Atjeh verscheurd door woede en verdriet

Wat God ons geeft

Terwijl de berging van de ontelbare lijken in Atjeh in volle gang is, foeteren de nabestaanden op de aloude vijand, de regering van Indonesië. «De Javanen hadden het zich niet beter kunnen wensen.»

BANDA ATJEH – Dinsdag, de tweede dag na de zeebeving in de Indische Oceaan, vliegt Ibu Aceh van Jakarta naar Banda Atjeh om haar ouders en kinderen te zoeken. De vrouw weet niet wat haar te wachten staat, maar vreest het ergste. In het vliegtuig haalt ze een pamflet met koranverzen uit haar tas. «Kijk, hier staat het geschreven: wij hebben maar te accepteren wat God ons geeft.» ’s Nachts om drie uur, aangekomen op het vliegveld, is de lucht van de dood als een klap in het gezicht. Onderweg naar de binnenstad ontwijkt de auto de lijken die in het licht van de koplampen op straat verschijnen.

«Atjeeërs zijn gehard. We zijn keihard. We zijn niet zoals die Javanen», zegt de vrouw in de auto. «U weet toch dat de Hollanders ons nooit hebben weten te verslaan?» De absurditeit van deze opmerking te midden van de grootste natuurramp sinds mensenheugenis ontgaat de vrouw. Haar karakteristieke trots staat enige realiteitszin tijdelijk in de weg.

Ondanks haar eerdere woorden barst ze in tranen uit wanneer ze haar familie thuis in leven aantreft. Andi, haar zoon van 24 jaar, is getraumatiseerd. Hij duikt in de armen van zijn krijsende moeder. «Allah zij geprezen», roept ze uit. Haar vader zit stil in een hoek tegen zichzelf te praten. «Allah akbar!» roept hij plotseling uit: Allah is groot. Haar moeder klaagt over de verwondingen aan haar been waardoor ze niet meer kan lopen. De her eniging van het gezin leidt tot een urenlange huilzang.

Ibu Aceh is vermogend. Nu iedereen terecht is heeft haar gezin nog wel een toekomst perspectief. Dat geldt niet voor het tiental ontheemden dat in het huis een schuilplaats heeft gevonden. Een van hen vertelt met een strak gezicht dat hij zijn vrouw en drie kinderen heeft verloren. Hij vervloekt de regering dat er geen waarschuwing is afgegeven na de aard beving op tweede kerstdag. Dan had hij zijn gezin in ieder geval voor de latere vloedgolf kunnen redden. Maar zelfs als er een waarschuwing was geweest hadden de meeste mensen niet aan de vloedgolf kunnen ontkomen. Het epicentrum van de aardbeving lag voor de westkust van Atjeh. De vloedgolf volgde te snel.

Stoïcijns lopen de Atjeeërs tussen de lijken van hun stadgenoten. Duizenden lichamen worden elke dag opnieuw uit de ingestorte gebouwen gesleept. Overlevenden lachen zenuwachtig wanneer de eerste buitenlandse journalisten hen benaderen voor enkele vragen. De schaamte van de vreemdelingen lijkt bijna misplaatst. De lokalen zien er het onbeschaamde niet van in. Ze wijzen vrijwel onverschillig naar nog een stoffelijk overschot met de angstaanjagende uitdrukking van een gruwelijke dood op het gelaat. «Kennen deze mensen dan geen emoties?» vraagt een buitenlandse verslaggever. Zonder huilende mensen lijkt de ramp bijna onwerkelijk.

Niet gehinderd door de alomtegenwoordige dood zoeken overlevenden tussen het puin naar bruikbare spullen. De jacht op voedsel , keukengerei, dekzeil en matrassen is geopend. Alles wordt weggesleept om maar te overleven. Militairen worden ingezet om plunderaars tegen te gaan, maar een kapotgeslagen pinautomaat is al leeggeroofd. Geruchten gaan dat de sieraden van lijken worden gehaald. Om gouden ringen te bemachtigen zijn de vingers van sommige lichamen afgehakt.

