Interview met Foppe de Haan

‘Wat goed is moet je beter maken’

Kampioenscoach Foppe de Haan van Jong Oranje wil geen uitknijper zijn, ‘zo’n trainer die na twee jaar moet maken dat hij wegkomt’. Je moet gewoon ‘voetbalstof ontwikkelen’.

Foppe de Haan, tot 2004 trainer van SC Heerenveen en sindsdien van Jong Oranje, waarmee hij de afgelopen twee jaar Europees kampioen werd, zit thuis in zijn werkkamer. Hem wordt regelmatig gevraagd om het ook over andere zaken te hebben, over politiek en maatschappij. Hij gaat er te vaak op in, vindt hij. Voetbal is zijn leven. Dus laten we over voetbal praten

Hoe is de opleiding tot voetbaltrainer in de loop van de tijd veranderd?

Foppe de Haan: ‘Nederland is misschien met Duitsland het land waar het langst, sinds de vroege jaren zestig, een gestructureerde trainersopleiding bestaat. Het vak bestond destijds uit gescheiden onderdelen: conditietraining was apart van het voetbal zelf, techniektraining – koppen, trappen, passeren – ook apart, tactiek en partijspel idem. Alles in aparte examenonderdelen. Onze voetbalmethodiek was sterk Duits georiënteerd. We gingen ervan uit dat je allerlei los van elkaar staande stappen moest afleggen. Je begon niet met onderdeel F voordat je A had. Dus alles sterk gescheiden en gebaseerd op theoretische opvattingen. Eerst duurwerk, dan individuele techniek, dan één tegen één, dan samenspel, dan positiespel, dan afronden et cetera. Zo stond het in de boekjes. Het denken was niet vanuit voetbal maar vanuit de methodiek.

In het onderwijs was dat ook zo, vakken waren apart van elkaar. Pas later zocht men in de voetbalmethodiek naar een geïntegreerde visie. Ik heb die ontwikkelingen nog meegemaakt, aan de wieg gestaan, ik ging vrij snel de cursussen in het noorden geven. Voetbal staat niet los van maatschappelijke ontwikkelingen, hoor, ook nu niet. Bij het examen moet je nu onder meer een wedstrijd analyseren, dat en dat is slecht, dat en dat is goed en vervolgens aangeven hoe je een training daarop kunt enten. Hoe je het team dus op de volgende wedstrijd moet voorbereiden.’

Deed u het trainerswerk naast uw gewone werk?

‘Ja, in het begin wel, ik was overdag gymnastiekleraar, ’s avonds en in het weekend trainer en opleider van voetbaltrainers. Ook toen ik later bij het Cios docent werd, deed ik het trainen erbij. Dat veranderde pas toen trainen mijn hoofdwerk werd. Ik bleef lang les geven aan voetbaltrainers. Ik leerde er ook van, werd gedwongen over het vak na te denken, maar op een gegeven moment dacht ik: daar heb je die man weer die altijd gelijk heeft en alles beter weet, dat was ik dus, daar kreeg ik genoeg van. Je leest wel eens dat trainers nooit twijfelen, nou, dat lijkt me sterk, ik twijfel heel vaak, er leiden nu eenmaal veel wegen naar Rome. Je moet wel dat doen wat het beste bij jou past, dat herkennen spelers. Als je dingen doet die niet bij je passen, dan zien spelers dat gelijk, dat schiet niet op. Zelf training geven is het mooiste. Af en toe geef ik nog wel lezingen of voorbeeldtrainingen, dat hoort erbij. Je moet doorgeven wat je weet.’

Is training van topspelers niet steeds meer geïndividualiseerd?

