De vissers van IJmuiden

‘Wat hé je nou gebakken?’

De haven van IJmuiden ligt er verlaten bij. De vissersvloot is verdwenen en de jenever vloeit niet meer. Dick Schaap, ter plekke opgeroeid, tekent de plotselinge opkomst en geleidelijke ondergang. Er is nog hoop.

De verlatenheid op de Trawlerkade in IJmuiden spreekt boekdelen. De reuring is verdwenen aan de Zuidzijde van de Vissershaven. De vrouw van de topschipper in haar bontjas. De families van de opvarenden bij het uitwuiven van de vloot. De lange taxi van Cupido die de ‘Dérpers’, de opvarenden uit Egmond, op het nippertje afzet bij hun schip. Het aan boord brengen van proviand op de trawlers. Gelukkig staat het 'Witte Huis’ er nog, maar de ramen van het koffiehuis op de begane grond zijn geblindeerd. Eens was dit gebouw het bolwerk van de machtige Centrale Bond van Transportarbeiders. Er wordt nu antiek meubilair en aardewerk verkocht.
IJmuiden heeft geen vissersvloot meer. Op wat dagvissers na is zeevisser er een uitgestorven beroep. De van de visserij op schelvis en kabeljauw afhankelijke trawlerrederijen waren niet lonend meer. 'Door de acties van Greenpeace zien de mensen ons als boeven die de zeeën leegroven’, voegt oud-topschipper Jan van der Zwan (76) daar bitter aan toe. 'We zijn geen zeevarend volk meer. De vrouwen willen niet meer dat hun mannen lang van huis zijn.’
Het verlies van de eigen vissersvloot betekent niet dat IJmuiden verstoken is van de aanvoer van vis. De in IJmuiden geconcentreerde groothandel im- en exporteert vis en visproducten uit en naar alle werelddelen. De Katwijkse en Goereese kottervloot, Texelaars, Denen en staandwantvissers uit Urk zijn de visafslag van IJmuiden trouw gebleven. Vooral in de nacht van zondag op maandag wordt door hen verse vis aangevoerd. Maar als eerste visafslag van Nederland is IJmuiden al jaren overvleugeld door Urk. Er zijn nachten waarop je in de uitgestrekte vishallen aan de noordzijde van de Vissershaven een kanon kunt afschieten zonder iemand te raken. Vroeger waren vaak alle driehonderd vaste vislossers, kaairidders genoemd, plus losse krachten nodig om de trawlers te lossen. Omringd door een schare viskopers had de rijksafslager uren nodig om alle uitgestalde partijen schelvis en kabeljauw, schol en tong af te mijnen.

