Wat heeft het allemaal opgeleverd?

Het ging over de jaren tachtig, die donderdagavond in het Korzotheater in Den Haag. Over de dans in de jaren tachtig. Een openbaar gesprek in het kader van het programma Zonegrens.

Deskundigheid was er genoeg er in huis. Een podium en een zaal vol mensen die het vorige decennium dansend of kijkend naar dans hebben doorgebracht. Toch wilde er geen beeld van de jaren tachtig ontstaan. Wel een beeld van de jaren negentig. Dat kwam bijvoorbeeld door die computer aan de zijkant van het podium. Daar zat de hele avond een meisje op te tikken, als een moderne stenotypiste. Het voortdurende getik op het toetsenbord was een geruststellend geluidsdecor bij de chaotisch verlopende discussie.
Maar naarmate het gesprek moeizamer verliep, klonk het getik minder dienstbaar. Het meisje werd ook steeds luidruchtiger. Ze zuchtte, mompelde van alles, stopte soms demonstratief met tikken om pas veel later plotseling verder te gaan. Hier werd niet geregistreerd; hier werd commentaar geleverd. Als een sportverslaggever zat het meisje aan de zijlijn.
Ineens herkende ik haar als iemand van Datum, het theatertijdschrift op Internet. Ze keek niet op van het beeldscherm, was eigenlijk maar half aanwezig bij het gesprek in de zaal. Haar andere helft zat bij het verslag dat ze binnenkort het Net op zou sturen, in de virtuele ruimte van het wereldwijde computernetwerk. Maar de sprekers op het podium waren ook niet zo erg aanwezig. Ze waren met hun gedachten bij de jaren tachtig, dat was immers de bedoeling. Jaren die we volgens de organisatie van Zonegrens net met voldoende afstand kunnen bekijken ‘om hun erfenis te overzien en voorzichtig te proberen deze op haar waarde te schatten’.
Self made dansmaker Wim Kannekens vertelde dat hij ging dansen omdat hij dat niet kon. Als ongeschoold bewegende dichter verpersoonlijkte hij een oprechte kwaliteit waar de dans indertijd naar op zoek was. Dramaturg/dansprogrammeur Robert Steijn sprak over een zoektocht naar echtheid, die de dans tot danstheater maakte. En over de macht van een internationaal danscircuit waarin jonge choreografen meteen moesten scoren. Danscritica Eva van Schaik noemde de groeiende mondigheid van de dansers, en de vooruitgang in faciliteiten en sociale voorzieningen die deze emancipatie tot gevolg had. En ze constateerde dat deze verworvenheden momenteel worden afgebroken zonder dat er wordt gereageerd.
Maar de uitspraken regen zich niet aaneen tot een inhoudelijke discussie of een stevig verhaal. De voorzitter van het gesprek, Tanja den Broeder, aangekondigd als 'voormalig choreografe en dansperformer’, hielp niet echt mee. 'Wat heeft het dan allemaal opgeleverd!’ riep ze steeds bozer. De voorge sprekken met de gasten waren veel beter geweest, brieste ze. Maar ze miste de tegenwoordigheid van geest om met de juiste vragen die gesprekken van weken eerder opnieuw actueel te maken.
Danseres Katie Duck was als enige op die donderdagavond verpletterend aanwezig. 'In de jaren tachtig ben ik in Nederland een halve ambtenaar geworden’, sprak de Amerikaanse beslist. 'Ik heb mij aangepast aan de instituties, vul formulieren in voor subsidies, ook al kan ik mezelf daar nauwelijks in herkennen. Nu wordt het wel eens tijd dat de instituties zich gaan aanpassen aan de dansers. The institutions have to face us!’ Indringend keek ze naar haar buurman aan de gesprekstafel: Paul Bronkhorst, beleidsmedewerker bij het Theater Instituut Nederland. Ze sprak haar buurman aan op zijn verantwoordelijkheden, probeerde tot hem door te dringen. En daarmee liet ze een kwaliteit zien die haar dansimprovisaties al decennia lang kenmerkt: het vermogen om iedere ontmoeting op een podium ter plekke te beleven en uit te buiten. Zonder dat ze van te voren een idee heeft over wat het moet opleveren. 'De jaren tachtig waren de tijd van de yuppies en de opportunisten in de dans’, sprak ze na afloop van het gesprek opgewekt. 'Ik ben blij dat ze voorbij zijn.’