Opheffer

Wat heb ik lelijk gedacht!

Wat is «mooi denken»?

In één van de laatste gesprekken die ik twintig jaar geleden met mijn vader voerde, viel het begrip. «Ik hou van mooi denken», zei hij. Ik weet niet waarover we spraken, en ik weet niet waarom juist nu deze regel zich aan mij opdringt. Maar ik wil wel weten wat het is: mooi denken.

Wat vind ik mooi denken?

Vroeger vond ik het geëngageerde denken mooi. Je had van die jongens, bij de Socialistische Jeugd, die zagen overal onrecht en die vonden dat je daar iets aan moest doen. Dat vond ik toen mooi denken. Het mooiste denken vond ik bij de pacifisten, dus ook ik liep al snel met een gebroken geweertje. Een wereld van vrede, een wereld waarin je zou afzien van geweld, een wereld waarin jij als persoon altijd de eerste vredelievende stap zou nemen door de wapens niet te hanteren — mooier kon toch niet?

Daar dacht mijn vader anders over.

Hij vond pacifisten lafaards en een bedreiging voor de democratie.

Mooi denken. Vredelievend zijn, solidair met de kanslozen, de vraag naar de zin van je leven beantwoorden met: iets doen voor anderen. Naast vrede veiligheid en vriendschap als hoogste goed zien. Vanuit die normen de wereld bekijken. Vietnam — oorlog — Amerika tegen arme Vietcong — dus tegen Amerika. Dus geld inzamelen voor een ziekenhuis in Noord-Vietnam en demonstreren tegen Nixon en Johnson.

Mijn ouders lazen Het Parool, en mijn vader vond nog steeds dat ik niet mooi dacht, en ik begreep hem niet. Vrede, veiligheid, vriendschap, kon het mooier? Nee toch? Mijn vader verbitterde; zijn verleden in het kamp speelde op. Hij was een overtuigd humanist, omdat hij in het humanisme de eigen verantwoordelijkheid van de mens goed geregeld vond; hij gaf me Sartre te lezen, en we hadden elkaar daar ergens kunnen vinden, maar hij vond de boeken van Sartre mooi (Walging en De wegen der vrijheid) maar te links en eigenlijk hield hij meer van Camus.

We konden de klik maar niet maken. Het was alsof ik een haak had en hij een oog en beiden deden we ons best die bij elkaar te brengen, maar steeds ging er iets mis.

In het mooie denken moest de oplossing zitten, want daar sprak hij vaak over.

Maar wat bedoelde hij daarmee? Ik vond dat ik mooier dacht dan hij.

De jaren zeventig — God, wat schaam ik me daar nu voor — verborgen een conservatieve levensbeschouwing onder het mom van progressiviteit. Ik was hippie, ik wilde geen verandering, ik wilde puur natuur. Ik wilde afzien van elke vorm van moderniteit — liefst ook geen tv en radio, want ten eerste was dat «commercieel» en ten tweede zou dat ons maar afhouden van de klassenstrijd.

Mooi denken: dat ik de jeugd wilde opvoeden (ik noemde dat «mijn roeping»), dat ik iedereen wilde «verheffen», dat ik kunst alleen zag als pedagogisch instrument (er moesten door arbeid sters gehaakte truien in het Stedelijk Museum komen te hangen) — dat was toch allemaal mooi gedacht, want ik had toch geen kwaad in de zin? Toch alleen maar goedheid?

Wat heb ik lelijk gedacht!

Wat heb ik me in de maling laten nemen.

Aan het einde van zijn leven kwamen mijn vader en ik moeizaam tot elkaar. Hij kon — door het kamp («kampogen») — mijn boeken niet lezen, maar hij vond het aardig dat ik publiceerde, al was hij bang dat ik erin op zou gaan.

Het leven was geen lolletje, besefte ik dat wel? Jawel. En had ik wel eens nagedacht over wat ik met mijn leven wilde? Niet echt.

«Waar gaat het jou dan om, pap?»

En toen moet hij zoiets hebben geantwoord als: «Mooi denken.»

Ik heb dat ongetwijfeld een flauw antwoord gevonden.

Maak dat maar eens goed.