Het vervlogen Bildungsideaal

Wat heb je aan Grieks en Latijn?

Scholieren en studenten worden tijdens hun onderwijscarrière voornamelijk klaargestoomd voor de arbeidsmarkt. Voor algemene vorming vanuit het Bildungsideaal is nauwelijks aandacht.

Medium 14 04 17 groene bildung

Het is half elf, de pauze is voorbij. Na twintig minuten van rumoer en uitbundigheid is op de gangen van het Amsterdamse Barlaeus Gymnasium de rust teruggekeerd. Een enkele verlate leerling spoedt zich naar het juiste klaslokaal en rector Marten Elkerbout loopt op zijn gemak van de lerarenkamer naar zijn kantoor. Vanachter zijn bureau ziet hij aan de overkant van de straat poppodium Paradiso, de vergadertafel biedt met een beetje goede wil uitzicht op het Rijksmuseum.

‘We willen dat onze leerlingen de wereld ingaan als gelukkige, goed ontwikkelde mensen en dat ze in staat zijn om goed te studeren’, zegt hij met een kopje koffie in de hand. ‘Ik denk dat we daar over het algemeen goed in slagen.’

Elkerbout trad acht jaar geleden aan als rector van een van de bekendste categorale gymnasia van het land. De school zag een keur aan leerlingen voorbij komen die zouden uitgroeien tot bekende namen in de vaderlandse cultuur. Van Multatuli tot W.F. Hermans, Frits Bolkestein tot Els Borst, van Robert Vuijsje tot Paulien Cornelisse en van Géza Weisz tot Caro Emerald.

Hoe groot de rol van de school is geweest bij het ontwikkelen van de talenten is een kip-ei-vraag. Kiezen ze het Barlaeus uit omdat de school aansluit bij de al bestaande mogelijkheden en ambities of heeft de school een bepalende rol bij de bloei? Volgens Elkerbout is het een combinatie van beide. ‘We bieden een klimaat waarin je anders mag zijn, gek mag doen, gekke interesses mag hebben en niet wordt uitgelachen als je hoge cijfers wil halen.’ Een aantrekkelijk uitgangspunt voor vrije geesten met ambitie. Maar daarnaast probeert hij met zijn collega’s een dusdanige rijke keuze aan vakken en activiteiten te bieden dat iedere leerling na zes jaar heeft gevonden wat hij zoekt. Muziek, reizen, toneel en meer. ‘We helpen ze uit te vinden wie ze zijn en waar ze mee verder willen.’

Het ouderwetse Bildungsideaal stond eeuwenlang aan de basis van het onderwijs. Tot het begin van de vorige eeuw was een school de plek waar je werd gevormd als mens, voorbereid op het verdere leven, geschoold tot weldenkend burger. Geheel in de traditie van het Griekse woord scholè, dat vrije ruimte betekent. ‘Maar tegenwoordig is die cultuur in het onderwijs zeldzaam’, zegt Arjo Klamer, hoogleraar culturele economie aan de Erasmus Universiteit en oprichter van de Academia Vitae, de universiteit van het leven. ‘Alles is er tegenwoordig op gericht om leerlingen en studenten op te leiden voor de arbeidsmarkt. Het draait om kennis en vaardigheden die van praktisch nut zijn voor bedrijven en werkgevers.’

Het is een discussie die in de marge van de ontwikkeling van het Nederlands onderwijs her en der wordt gevoerd, maar die geen prominente rol weet te verwerven in het publieke of politieke debat. Is onderwijs er voor de algemene vorming van leerlingen en studenten of voor het opleiden van goede arbeidskrachten als brandstof van de economie? ‘Ik vind het verbazingwekkend dat daar zo weinig over wordt gesproken en wordt nagedacht’, zegt Grahame Lock, hoogleraar politieke filosofie aan de universiteiten van Oxford en Leiden. Lock maakte jarenlang deel uit van het filosofisch elftal van Trouw en sprak zich regelmatig uit over het onderwerp. In een interview in 2011 suggereerde hij zelfs dat de politiek volgzame burgers creëert, die geen bedreiging vormen voor de bestaande macht. Een opmerking waar hij nog steeds achter staat. ‘Ik weet niet of het bewust of onbewust is, maar feit is dat mensen met specifieke, nuttige kennis en vaardigheden, maar zonder kritische houding voor machthebbers ideaal zijn.’