In haastig opgetrokken opvangkampen schuilen mensen onder dekzeilen wachtend op hulp. Een vrouw schreeuwt het uit van de pijn, maar heeft op het oog geen verwondingen. Ze klampt iemand aan die een zak met kleren komt brengen. «Mijn nierstenen spelen op. Ik heb al dagen niet kunnen plassen. Kunt u me niet naar het ziekenhuis brengen?» smeekt ze. De man weet zich geen raad. «Ik kan u niet helpen», antwoordt hij schamper en hij schudt de zak leeg. De ontheemde mensen stormen erop af en grissen de kledingstukken weg.

Een Atjeese vrouw en haar broer die in Qatar als gastarbeider werken, zijn teruggekomen om hun zus te zoeken. Met een wezenloze blik lopen ze verloren tussen de puinhopen van de noordelijke haven van Banda Atjeh. «Hier ergens moet mijn zus zijn geweest toen het gebeurde», zegt ze. Voorzichtig bestuderen ze het stoffelijk overschot van een vrouw in de hoop de zus aan de hand van een armband of ander sieraad te kunnen herkennen. Met een stok lichten ze de hand van het lichaam op en beslissen dat ook dit hun zus niet kan zijn. «We zouden haar zo graag willen begraven om afscheid te kunnen nemen», zegt de man. «Dat is onze plicht.»

Het dodental loopt elke dag met sprongen op. Spraken de autoriteiten eerst nog van vijfduizend doden, vijf dagen later is de verwachting dat meer dan honderdduizend mensen de dood hebben gevonden. De nationale regering besluit de slachtoffers niet langer te tellen, omdat de inlichtingen niet volledig zijn. In de vele vissersdorpen die van de aardbodem zijn weggevaagd zijn duizenden doden al in stilte begraven zonder dat de autoriteiten daarover zijn ingelicht. Misschien dat er later een officieel dodental kan worden opgemaakt. Als het aantal overlevenden van het vroegere bevolkingscijfer wordt afgetrokken zal het bij benadering wel kloppen, is de veronderstelling.

De militaire opruimingsdienst houdt de aantallen evenmin bij. Een commandant blaft orders naar zijn soldaten wanneer ze aan de kust ten zuidwesten van de hoofdstad weer een moskee vol lichamen aantreffen. De lijken zijn in staat van ontbinding. Een vrouwelijk slachtoffer moet een vroeggeboorte hebben gekregen. Wanneer de soldaten haar op een plastic zeil rollen verschijnt het levenloze lichaam van een baby. «Opvouwen! Dichtvouwen dat plastic», schreeuwt de commandant. De soldaten werken onverstoord verder. Gevraagd hoeveel lijken hij vandaag op zijn vrachtwagen heeft geladen, haalt de commandant zijn schouders op. «We laden gewoon door totdat we vol zitten.»

Met bulldozers en graafmachines worden massagraven aangelegd. Maar er valt niet tegenop te graven. Zes dagen na de ramp liggen de hoofdstad en het hele kustgebied ten westen nog bezaaid met lijken. De lichamen zijn inmiddels opgeblazen en zwart gekleurd. De zoetweeë stank is ondraaglijk. Het komt niet in de mensen op de lijken te verbranden. «Weet u dan niet dat dat niet mag volgens de islam», zegt een man voor Pasar Aceh, de overdekte marktplaats in het centrum van de stad waar de mensen als ratten in de val gevangen hebben gezeten.