Foppe de Haan: ‘Ja, dat is zo, maar er zitten problemen aan. Een rechtsback krijgt een andere training dan een spits, maar je kunt op positie en specialiteit trainen wat je wilt, je moet toch altijd weer terug naar de wedstrijd. Het gaat erom hoe het individu zich verhoudt tot het team, een spits heeft weinig aan een geïsoleerde training. Een spits is niet alleen op de wereld, techniek moet bovendien geen kunstje worden, het gaat om het rendement van een actie. Nu staat een training dichter bij de werkelijkheid dan vroeger. Veel ballast is weggestreept, dat zie je in het onderwijs ook. Je moet natuurlijk wel weten wat je wilt en hoe je wilt spelen, daarop moet je je training richten. Het zit ’m niet in voortdurend variëren van de oefenstof. Spelers hebben behoefte aan duidelijkheid en herkenbare dingen, elk mens, denk ik. Dit is mijn positie, dit is mijn taak, dit wordt van mij verwacht en daar trainen we zo en zo op. Bij Jong Oranje ligt dat anders. Ik zie de jongens altijd maar kort, maar ook daar streef ik naar helderheid en herkenbaarheid. Groot verschil met onderwijs is natuurlijk dat je daar ook nog moet opvoeden, bij topsport hoeft dat niet.’

Toch bent u ook altijd een opvoeder.

‘Ja, dat is waar, ik voed nog steeds altijd een beetje op. Dat is dan weer iets wat bij mij hoort, dat is niet zo erg, vinden spelers ook niet erg, als je er maar duidelijk over bent. Ik denk dat ook voor spelers maatschappelijke kennis van betekenis voor hun vak kan zijn. Op school heb je dit soort debatten ook. Moet je ze alleen aardrijkskunde en geschiedenis geven, of moet je ze ook leren samenwerken? Maar in ieder geval moet je in het onderwijs helder zijn over je bedoelingen. Je moet duidelijk weten te maken dat leerlingen zowel goed als minder goed in dingen zijn. Dat hoort bij hun levensfase. Daar moet je dus aan werken, net als bij voetbal. Dat geeft zelfvertrouwen en daar gaat het om. Een voetballer met zelfvertrouwen functioneert beter, hetzelfde geldt voor een leerling op school.’

Hoe maak je spelers beter?

‘Ik ging bij Heerenveen uit van een analyse van de spelers. En dan probeerde ik via individuele gesprekken tot een trainingsopbouw te komen. Ook bij Jong Oranje kijk ik wat goed gaat en wat minder of slecht. Dan maak ik afspraken ter verbetering. Wat echt erg slecht ging, daar begon ik nooit mee, want spelers krijgen dan de neiging te veel na te gaan denken, dan gaan ze gek doen, ook op terreinen waar het wél goed gaat. Het gaat vooral om die middengebieden, daar waar het net slechter gaat. Wat goed is moet je beter maken, en wat net iets minder goed is moet je goed maken. Zo werkt het.

Bij Jong Oranje gaat het in principe net zo. Ik begin vaak met te vragen hoe spelers zichzelf zien. Wat is hun zelfbeeld? Er zijn er bij die vinden zichzelf slechter dan ze echt zijn, ook bij Jong Oranje, die moet je een duw in de rug geven, die laat ik videobeelden zien van acties en dan zeg ik: moet je kijken hoe goed je dat doet. Je moet ze leren een correct zelfbeeld te krijgen, want dan kun je met ze werken. Ze moeten zelf iets willen verbeteren. Er zijn er ook bij die denken dat ze in alles goed zijn, dat is ze aangepraat door vrienden, ouders en vroegere trainers. Als dat zo is moet hij snel veranderen, hij moet een reëel beeld zien te krijgen. Het gaat er niet om wat ik vind maar wat ze zelf vinden, dat is de basis. Soms zijn die gesprekken keihard, vaak vallen spelers dan terug op het beroemde “ja maar”. Ja maar, trainer, die en die speelde niet goed, of: ja maar, ik kreeg de bal steeds verkeerd. Dat moet er natuurlijk uit. Vaak gaan ze na zulke gesprekken eerst aan zichzelf twijfelen, dan krijg je in het begin een terugslag, dan denken ze dat ze niks kunnen. Dat zie je altijd, dat moet je dan maar voor lief nemen.’

Speelde men vroeger meer in één systeem dan nu?