Lock spreekt van een systematische dumbing-down van het onderwijs en dus van de samenleving, een ontwikkeling die, net als het verlies van maatschappelijk gezag, zijn bron kent in de grote wereldoorlogen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd voor het eerst op grote schaal duidelijk dat soldaten gebaat waren bij een direct toepasbaar pakket aan expertise. Na de Tweede Wereldoorlog kwam de wereldwijde concurrentie tussen economieën goed op gang. ‘Daardoor werd economische ontwikkeling een belangrijk thema en sloop de indirecte verwijzing naar economisch nut geleidelijk het onderwijsbeleid binnen’, zegt Lock.

Wat heb je aan Grieks en Latijn? Het is een vraag die Marten Elkerbout te pas en te onpas moet beantwoorden. Hij wordt er een beetje moe van. Laatst nog kruiste hij de degens met hoogleraar psychologie Han van der Maas, die in Het Parool een betoog hield om de klassieke talen te vervangen door iets nuttigers. Zoals programmeren op hoog niveau. ‘Het lijkt me heel goed als dat ergens wordt aangeboden, misschien zelfs op een gymnasium, maar laat het niet ons probleem zijn’, zegt hij stellig.

Volgens Van der Maas zijn de klassieke talen als schoolvak uit de tijd, nutteloos en voor de leerlingen bovendien ongewenst. Veronderstellingen waar Elkerbout zich ernstig tegen verzet. Niet alleen omdat hij overtuigd voorstander is van onderwijs als algemeen vormend, maar ook omdat hij dagelijks merkt dat Grieks en Latijn een grote aantrekkingskracht hebben op een bepaalde populatie. ‘Tijdens wervingsdagen waarschuw ik altijd heel duidelijk dat je hier vakken krijgt die voor geen enkele vervolgopleiding noodzakelijk zijn. Dat je veel meer krijgt dan sec nodig is voor een vwo-diploma. Dat de gymnasia in Nederland momenteel zo populair zijn, geeft aan dat dit juist wordt gewaardeerd.’

‘Je neemt kennis van de bronnen van onze beschaving. Dat het geen enkel praktisch nut heeft, maakt het extra mooi’

En dat is volledig terecht, legt hij nog maar eens uit. Want er is zo veel meer dan nuttige kennis. De uitdaging, de beproevingen, de worsteling met talen die moeilijk te doorgronden zijn, met teksten die je letter voor letter moet uitpluizen. Wat daar leuk aan is? ‘Je spant je in voor iets heel speciaals, neemt kennis van de bronnen van onze beschaving en verlegt je eigen grenzen. Dat het geen enkel praktisch nut heeft, maakt het extra mooi.’

In 2006 haalde Sharon Dijksma als Tweede-Kamerlid voor de pvda de voorpagina’s toen ze in een interview met Forum, het tijdschrift van vno-ncw, kritiek uitte op hoog opgeleide vrouwen die hun baan opzeggen om thuis voor de kinderen te zorgen. Kapitaalvernietiging, noemde ze het. ‘Je geniet op kosten van de samenleving een dure opleiding, die kennis mag je niet straffeloos weggooien. Die vrouwen zouden een deel van de kosten van hun opleiding moeten terugbetalen.’

De uitspraak leidde tot een stortvloed aan reacties over de rol van de vrouw in de hedendaagse samenleving en die van het onderwijs. Volgens tegenstanders was het een symbolisch moment in de geleidelijke transformatie van het onderwijs tot doelmatig instrument bij het produceren van arbeidskrachten. Een uitspraak die past in de lijn van de tientallen vernieuwingen die het onderwijs de afgelopen decennia heeft doorgemaakt.

‘De opkomst van het utilisme’, zegt Lock. Een trend die in alle westerse landen zichtbaar is, maar nergens zo sterk als in Nederland. In zijn thuisland Engeland gaat het allemaal een stapje langzamer. ‘De cultuur is conservatiever, mensen houden het graag bij het oude.’ Net als in Frankrijk, waar volgens Lock een meer filosofische cultuur heerst. ‘Daar zou veel meer protest ontstaan tegen de utilistische insteek, tegen het verkiezen van de extrinsieke boven de intrinsieke waarde.’