Een reddingsteam dat uit Dubai is ingevlogen, zoekt met honden naar vastzittende overlevenden. De mannen, gestoken in witte pakken, helmen en mondkapjes voorzien van een sterke menthollucht, verbazen zich over de houding van de toonaangevende islamitische schriftgeleerden van Indonesië. Naast de noodhulp zou de verbranding van de duizenden lichamen de hoogste prioriteit moeten hebben. De voorman wijst op een nabijgelegen lijk dat is aangevreten door maden en sporen toont van witte eitjes. «Wat denk je dat er gebeurt als dit niet snel wordt opgeruimd? De uitgekomen muggen zullen een epidemie van malaria en knokkelkoorts veroorzaken. Om nog maar niet te spreken over een dreigende uitbraak van cholera. Je kunt de tweede ramp al zien aankomen.»

«De islam schrijft voor dat lijken verbrand worden als er sprake is van een plaag of epidemie», zegt de voorman van het reddingsteam. Maar de mensen durven dat niet aan. Ze willen hun doden begraven, anders vrezen ze hun leven lang te zullen worden achtervolgd door spoken. Net als elders in Indonesië bestaat ook in deze provincie een hardnekkig geloof in geesten. «De hoogste imam van het land zou dat publiekelijk moeten weerleggen. Maar ze zeggen helemaal niets, ze doen helemaal niets», zegt de voorman.

Een gepensioneerde Atjeese onderwijzer heeft daar wel een verklaring voor. «De Javanen hadden het zich niet beter kunnen wensen. De provincie wordt in een keer schoon gebezemd», zegt hij cynisch. «Wat is nou mooier dan zonder enige moeite in een klap van ons af te zijn? En als de aardbeving daar nog niet voor heeft gezorgd, dan maakt een epidemie het karwei wel af.»

Atjeh voelt zich verraden. De lakse houding van Jakarta daags na de ramp heeft kwaad bloed gezet. Maar de verhouding tussen de centrale regering en de provincie is nooit goed geweest. Atjeh is rijk aan natuurlijke bodemschatten. De economische belangen zijn allesbepalend. De gas- en oliewinning genereren een groot deel van het nationale inkomen. De provincie huisvest belangrijke cement- en kunstmestfabrieken die – veelal in het oosten gelegen – grotendeels onbeschadigd zijn. Maar de lokale bevolking klaagt dat er van de inkomsten te weinig terugvloeit. Bovendien zorgt een clandestiene handel van het leger ter plaatse voor een aanzienlijk deel van het budget van het defensieapparaat. Het zou de belangrijkste reden zijn voor de militairen om in Atjeh aanwezig te willen zijn.

Al sinds de jaren zeventig strijden Indonesische regeringstroepen tegen de rebellen van de separatistische beweging GAM. Vorig jaar werd de grootste militaire operatie gelanceerd. Hoewel het leger elke gedode Atjeeër als rebel aanmerkte, schatten non-gouvernementele organisaties in dat er honderden burgers zijn omgekomen bij het offensief. De staat van beleg werd eerder dit jaar teruggeschaald tot een civiele noodtoestand. Bij zijn aantreden in oktober verkondigde president Susilo Bambang Yudhoyono dat hij met een oplossing zal komen voor het conflict en voor verzoening zal zorgen. Gezien het verscherpte wantrouwen onder de Atjeese bevolking lijkt die ambitie nu vrijwel onrealiseerbaar. «De GAM had geen universele steun in Atjeh, maar nu slaagt Jakarta erin om van ons allemaal rebellen te maken», zegt de oude leraar, die trots toevoegt ooit op de Hollandsche Indische School te hebben gezeten.

Dat het Jakarta meer dan een dag kost om te onderkennen dat het buitenlandse hulp moet inroepen, leidt ook bij de internationale gemeenschap tot grote verontwaardiging. Ondanks de noodtoestand houden de autoriteiten vast aan bureaucratische procedures. Landingsvergunningen voor vliegtuigen met noodgoederen worden traag toegekend. Veel Atjeeërs vermoeden dat de regering bang is dat de rebellen hun kans schoon zien om wapens binnen te smokkelen. Anderen veronderstellen dat de centrale regering vreest voor een te grote bemoeienis van het buitenland. «Jakarta is nog altijd getraumatiseerd door het verlies van Oost-Timor in 1999», zegt een diplomaat die niet met naam genoemd wil worden. Dat het referendum onder toezicht van de Verenigde Naties destijds resulteerde in een massale stem voor onafhankelijkheid wordt door veel politici geweten aan beïnvloeding van buitenaf. «Als het drama van tweede kerstdag leidt tot een internationalisering van het vraagstuk Atjeh zou dat pas echt een ramp zijn voor Jakarta.»