IJmuiden ontstond spontaan na de opening van het Noordzeekanaal op 1 november 1876 door koning Willem III. De westelijke monding van het IJ, ontstaan door het doorgraven van Holland op z'n smalst, mocht van Amsterdam uit concurrentie-overwegingen onder geen beding uitgroeien tot een belangrijke haven. Maar het waren de vissers en viskopers die de toekomst van IJmuiden bepaalden. Op sleeptouw genomen bereikten de zeilloggers Amsterdam I, II en III al op 13 juni 1876 binnen drie uur de Noordzee. Niet alleen bespaarde het kanaal hun de lange omweg naar zee via het Noordhollandsch Kanaal, ook hun visgronden bleken dichterbij te zijn gekomen. De vaart op Nieuwediep, waar voor 1876 de vishandel was geconcentreerd, was bij slecht weer moeilijk en gevaarvol. Het laveren met de zeilen tussen de pieren van IJmuiden leverde nauwelijks gevaren op. Die mare verspreidde zich als een lopend vuurtje op de vissersvloot. Binnen de kortste keren lag de havenkom vol met kustvissers uit Zandvoort en Egmond aan Zee, Volendam en Urk, beugsloepen uit Middelharnis, Pernis, Maassluis, Vlaardingen en Zwartewaal, Engelse smacks, Belgische potten en Deense kotters.
Dat nieuws bereikte ook de viskopers in Egmond aan Zee. Met hondenkarren trokken de Dérpers via de tol van Castricum, of lopend met de kriel of dreegmand op hun rug langs het strand naar IJmuiden om vis op te kopen. Al gauw kwamen er ook Amsterdamse viskopers. Ze waren uitgekookt en kochten hele vangsten op. De wedijver tussen al die handelaren nam gevaarlijke vormen aan toen de Dérpers de vissers buitengaats, zelfs bij stormweer, met kruiken jenever tegemoet voeren om de vis 'bij de roes’ (ongezien en ongesorteerd) op te kopen.
Het leidde tot een spel van overtroeven en bitter strijden om dubbeltjes en centen en afrekenen in de uit het niets opdoemende kroegjes. Er werd gehandeld, gekwanseld, gedronken en gestolen bij het leven. Messen werden getrokken om argumenten kracht bij te zetten. Het was je reinste Wild West. Rond 1900 telde IJmuiden al 44 kroegen. Niet voor niets luidde de slogan dat de economie van IJmuiden op jenever liep.
Varende kroegen doken op tussen loggers en bommen die IJmuiden als vluchthaven kozen. Het heeft jaren geduurd voor de Staat der Nederlanden ingreep, maar zelfs nadat de anti-dranksmokkelwet van kracht werd, brachten Katwijkse haringloggers cognac en likeur uit Franse havens mee. Er kwam verandering in de visverkoop toen de voormalige Nieuwedieper reddingbootschipper Reijer Visser een visafslag stichtte, weliswaar met een café (De Afslag) ernaast, maar ook met een magazijn waar de vissers de benodigde victualiën tegen fatsoenlijke prijzen konden betrekken. De uit Nieuwediep overgekomen groothandel Wed. S.I. Groen bracht als reder in 1895 de Betsy IJm. 75 als eerste Nederlandse zijtrawler in de vaart. Met 197 stoomtrawlers in 1929 bereikte IJmuiden het hoogste aantal trawlers in zijn geschiedenis.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was het Nederlandse visserijbedrijf speelbal van Duitsland en Engeland. Met verplichte visleveringen aan hen moest de voortgang van de visserij worden verzekerd. De strikt neutrale Nederlandse regering bemoeide zich hier niet mee. Delegaties van reders en vishandelaren reisden naar Berlijn of Londen om door het sluiten van nieuwe akkoorden het beschieten en opbrengen van schepen te voorkomen. De vader van de oud-voorzitter van de Nederlandse Zeevisgroothandel Vereniging (nvz) Jaap van Gelder (94) kwam in 1917 met vier andere vissers om het leven tijdens de beschieting van hun zeillogger door een U-boot. De familie Van Gelder was in 1915 van Goeree Overvlakkee naar de Breesaap in IJmuiden verhuisd. De moeder van Jaap van Gelder bleef als weduwe met acht kinderen achter. 'Ik ben in 1916 geboren. Mijn vier broers en drie zusters hebben na de dood van mijn vader ons gezin verder geholpen’, vertelt Van Gelder.
Albert Braam, grootvader van de schrijfster Conny Braam, was naast boer, duinopzichter en strandvonder ook doodgraver in de Breesaap. Hij heeft in die oorlogsjaren behoorlijk wat op het strand aangespoelde vissers of leden van de belligerenten op de Westerbegraafplaats moeten begraven. Conny Braam schreef een boeiende, vaak verbijsterende romantrilogie over IJmuidens woelige verleden. Ze leidt ook schooljeugd rond op de Westerbegraafplaats en vertelt wie er onder de grafstenen liggen. Er kwamen 862 vissers om; 175 Nederlandse vissersvaartuigen gingen verloren. Populair werd een droevig lied met het volgende eerste couplet:

Aan het strand stil en verlaten
Bij het klimmen van de maan
Ziet men daar een aardig paartje
Zeer van weemoed aangedaan
Liefste 'k moet je gaan verlaten
Morgen ga ik weer naar zee
En dan trouw ik als ik thuiskom
Hier op Hollands stille ree
Maar zij sprak 'ach liefste mijne
Spreek zo ver niet in ’t verschiet
Want de zee is vol met mijnen
En je ziet die dingen niet’.

