Wat het is

Ik ken mensen die hun dochter Agnes noemden omdat het zo’n lelijke naam is. Dan is het altijd een meevaller als zij eraan vast blijkt te zitten, was hun redenatie. Op een feestje werd ik aangeklampt door een vriendin van een vriendin, blond, extravert, gulzig.

Het glas in haar hand was leeg. Ze loenste een beetje, terwijl ze me indringend meedeelde dat mannen altijd van haar dachten dat ze een slet was. Maar ach weet je, zei ze, verschikte haar imposante borsten en schonk zich nog eens bij. Laat ze maar denken. Ik zit er niet mee.

Tijdens mijn studie leerde ik dat literatuur zich onderscheidt van iets anders omdat het verwachtingspatronen doorbreekt. Ik kan me voorstellen dat mannen van een koude kermis thuiskomen als ze denken een slet mee naar huis te hebben genomen.

Ik was uitgenodigd ergens in Noord-Holland om te komen spreken over literatuur. Onderweg – ik moest eerst met de trein naar station Bijlmer Arena en dan met de bus – dacht ik aan mijn vroegere leraar wiskunde. Broeder Nolascus heette hij, hij zal nu wel dood zijn. Hij droeg een beige stofjas waaruit de krijtwolken opstegen, en hij had permanent een sigaret in zijn mondhoek. Hij praatte ook met die sigaret in z’n mond, geen probleem. Ik loste alle vraagstukken moeiteloos op, maar snapte niet wat ik ermee moest. Wat betekent het? vroeg ik soms na de les aan hem. Hij tekende dan nog eens met driftige halen stuivend en rokend een paar parallellogrammen op het bord.

Kijk, zei hij. Als je zo’n figuur ziet, dan weet je wat het is.

Ja maar wat ís het?

Dít is het, zei hij.

Achteraf denk ik dat mijn abstraherend vermogen mede dankzij de lessen van broeder Nolascus een grote vlucht heeft genomen. Iets is soms niet meer dan zijn verschijningsvorm. In De ontdekking van de hemel typeert Harry Mulisch zijn hoofdpersoon door diens weerloosheid te beschrijven als iemand haar zinnen op hem zet. De wil van de ander ervaart hij als zijn eigen liefde voor haar. Iemand moet je op een idee brengen. Kom te voorschijn, zei broeder Nolascus tegen me. Je verbergt je achter je haren.

Mijn lezing over literatuur ging goed, het publiek – zestig vrouwen, twee mannen – hing aan mijn lippen. Iedereen en alles liet ik de revue passeren, van Alice Munro tot Bernard Dewulf, van Edna O’Brien tot Martinus Nijhoff. Ik hoefde niet eens mijn toevlucht te nemen tot een eindeloze voorleessessie. Voor ik het wist kon ik de pauze aankondigen. Daarna zou iedereen alles aan me mogen vragen. Een mevrouw op de eerste rij wilde alleen nu alvast wat zeggen. Gaat uw gang, zei ik.

U heeft iets heel anders verteld dan ik verwacht had, zei ze.

Ik liet de mededeling even tot me doordringen, zag de afkeuring in haar ogen. En ze zei: in de brochure stond deze avond heel anders aangekondigd.

Wat eerst nog een aangename ambiance was, was opeens vijandelijk gebied

Leek het nou zo, of waren een paar mensen in het publiek aan het knikken, steels, zodat ze er ook onmiddellijk mee op zouden kunnen houden als ik hun kant op keek? Wat een seconde geleden nog een aangename ambiance was, was van het ene op het andere moment vijandelijk gebied. Waar ik ‘goed’ zei moet ‘slecht’ komen te staan, en ‘hing aan mijn lippen’ moet worden ‘keek me bevreemd aan’.

Wat had u verwacht dan? vroeg ik.

Ze keek even om zich heen, zoekend naar medestanders.

U heeft de brochure toch wel gelezen? sprak ze.

’s Ochtends had ik mijn fiets ter reparatie naar de fietsenmaker gebracht. Ter plekke liet hij mijn voorband in één snelle handeling leeglopen. Het verbaasde me dat ik het geluid waarmee dat gepaard ging nu niet hoorde.

Ik had verwacht dat u zou vertellen wat literatuur is, en wat niet, zei ze.

Ik keek naar de vrouw die eruitzag alsof ze niet gauw tevreden zou zijn, met welk antwoord dan ook. Ontwikkelt een karakter zich in de loop van de tijd, zoals dat in romans gebeurt? Ik vraag het me wel eens af. Mijn bloed zou toch al lang trager moeten zijn gaan stromen, ik zou minder scherp moeten voelen, voorzichtiger moeten zijn geworden.

Op een reünie van school kwam broeder Nolascus meteen op me af. Eeuwig zonde vond hij het dat ik niet verder was gegaan met wiskunde.

Een van de twee mannen was na de pauze niet teruggekomen. De andere was op me afgestapt om te zeggen dat hij de boeken van Hella Haasse geen literatuur vond. Als ik dat lees, zei hij, dan denk ik: dat kan ik toch echt beter.

Na afloop bracht de organisator me naar de bushalte. Het is jammer, zei hij, dat we in een tijd leven waarin iedereen denkt alles en overal maar te moeten kunnen zeggen. Ik dacht dat ik hem moest geruststellen. Zeggen dat het een vruchtbare uitwisseling was geweest, waarbij een hoop boven tafel was gekomen. Toen ik in de bus stapte, zei hij toevallig die dag te hebben gelezen dat Bijlmer Arena het gevaarlijkste treinstation in Nederland was. Ik kan het hebben, zei ik.