Foppe de Haan: ‘Ja. Vleugelspel stond voorop, het 4-3-3 systeem, vier man achter, drie middenvelders, en drie man voor, waarvan twee stijf op de flanken. Je moest de andere systemen wel kennen, maar het spel in Nederland was 4-3-3. We speelden ook bij Jong Oranje eerst altijd 4-3-3, maar de tegenpartij anticipeerde daar steeds meer op. Ik ben in 2006 in Portugal van systeem veranderd. Als je tegen de Italianen 4-3-3 speelt vinden ze dat fantastisch, die weten dan precies waar ze aan toe zijn en ze organiseren het zo dat je als aanvaller nooit 1 tegen 1 speelt, altijd sta je 1 tegen 2. We doen precies wat ze willen, zei ik tegen de jongens, dat moet echt veranderen. Ik heb toen de rechtsbuiten meer naar binnen laten spelen. Dan moet zo’n Italiaanse verdediger dus kiezen. Gaat hij mee naar binnen? Dan komt er ruimte op rechts. Gaat hij niet mee, dan krijgt de rechtsbuiten in het midden meer ruimte. Dat is veel beter, het was fantastisch, het voetbal werd veel dynamischer.

Aan de ene kant wordt er tegenwoordig veel gestructureerder en systematischer gespeeld, op alles wordt gelet, aan de andere kant is de vrijheid groter geworden en wordt meer aan spelers overgelaten. Eén systeem is niet meer zaligmakend. Voetbal is erg veranderd. Er is meer spel in de kleine ruimte. Het tempo is steeds hoger geworden, vergeleken met vijf jaar geleden is het alweer hoger. Fysiek ontwikkelt het spel zich ook steeds meer, er is betere krachttraining, betere voeding. En vooral gaat het tegenwoordig om communicatie, in het veld en daarbuiten. Als dat niet voor elkaar is, gaan spelers tijdens een wedstrijd alleen voor zichzelf voetballen, daar heb je niks aan. Dan wordt het los zand.’

Hoe probeerde u van uzelf een betere trainer te maken?

Foppe de Haan: ‘Ik probeerde altijd bij mezelf te beginnen en voor anderen open te staan, ook voor andere disciplines. En ik steek mijn voelhoorns uit naar spelers, wat zij ervan vinden. Je moet soms dingen doen die wel nodig zijn, maar waar zij het niet mee eens. Maar niet altijd, je moet samen gelukkig willen worden, een zwaar woord misschien, maar je bent allemaal gelukkig als je een mooie training hebt gehad. Als jij dat gevoel hebt, hebben zij het ook.

Ik heb een paar jaar advies gekregen van iemand buiten de voetbalwereld die van voetbal weinig verstand had, maar wel betrokken was en via de krant wist wat er gebeurde. We praatten over de gang van zaken, soms nam hij een boekje mee dat hem van belang leek. Michels was voor mij altijd een groot voorbeeld. Zijn artikelen las ik, hij heeft een prima boek geschreven.

Ik ben altijd nieuwsgierig, dat is het belangrijkste, daaruit ontwikkelde ik een stijl die bij me paste. Ik heb altijd ook willen veranderen, dat heb ik nog steeds, alles verandert nu eenmaal. Ik ben vergeleken met vroeger soepeler geworden, zo strak hoeft het allemaal niet. Vroeger dacht ik dat anderen net zo hard moesten werken als ik, dat ging wel eens wat ver.’

Kan een topvoetballer een goede trainer zijn?

‘Natuurlijk kan dat. Ik merk het aan sommige spelers, die vinden voetbal van binnenuit leuk, komen erover praten, zeuren me aan de kop over het waarom van bepaalde oefeningen en ontwikkelen een mening. De huidige trainersopleiding stelt nogal wat eisen. Je moet niet alleen verstand van voetbal hebben, maar ook van communicatie op allerlei niveaus. Er was een tijd dat je trainer-coach betaald voetbal kon worden wanneer je zoveel interlands had gespeeld en aan zoveel WK’s en EK’s had meegedaan. Dat werkt niet, zo gaat het niet meer. Die spelers hebben wel de voetbalkennis, maar je moet dat ook overdragen, je moet het vertalen in een methodiek. Je moet iets willen en het kunnen omzetten in trainingen. Daar hebben ze vaak nog weinig over nagedacht, want dat deed de trainer altijd. Hoe hou je spelers gretig die weten dat ze er waarschijnlijk zondags altijd naast staan? Je moet ook leren communiceren met de pers, het bestuur, de sponsors, je moet leren dansen op de vulkaan die de voetbalwereld af en toe is.