Maar de legale en illegale leveringen van vis aan Duitsland leidden tevens tot fabelachtige winsten. In het najaar van 1916 gingen de prijzen voor 'vrije vis’ viermaal over de kop. De inkomsten van de vissers verdrievoudigden. Een stoker stak in een café in IJmuiden zijn sigaar aan met een brandend bankbiljet. Een machinist liet zich door drie rijtuigen van IJmuiden naar Amsterdam brengen: één voor zichzelf, de tweede voor zijn hoed en de derde voor zijn wandelstok.
Met de afkondiging in 1917 van de onbeperkte duikbootoorlog door Duitsland keerde het armoedespook terug. Om het verlies van schepen en bemanningen te beperken werd een uitvaarverbod van kracht voor grote vissersvaartuigen. Kustbootjes mochten binnen een tienmijlszone voor de kust blijven vissen. Het leidde ertoe dat de vissers met 'smeesbootjes’, vanwege de gevaren hoogverzekerde sleepbootjes, gingen vissen. Na de oorlog waren die bootjes niets meer waard. Keurige schippers en burgers hebben negen maanden moeten boeten in de Koepel in Haarlem voor het 'wegbrengen’ - het tot zinken brengen - van hun bootjes om de verzekeringspenningen te kunnen incasseren.
Mijn moeder schreef graag. Als ze geen schrijfpapier bij de hand had, schreef ze op een opengescheurde puntzak. Ze beschreef ook de gevolgen van het 'wegbrengen’ voor een familielid. 'Het was een strenge man en een goede schipper. Hij vertelde prachtige verhalen over zware stormen en ’t vissen bij IJsland. Toen-ie een paar centjes had vergaard, deed-ie wat velen in die dagen deden: hij kocht een scheepje. Op een dag in 1919 bleef hij een reis thuis. Een paar dagen later kwam zijn machinist hem vertellen dat zijn schip was gezonken’, schreef ze. 'Hij vertelde nooit iets over zijn zaken, maar ik kon zien dat-ie ergens wroeging over had. Op een avond werd er hard op de deur geklopt. Hij sprong op en zag zo wit als een doek. Politie. Voor het laten zinken van zijn schip werd ook hij gestraft met negen maanden gevangenisstraf. Zijn vrouw, een streng gelovige Katwijkse, heeft hem nooit bezocht. Ze gaf hem zelfs geen hand toen hij thuiskwam en zette haar bed in de voorkamer. Ze heeft nooit meer een woord met hem gewisseld.’

De smeesbootjes. De ineenstorting in 1918 van de vishandel na de nederlaag van Duitsland. De opkomst van de vakbonden. Gevechten tussen activisten van de door Jacques de Kadt en Sal Tas opgerichte Onafhankelijke Socialistische Partij (osp) en nsb'ers op het Kennemerplein. De crisis van '29. De visserijstaking van '33. De honderden werklozen. De wanhoop van de vrouwen in de crisisjaren als ze tot de ontdekking kwamen dat ze weer zwanger waren. De mislukte exodus van de joden en de intocht van de Duitsers in 1940. Bombardementen, evacuatie van een fors deel van de bevolking, afbraak in 1945 van woonwijken voor het verkrijgen van schootsveld op last van de bezetter. Ze overspannen lange jaren van strijd, dood, verminking, oorlogswinsten, uitzichtloosheid, bittere armoede, honger en terreur in IJmuiden.
Schipper Jan Vink was de laatste die er op 14 mei 1940, de dag van de capitulatie voor de Duitse overmacht, in slaagde met de trawler Amsterdam IJm. 58 met joodse burgers uit Amsterdam en ’t Gooi en politici naar Engeland uit te wijken. Zijn kinderen liepen hard hollend mee totdat ze de Amsterdam in het duister uit het oog verloren. Het was het slot van een hectische dag die onuitwisbaar in mijn geheugen is gegrift. Een onafzienbare stroom joodse en andere burgers uit Amsterdam en ’t Gooi die voor hun leven vreesden, bewoog zich tot laat in de avond in de richting van de Vissershaven. De trawlers moesten van de regering naar Engeland uitwijken, maar konden onmogelijk de duizenden vluchtelingen meenemen die elkaar verdrongen op de Zuidzijde, vaak dertigduizend gulden en meer boden voor de overtocht en aan boord probeerden te klimmen.
Het diep tragische van deze tot mislukken gedoemde exodus was dat er volop koopvaardijschepen uit Amsterdam leeg naar Engeland overstaken. Ze hadden honderden joodse vluchtelingen kunnen meenemen. Begin juli 1940 bleken hoogstens duizend vluchtelingen uit Nederland te zijn ontkomen. Vanuit IJmuiden ontkwam slechts een klein deel van deze vluchtelingen naar Engeland, onder wie de journalisten Loe de Jong van De Groene Amsterdammer, Jacques de Kadt en Meyer Sluyser. 42 trawlers bereikten vanuit IJmuiden en vanaf de visgronden Engeland; 24 werden onmiddellijk bestemd om te worden verbouwd tot mijnenveger. De overige trawlers gingen vanuit Fleetwood vissen voor de Britse voedselvoorziening.
De bemanningen van mijnenvegers werden gemilitariseerd. Vanuit Milford Haven beten zij het spits af tijdens The Battle of the Atlantic, de slag om het vrijhouden van de aanvoerroutes van Engeland en Wales via de Atlantische Oceaan, de levensaders van het Verenigd Koninkrijk. De kinderen van Jan Vink zagen hun vader niet terugkomen uit de oorlog. Het gold voor meer visserskinderen. Albert 'Stokkie’ de Graaff, oudste schipper en toeverlaat voor de vissersgemeenschap in Milford Haven, liep op 28 april 1941 met de Carolina IJm. 26 op een onbekende mijn. Alle vijftien opvarenden kwamen om het leven. Het zou een daad van rechtvaardigheid zijn als hem als erkenning van de inzet van alle vissers in Engeland alsnog postuum de Militaire Willemsorde zou worden toegekend.