Bovendien, legt hij uit, is het onderwijs in weinig andere landen zo centraal georganiseerd als in Nederland, waar een staatssecretaris of minister het beleid van boven af kan opleggen. En de productie-eisen, visitaties en regels zijn nergens zo streng als hier. Het beperkt de ruimte van leraren om meer te doen dan het puur noodzakelijke. Terwijl juist de leraar een cruciale rol heeft in een onderwijssysteem dat leerlingen wil vormen, dat wil opleiden tot kritische burgers.

‘Iedereen weet nog wie in zijn schooltijd de goede en slechte leraren waren’, zegt Paul Rosenmöller, sinds september voorzitter van de VO-raad, de sectororganisatie voor het voortgezet onderwijs. ‘Die maakten het verschil of je een vak leuk vond of juist niet, of je bereid was je ervoor in te spannen.’ Tegenwoordig zijn er maar bar weinig leerlingen die plezier beleven aan de lessen. Een rapport van de onderwijsinspectie, dat vorige week werd gepresenteerd, bevestigde dat beeld. ‘Ze vinden school leuk vanwege de sociale contacten, maar niet om het leren’, zegt Rosenmöller. ‘Ik schrik als ik dat lees.’

De doorgeslagen efficiëntie en doelmatigheid beperkt de leraar in zijn ruimte. Slechts een enkeling zal het nog aandurven om onder hoge productie-eisen en met de ogen van de onderwijsinspectie op zich gericht, iets geks te doen. Iets leuks, iets anders.

‘Terwijl een school daar juist voor is’, vindt Lock. ‘Om tegendraads te zijn, leerlingen kennis te laten maken met dingen die ze niet kennen. Laat ze Beethoven horen, Multatuli lezen, laat ze kennis maken met andere werelden en andere ideeën. Zet ze aan het denken.’

Precies die gedachte bracht Arjo Klamer ertoe een nieuwe universiteit op te richten. Na jaren in de Verenigde Staten te hebben gedoceerd schrok hij terug in Nederland van de oppervlakkige benadering van het onderwijs. Een universiteit moet in zijn ogen vooral de beschaving dienen. ‘In de Verenigde Staten is die gedachte heel sterk aanwezig op de universiteiten.’

In Nederland protesteren studenten als er wordt uitgewijd over iets wat niet is terug te vinden op de powerpointpresentatie

Je ziet het, zegt hij, bij de toespraken die worden gehouden na het behalen van het bachelordiploma. ‘In die speeches komt het belang van Bildung, van vorming altijd heel sterk naar voren.’

Maar in de Nederlandse academische wereld proefde hij voornamelijk een sfeer van systematiek en modellen, van studenten die protesteren als er wordt uitgewijd over iets wat niet is terug te vinden op de powerpointpresentatie. ‘Daarmee wordt een instrumenteel wereldbeeld gediend, maar niet een wereldbeeld van een goede samenleving.’

De Academia Vitae, die in 2006 haar deuren opende en vijf jaar zou bestaan, moest de leemte opvullen. Een universiteit voor studenten van alle leeftijden, waarbij kennis van de klassiekers gedurende het gehele curriculum diende als gemeenschappelijke basis en als referentiekader. En waar de ontologie, de epistemologie, ethische vragen en maatschappelijke vragen centraal stonden bij de invulling van het onderwijsprogramma. Met als belangrijkste doel de ontwikkeling van de samenleving. ‘Het is een privilege om naar de universiteit te gaan. De kennis die je daar opdoet moet je ten dienste stellen van de samenleving.’ Als kritisch burger, met kennis van cultuur en geschiedenis, van tradities en van de bronnen van de beschaving.

Klamer treft die kennis zelden aan bij zijn studenten aan de Erasmus Universiteit. ‘Ze lopen door een museum maar zien niets. Omdat ze de context niet kennen van wat ze zien. Ze weten het verband niet tussen Pasen en het kruis. Dat levert een heel oppervlakkige ervaring op.’

Die zelfde vervlakking ziet hij in het algemeen in het huidige Nederland, gevolg van tientallen jaren van verschraling van het onderwijs. Gebrek aan kennis leidt tot een obsessie met het nieuws van de dag, tot hypes omdat het nieuws niet kan worden geplaatst in het licht van het verleden. Een ontwikkeling die de gevleugelde uitspraak ‘met de kennis van nu’ van Jan Peter Balkenende een heel nieuwe dimensie geeft. ‘Het geeft een angstig gevoel als je niet snapt dat bepaalde ontwikkelingen of gebeurtenissen in het verleden ook al hebben plaatsgevonden, verklaarbaar zijn en niet van de ene op de andere dag uit de lucht komen vallen.’

