig gegeven is dat mannen meer dan vrouwen een door het toeval bepaald succes aan hun eigen capaciteiten toeschrijven en hun persoonlijk falen aan de toevallige omstandigheden. Mannen kunnen daarin heel kinderachtig zijn. Denk aan het dobbelspel als paradigmatisch geval van dit verschijnsel. Bij het gooien van de dobbelstenen wordt een begeerde uitkomst door mannen aan hun persoonlijk vermogen toegeschreven. Althans, veel vaker dan door vrouwen. Een man kan meestal de neiging niet onderdrukken in voorkomende gevallen even op zijn eigen voortreffelijkheid te wijzen. En als de man ongelukkig gooit, ligt dat aan het tafelblad. Allicht. De vraag is natuurlijk waarom mannen dat doen. Zij moeten kennelijk veel meer hun status beschermen en voorlopig nemen wij maar aan dat dat een cultureel bepaald fenomeen is.

Als ik op mijn werk in de kantine een bekertje melk ga halen, zit er soms iemand achter de kassa die de merkwaardige neiging heeft alles wat je koopt te benoemen. Die persoon zegt voor zichzelf, eerder dan voor iemand anders «melkie, melkie» bij het afrekenen. Ik erger mij daaraan. Bij terugkomst op mijn eigen verdieping vertel ik dat aan mijn collega’s en vraag meteen: «Denk jij nu dat het hier gaat om een vrouw of een man?» Al mijn proefpersonen weten zeker dat het hier om een vrouw gaat. Vrouwen voegen hier spontaan aan toe dat zij zelf niet zo zijn. Zouden vrouwen een inniger relatie hebben tot de dingen, en wat moeten wij daar nu weer van denken?

Een gelijke behandeling van man en vrouw gaat ons van nature niet gemakkelijk af en dat blijkt vooral uit de krampachtigheid waarmee wij mogelijk discriminatoir woordgebruik proberen te vermijden. Hier ontbreekt een vorm van benign neglect. Als wij in algemene bewoordingen over een verschijnsel willen schrijven, bijvoorbeeld «De mens als intuïtieve statisticus» neigen wij ertoe tijdens het betoog steeds over een onbepaalde «hij» te praten als wij het over die intuïtieve statisticus hebben. Alsof vrouwen er niet toe doen. Daarom zeggen veel auteurs direct al in het voorwoord dat je overal waar «hij» staat natuurlijk ook «zij» mag lezen. Want zij zijn bang voor de feministische actievoerders die ervoor kunnen pleiten dat het boek verboden wordt. Ik vind dat vaak een beetje dwaas en ik geloof ook niet dat een gelijke distributie van het persoonlijk voornaamwoord in zijn twee geslachtelijke varianten de samenleving aantoonbaar goed doet. Bovendien valt het mij op dat deze eis tot evenwichtige afwisseling van de mannelijke en vrouwelijke persoonsvorm alleen gesteld wordt bij min of meer prestigieuze rollen. Ik ben nog nooit een vrouw tegengekomen die verdrietig was omdat historici ongemerkt in de mannelijke persoonsvorm doorgaan als zij het over de fascist hebben of de politieke psychopaat. Het is ook vaak niet duidelijk wat het eindpunt moet zijn.

Ik vond het indertijd goed dat mannen die het huishouden gingen doen huisman genoemd werden. Je had dus huisvrouw en huisman als gelijkwaardige aanduiding van een eerzaam beroep. Maar de leden van het huidige kabinet praten in een vlaag van politieke correctheid over zichzelf en de andere ministers als bewindspersoon, terwijl wij al beschikten over het respectabele koppel van bewindsman en bewindsvrouw. Kunnen wij binnenkort de introductie van huispersoon verwachten? Van mij hoeft dit allemaal niet. Je kunt gewoon het beste zeggen wie je bent. Ernstiger is het probleem van de huidige christenen, die werken aan een nieuwe bijbelvertaling. Terwijl bij de aanvang van het karwei beloofd was geen «exclusief taalgebruik» toe te laten, is als aanduiding van God toch gekozen voor «de Heer». Daarmee vallen de vrouwen buiten de boot. De enige oplossing hiervoor lijkt mij te zijn een andere religie te verzinnen, gegeven het feit dat alle religies vrije scheppingen zijn van de menselijke geest.

Vrouwen zijn in sommige beroepen hopeloos ondervertegenwoordigd en ook dat lijkt mij een cultureel gegeven dat niets te maken heeft met de vrouwelijke aard. Het blijkt dat geen van de onderhandelaars die de Verenigde Naties in dienst heeft van het vrouwelijk geslacht is. Dat moet veranderen. Maar wat zegt nu Sienie Strikwerda van het voormalige Komitee Kruisraketten Nee over deze kwestie? Zij zegt: «Door een lange geschiedenis van moeten luisteren en niet deel uitmaken van de machtsstructuren hebben vrouwen hun luisterinstinct beter ontwikkeld dan mannen en benaderen ze zaken anders.» Deze observatie stelt ons voor problemen, want het ontwikkelen van een beter luisterinstinct door de generaties heen kan alleen betekenen dat vrouwen met een goed luisterinstinct door de evolutie bevoordeeld werden. Hier krijgt de culturele antropologie, die zich toelegt op een maatschappelijke verklaring van het verschil tussen man en vrouw, plotseling concurrentie van wat ik maar gemakshalve de evolutionaire psychologie zal noemen. Misschien dat Sienie Strikwerda er geen probleem mee heeft, maar voor velen is het weinig aantrekkelijk dat de evolutionaire psychologie ertoe neigt alle opgemerkte verschillen tussen mensen te onderzoeken op de mogelijkheid dat ze van nature gegeven zijn. Dan moet je er het evolutionaire belang van aantonen en daarmee lijken die verschillen onvermijdelijk.