Als je erg goed kunt voetballen, schept dat natuurlijk betere voorwaarden. Maar een goede voetballer heeft de neiging om te denken: oké, ik weet het allemaal wel. De nieuwsgierigheid is dan bij voorbaat weg en die is juist erg belangrijk. Een goede voetbaltrainer moet altijd een ontwikkelaar willen zijn, een ontwikkelaar van voetbalstof, van het spel, maar ook een ontwikkelaar van mensen, van zichzelf en van spelers. Je moet geen uitknijper willen worden, zo’n trainer die na twee jaar moet maken dat hij wegkomt, want er was er maar één belangrijk en dat was hijzelf.’

Hoe slaagt u erin te werken met zo veel verschillende jongens?

‘In principe zijn het allemaal dezelfde jongens, wel met andere achtergronden en die moet je respecteren en accepteren. Maar je moet wel op dezelfde manier met ze omgaan. Dit ben ik en ik wil dat het die kant op gaat. Klaar. Bij wat ik doe is die duidelijkheid erg belangrijk. Ik heb ze maar kort, dus moet ik helder zijn.

Natuurlijk geef ik ze ruimte voor eigen dingen. Je hebt jongens die vlak voor de wedstrijd in de kleedkamer met een handdoek op hun kop uitgebreid gaan zitten bidden. Daar snap ik weinig van, waarom gaan ze ineens om hulp vragen? Nu is het te laat, denk ik dan. Ook dat kruisje slaan vlak voor ze het veld opgaan, vind ik onzin, want Onze Lieve Heer, als hij er is, die behandelt toch iedereen op dezelfde manier? Maar ik zeur er niet over, het mag hoor. Ramadan mag ook natuurlijk, als je ramadan wilt houden is dat best, maar dan moet je ook de consequenties dragen, dan kun je hoogstens een kwartier trainen en meespelen kan echt niet. Als dit je vak is en je wilt presteren, met alles wat daarbij hoort, gezond leven, goed eten, goed trainen, en je doet dat midden in het seizoen een maand niet, dan heb jij een probleem, niet ik, en dat is jouw keuze. Dan kom je op de bank te zitten, of op de tribune en je boert achteruit in plaats van vooruit. Ik discussieer daar met de jongens over en zij zoeken soms ook naar mogelijkheden om de ramadan uit te stellen, daar schijnt ruimte voor te zijn.

Je moet top-jeugdspelers van tegenwoordig alleen nog een beetje fine tunen, die term is van Riemer van de Velde. Het gaat niet om de grote dingen, het gaat om de precieze dingen. Ze moeten laten merken dat je er echt verstand van hebt en dat je ze beter kunt maken en dat je het goed met ze voor hebt. Dan vinden ze het niet erg als je ze een keer uitscheldt of een schop onder de kont geeft, dan mag jij ook fouten maken.

Als je als voetballer of trainer dit werk doet om veel te verdienen of bekend te worden, hou je het niet vol. Toen we voor de finale van het EK speelden, heb ik voor de wedstrijd helemaal geen ingewikkeld verhaal gehouden, niks van dit moet en dat moet en zus moet, maar gewoon: nu moet je het gevoel oproepen dat je had toen je een kleine jongen was en achter de bal aanrende. Als je dat gevoel krijgt, dan kun je winnen. Als je te veel gaat nadenken over dat het moet en dat het belangrijk is, dan kun je het schudden, dan willen je spieren niet meer, dan komt er stress op.

Je moet dit werk doen omdat het een stuk van je leven is. Het is mijn leven. Ik heb nog steeds hetzelfde gevoel als toen ik vijf of zes of zeven was. Dat wil ik niet kwijt.’