Cees Buys was een geboren schipper. Ik zie hem nog staan op de brug van de trawler Condor IJm. 72 in zijn wijde blauwe kiel en daarboven zijn weerbarstige kop met donkere kleine krulletjes. Net een zeerover! Maar hij sleepte mij erdoor toen mijn korte optreden als invalkok op zijn schip op een ramp dreigde uit te lopen. Hij genas mijn zeeziekte door mij te dwingen gekookte schelvislevertjes te eten. Eén keer vergat ik gist in het brooddeeg te doen. 'Wat hé je nou gebakken, m'n jongen, stienen?’ was alles wat hij zei in zijn Dérpse tongval. Als hem via Scheveningen-Radio werd gevraagd hoeveel hij gevangen had, antwoordde hij steevast: 'Een hondenkar vol!’
Maar bij zijn afscheid van de trawlervloot in 1957, na ruim vijftig zeejaren, zag hij met vooruitziende blik de bui al hangen. 'Er komt een tijd dat het niet meer lonend is om op de Noordzee te vissen, vooral als de exploitatiekosten hoog blijven’, zei hij. 'De Noordzee zal heus wel altijd vis blijven geven, maar niet iedereen zal er een bestaan van kunnen hebben.’ Doordat er tijdens de Tweede Wereldoorlog nauwelijks op de Noordzee was gevist, waren de vangsten van haring en rond- en platvis na de bevrijding overvloedig. De trawlers liepen met ook het werkdek vol haring IJmuiden binnen.
De eerste tekenen van overbevissing van de haringstand zetten een domper op de euforie over de recordvangsten in 1953 en 1954. De opkomst van de met de boomkor vissende kotters van vooral Urk met zware motoren van 1200 tot 2000 pk in de tweede helft van de jaren vijftig viel samen met het begin van het verval van de IJmuidense trawlervloot. In 1960 werd de uit 1938 daterende Haarlem IJm. 9 als laatste stoomtrawler uit de vaart genomen. Het was een van de mooiste schepen van de IJmuidense vloot. Daarna volgden in een steeds hoger tempo alle motortrawlers. De scheepsmodellen in het Zee- en Havenmuseum in de voormalige Visserijschool van IJmuiden laten zien hoe mooi die slanke trawlers waren.
Anders dan de traditionele rederijen van de 'Zuid’, Katwijk en Scheveningen, misten IJmuidense rederijen als de Marezaten en de vem de gedrevenheid van familiebedrijven om te blijven bestaan door tijdig de bakens te verzetten. Het IJmuidense visserijbedrijf heeft altijd het karakter van een roulette gehad. Kapitaalkrachtige lieden kochten een schip en hoopten daarmee snel rijk te worden. Dat gaat in deze tijd van vangstbeperkingen niet meer op. De oude families uit de Zuid zoals Van der Zwan, Van der Plas, Ouwehand, Vrolijk en Parlevliet spelen nog steeds een rol in de Nederlandse visserij en de vishandel.
De nog in IJmuiden gevestigde Scheveningse rederij Cornelis Vrolijk is hiervan een goed voorbeeld. Dit bedrijf schakelde na afkondiging van het vangstverbod voor haring in 1977 meteen over op de visserij op makreel en de in Nederland niet geliefde horsmakreel. Het leidde tot de oprichting van The Group, het succesvolle samenwerkingsverband van vier rederijen van vriestrawlers dat rechtstreeks voor de Derde Wereld, Japan en China voor de kusten van Amerika en Afrika jaagt op horsmakreel, sardines en sardinelles.
Jan van der Zwan, oud-schipper van de Caroline Sch. 81 van Vrolijk, maakt hierbij wel de kanttekening dat de schepen van The Group met steeds minder Nederlandse vissers bemand kunnen worden. 'De bemanning van de Caroline waarop mijn zoon Sjaak nu schipper is, bestaat nog voor de helft uit mijn mensen’, vertelt hij. 'Maar de andere schepen hebben de toren van Babel aan boord. Russen, Wit-Russen, Peruvianen en andere Zuid-Amerikanen. Het betekent vissen met gebarentaal.’ Seafood Parlevliet schakelde na de haringstop onmiddellijk over op de voor de Noorse kust overvloedig aanwezige en voor maatjesharing geschikte haringsoort. Het bedrijf levert onder meer haring aan Albert Heijn. Nu worden vrijwel alle maatjes voor de Nederlandse markt gevangen door Deense en Noorse vissers.