Vaak is de redenering een beetje gemakzuchtig maar niet ondoorzichtig. Zo zegt een evolutionair psycholoog dat vrouwen op hun gemak kunnen kiezen met welke man zij nageslacht willen en zij kunnen daar ook betrekkelijk zeker van zijn. Mannen daarentegen moeten maar hopen dat het nageslacht dat hen wordt toegeschreven werkelijk van hen is. De beste manier om je van enig nageslacht te verzekeren, is voor de man: nemen wat je kunt krijgen. De Amerikaanse psychologen Clark en Hatfield lijken dat te kunnen bevestigen. Zij lieten mannelijke studenten benaderen door een aantrekkelijke vrouw en vrouwelijke studenten door een aantrekkelijke man met een van de drie volgende opmerkingen: «Je bent mij tijdens het college opgevallen. Zou je een keer met mij uit willen?» Of: «Kom je mee naar mijn kamer?» Of: «Zullen we vrijen?» Op de eerste variant reageren mannen en vrouwen gelijkelijk : vijftig procent gaat op het aanbod in. Op de tweede variant reageert slechts zes procent van de vrouwen positief tegen 69 procent van de mannen. Op de laatste variant is het percentage vrouwen dat instemt teruggelopen tot nul, terwijl het percentage mannen stijgt tot 75. Van de resterende 25 procent verontschuldigt de meerderheid zich door te wijzen op belemmerende omstandigheden.

Er is veel aan te merken op de evolutionaire psychologie, methodologisch en inhoudelijk, hoewel ze ook verrassende perspectieven biedt. In dit verband is het nuttig te bedenken dat de evolutionaire psychologie geen oordeel velt over de wenselijkheid van het gedrag en dat de cultuur die wij hebben ontwikkeld vrijwel geheel bestaat uit bestrijding van de natuur. Een van de culturele verworvenheden is de bestrijding van wreedheid.

Vrouwen zijn over de gehele wereld slachtoffer van agressie en geïnstitutionaliseerde wreedheid. In de Verenigde Staten wordt elke vijftien seconden een vrouw ernstig mishandeld en per etmaal worden tweeduizend vrouwen verkracht. Honderd tot 140 miljoen Afrikaanse en Zuid-Aziatische vrouwen zijn besneden omdat de traditie het wil: schaamlippen weggesneden en de vagina dichtgenaaid. Over de gehele wereld genomen is de positie van de vrouw nauwelijks verbeterd, en het is vanuit ons westers perspectief ook niet duidelijk wat je eraan zou kunnen doen. Mensje van Keulen zei over haar bezoek aan Pakistan in een interview in Het Parool van 3 februari 2001: «Ik heb er een flinke cultuurschok opgelopen. (…) Die armoede, je krijgt het gevoel dat in dat land de mensen al halfdood zijn, verminkt, alleen maar bezig om nog wat voedsel bij elkaar te scharrelen. En als vrouw mag je niks, je betekent niets, voor jou een ander, je kunt net zo goed dood zijn. Zoveel vrouwen worden vermoord, zoveel vrouwen plegen zelfmoord; het is verschrikkelijk wat er in een dergelijk land gebeurt, en wat komt daarvan nou naar buiten. (….) Een aantal dwazen daar wil terug naar de Middeleeuwen. Daar moet je hier toch niet aan denken, aan zo’n vorm van islam.» En op de vraag of je niet mag hopen dat vrouwen zich daar tegen gaan verzetten, zegt Mensje van Keulen: «Ze ontkennen het eerder; uit angst en uit schaamte, denk ik, omdat je toch familie bent van al die mannen die dat voor je bedacht hebben. Het is je eigen vlees en bloed.»

Het pessimisme dat hieruit spreekt is overweldigend, maar ik vermoed dat de situatie nog beroerder is dan de schrijfster denkt. Zij is zo verlicht dat zij kan zeggen dat mannen deze positie voor vrouwen bedacht hebben. Dat is natuurlijk zo, maar met dit idee moet je bij de meeste mannen niet aankomen. In het algemeen zijn mensen niet bereid te aanvaarden dat zij de inrichting van dit leven zelf bedacht hebben. Zij durven daar niet eens rechtmatig trots op te zijn. Alle instituties zijn menselijke verzinsels. Dat kan niet anders. Ik denk dat je in alle redelijkheid kunt zeggen dat de problemen waar het leven je voor stelt universeel zijn maar de oplossingen voorlopig en betrekkelijk willekeurig. Tot die universele problemen behoort ook de relatie tussen man en vrouw. Elke cultuur en elke religie heeft daar weer iets anders voor verzonnen en ze ontkennen allemaal dat ze het verzonnen hebben. Dat is op zich een vondst. Ook het idee dat die oplossingen ons zijn geopenbaard en onaantastbaar zijn is een menselijke trouvaille. Daardoor kun je die oplossingen niet bespreken, of rangordenen, op kwaliteit beoordelen en verbeteren. Deze zelf opgelegde handicap zal ons in de multiculturele samenleving nog voor grote problemen stellen. Voor de vrouw moet je hopen dat betrekkelijkheid het wint van absolutisme.