De Academia Vitae was geen lang leven beschoren, mede door de opkomst van de university colleges, die zich ook ten doel stellen studenten breed te ontwikkelen, tot goede wereldburgers, met alle benodigde kennis van dien. Een fenomeen dat de afgelopen jaren net als het gymnasium een groot succes is gebleken. Voor Klamer een bewijs dat de intrinsieke interesse voor meer dan praktische, economisch nuttige kennis weldegelijk aanwezig is bij veel jongeren.

Hij vertelt over een voorlichtingscollege van de Academia, voor scholieren in hun eindexamenjaar. Niet alleen leverden ze op geheel vrijwillige basis essays in en lazen ze zonder morren de verplichte literatuur, ze weigerden hun discussie over Heidegger te stoppen toen Klamer opperde of het geen tijd was voor pauze. ‘Ze waren al anderhalf uur bezig, maar ze wilden per se door. Ook toen ik al niet meer snapte waar het over ging.’

In haar lectorale rede Voor wie durft… Diversiteit en kritisch burgerschap, eerder dit jaar, verhaalde Monique Leygraaf van de Hogeschool iPabo over de Griekse logos en mythos, de rede en de mythe, de verhalen. In de Griekse oudheid vormden die een sterk verbond, maar in de hedendaagse samenleving staan ze vaak lijnrecht tegenover elkaar.

Ze illustreert de relatie tussen de twee met een fragment van Toon Tellegen, waarin een fladderende vlinder een pragmatische zwaan leert zijn gedachten te laten gaan en zich te verliezen in de mythos. ‘Er vielen gaten in de gedachte van de zwaan, flarden raakten er los en woeien weg, en tegen het eind van de middag was niet een van zijn gedachten meer statig of recht. Met grote ogen keek hij om zich heen, zijn hart bonsde en toen de vlinder hem opeens een duw gaf, sprong hij op en fladderde hij rond, totdat hij op de grond viel. Au, zei hij. Maar hij lachte.’

Die lach raakt aan het leerplezier dat Rosenmöller graag op grotere schaal ziet terugkeren in het Nederlandse onderwijs. Dat leidt tot diepgang, nieuwsgierigheid, het ontdekken van interesses en talenten en uiteindelijk tot de vorming van de kritische burger die ook hij ziet als hoogste doel van het onderwijs. Hoewel ook hij daarbij het belang ziet van kennis van cultuur, tradities, de context waarin je opereert, hamert hij vooral op het leren van vaardigheden. ‘Debatteren, spreken in het openbaar, sociale vaardigheden, noem maar op. Een gezonde democratie heeft tegenspraak nodig, maar dat moet je wel leren.’ En dat gebeurt te weinig in het huidige systeem, dat ook in zijn ogen is doorgeslagen richting economisch nut, richting het opleiden voor een vervolgopleiding en vervolgens voor de arbeidsmarkt.

Marten Elkerbout weet dat hij verkeert in een luxepositie. Leerlingen die over het algemeen plezier hebben in het vergaren van kennis, docenten die zich verzekerd weten van tieners met veel potentie, ouders die net als hij waarde hechten aan kunst, literatuur, geschiedenis en nutteloze kennis. Hij kan het zich dan ook permitteren om de kritiek van Han van der Maas, de hoogleraar psychologie die opriep de klassieke talen te vervangen door programmeren, terzijde te schuiven. Zijn leerlingen redden het ook wel zonder een vak dat door werkgevers momenteel hoog in aanzien staat en dat de Nederlandse economie goed zou kunnen dienen.

Niet dat hij uitsluit dat programmeren ooit als vak zal worden aangeboden op het Barlaeus. Maar op zijn voorwaarde. ‘Ik denk dat programmeren een grote intrinsieke waarde heeft en dat het voor sommigen een heel mooi vak kan zijn. En nuttig. En dan bedoel ik niet nut bij het vinden van een baan, maar omdat het je logica leert en, net als bij de klassieke talen het geval is, leert algoritmisch te denken. Programmeren kan vormend werken. En dat zal bij ons altijd het uitgangspunt zijn.’