Het was de in de nzv verenigde groothandel die na de bevrijding het voortouw nam om het door de Duitse bezetter als een puinhoop achtergelaten visserijbedrijf in IJmuiden weer op de been te helpen. De vishallen waren verwoest en de haven was door scheepswrakken en mijnenvelden onbereikbaar. De terugkerende trawlers van Fleetwood losten hun vis daarom in Hansweert. De vis werd met legertrucks naar IJmuiden gebracht en door de nzv gedistribueerd.
Oud-groothandelaar Iewe de Jonge (89) kan zich dat nog goed herinneren. 'De Utrecht IJm. 24 met Rein Groen op de brug was de eerste trawler die met vis in Hansweert binnenliep’, zegt hij. Het zijn ook de leden van de nzv die hun vleugels steeds verder uitslaan om te kunnen voldoen aan de toenemende vraag naar vis in de wereld. Ze kunnen daarbij rekenen op steun van de Zeehaven IJmuiden NV, exploitant van de vishallen en het havengebied. Het havenbedrijf nam het initiatief om van de IJmond de draaischijf van verse en diepgevroren vis van Europa te maken. De haven heeft een open verbinding met de Noordzee, ligt in het hart van de Nederlandse kustlijn, heeft goede verbindingen met het achterland via de weg, over het spoor en het water en ligt in de nabijheid van Schiphol.
De groothandel gaat een stap verder door te streven naar een stapelmarkt voor vis en visproducten uit alle werelddelen. Tel, ook bekend als leverancier van het Amsterdamse Chinatown, is bijvoorbeeld kampioen op het gebied van import en export van dure en bijzondere vissen en gamba’s. Bertus Dekker Seafood BV van Arie Ouwehand verwerkt en verhandelt vijftig procent verse en vijftig procent diepgevroren vis uit de Noordzee, maar ook nijlbaars uit Afrika en andere vissoorten uit verre landen, plus gekweekte vissoorten.
'Veranderingen kun je als bedreiging zien, maar ook als uitdaging’, zegt Willem Hoeve, directeur van groothandel Karel Hoeve. Hij verhandelt aquaproducten als zalm en forel, maar ook tonijn uit Sri Lanka en zwaardvis van de Malediven in de Indische Oceaan.
Guus Pastoor is voorzitter van de nzv en van de Visfederatie. Deze koepel van verenigingen van groothandelaren omvat ongeveer 150 bedrijven met zesduizend werknemers, die samen goed zijn voor tachtig procent van de vishandel en -industrie in Nederland. Daarnaast is hij vice-voorzitter van de Vereniging van Visimporteurs (viv). De viv-leden zijn marktleider in de internationale vishandel. Ze hanteren een voor de gehele vishandel belangrijke gedragscode waarin eisen zijn opgenomen voor duurzame kweek en vangst van vis. Het betekent dat producten die niet aan deze code beantwoorden op termijn niet worden ingevoerd. Voor Pastoor is de toekomst van de Nederlandse visverwerkende industrie en vishandel zo klaar als een klontje. Meer import én meer export: 'Handelen is blijkbaar een vak dat wij goed beheersen.’ Dat sluit naadloos aan bij een nieuwe toekomst van IJmuiden als stapelmarkt voor vis uit alle werelddelen.