President Susilo brengt met cameraploegen per helikopter troostbezoeken aan het getroffen gebied. Nationale televisiezenders meten zijn medeleven breed uit. Een nationale inzamelingsactie onder het motto «Indonesia Nangis» (Indonesië huilt) wordt op televisie gelanceerd met schokkende beelden uit het rampgebied in combinatie met dramatische muziek. Maar veel lokalen spreken er schande van. Atjeh koos bij de eerste directe presi dentsverkiezingen van Indonesië op 20 september overwegend voor Susilo. «Maar we hoeven van hem ook niets meer te ver wachten», zegt een Atjees kaderlid van Susilo’s Partai Demokrat.

Na enkele dagen bindt Jakarta in. Militaire vliegtuigen uit het buitenland krijgen vrij spel. Australische soldaten nemen een ziekenhuis in Banda Atjeh in beslag om gewonden van medische hulp te voorzien. Het Amerikaanse vliegdekschip USS Abraham Lincoln stoomt op tot voor de kust van de getroffen provincie. Seahawk-helikopters vliegen af en aan tussen het moederschip en het rampgebied om goederen te droppen en gewonden mee te nemen.

De Amerikanen spelen een heldenrol. Journalisten melden zich aan om met de helikopters mee te mogen naar het rampgebied langs de westkust. «Elke journalist neemt de plaats in van honderd kilo hulp», zegt de commandant. «It’s journalists for butter.» Een Ierse verslag gever scheldt hem de huid vol als hem wordt verteld dat hij die dag niet meer op een vlucht mee kan. «Weet je wat je me aandoet? Ik heb hier de hele dag gewacht», schreeuwt de man. «Als je aardig tegen me doet mag je misschien morgen mee», antwoordt de Amerikaan lachend.

Een week na de ramp wemelt het van de buitenlandse journalisten in Banda Atjeh. De residentie van de gouverneur – die twee maanden geleden werd gearresteerd op verdenking van corruptie – is ingericht als mediacentrum. Er is gratis eten en water en er zijn telefoonlijnen. Maar de verslaggevers van de grote kranten en networks vinden het eten niet lekker. «Wat is het verhaal?» vragen ze aan elkaar. «De honderden lijken die in delen van de stad nog altijd op straat liggen? Nee, daar zijn de mensen thuis nu wel mee doodgegooid.» De opdrachtgevers willen zogenaamde micro verhalen. Reportages over mensen die een origineel verhaal hebben te vertellen. Maar wat zouden de kijkers nu nog willen zien over de plaats die een week eerder in een armageddon is veranderd?

Vanaf het weggevaagde vissersdorp Alunaga kijkt de garnalenvisser Sudirman uit op het Amerikaanse vliegdekschip. Niemand kan hem helpen. Hij was met zijn kleine boot op zee toen de aardbeving begon. «Het water werd van het strand weggetrokken en begon om mijn boot te kolken. Ik ben op hoop van zegen zo snel mogelijk verder van de kust af gevaren. De zee zwol aan en raasde terug naar het land. Ik zag hoe de gigantische golven over mijn dorp heen sloegen.»

Na urenlang op zee te hebben gewacht, verzamelde Sudirman de moed om weer aan wal te gaan. Van zijn dorp was niets meer over. Hij verloor zijn vrouw en kind van anderhalf. «Mijn zoon kon net zijn eerste woordjes zeggen», zegt hij met trillende stem. «Inshallah. Als God het wil, hebben wij het maar te accepteren.»