Retorica en democratie

Wat het publiek wil

De retoricus Burke zag het gevaar van de retoricus Hitler op een moment dat velen in Amerika Hitler nog zagen als een leider die stabiliteit bracht op het Europese continent. Ofwel: de retorica is onmisbaar voor de democratie. —

De retorica is een edele kunst, maar ook een gevaarlijke. Plato vreesde al dat de deskundige beoefening van de kunst van het overtuigen niet in dienst zou staan van het Ware, het Goede en het Schone, maar van de leugen, de macht en de schijn. Vergeleken met Plato is Quintilianus een optimist: Quintilianus gelooft dat uitgebreide scholing in de kunst van de retorica in com bi na tie met een training in alle andere kunsten die een goed burger in de vingers moet hebben, heilzaam is voor de samenleving. Quintilianus beweert in boek XII van zijn Opleiding tot redenaar niet alleen «dat wie redenaar is een goed mens behoort te zijn, maar ook dat wie geen goed mens is nooit een redenaar zal worden». Of, in de fraaie vertaling van Piet Gerbrandy: «Welsprekendheid en morele kwaliteiten versterken elkaar.»

Wij menen nu wel beter te weten. Neem Lenin, Goebbels of Hitler. Zou het niet veeleer zo zijn dat de retorica een kunst is die zowel voor goede als voor slechte doeleinden kan worden aangewend en die geen inherente beschavende werking uitstraalt? Inderdaad kan de lezer die alleen op retorische technieken let in alle toespraken ongeveer dezelfde stijlfiguren aantreffen. Als Churchill bloed, zweet en tranen belooft, gebruikt hij op effectieve wijze de figuur van de drieslag die bij Hitler volk, staat en Führer aan elkaar verbindt. Deze ontdekking is echter minder schokkend dan het wellicht lijkt. Alle teksten die op overtuiging van de ander gericht zijn, maken gebruik van retorische technieken. We vinden de drieslag bijvoorbeeld niet alleen in politieke redevoeringen, maar ook in preken, in advertentieteksten en sinterklaasgedichten. De ontmaskering van retorische stijlmiddelen lijkt dan op de onthulling dat iemand, zonder het te beseffen, al zijn hele leven proza spreekt.

Zo snel is het gevaar van de retorica echter niet bezworen. Kennis van de wetten van de overtuigende communicatie is een van de voorwaarden voor macht. Wie retorische categorieën kent, kan ermee manipuleren. Er is een veel groter gevaar te vinden dan het gevaar van de fraaie verwoording. Dat is het gevaar meegesleurd te worden in een redenering die eigenlijk niet de jouwe is, omdat de spreker weet wat je vindt en daar handig op inspeelt; het is het gevaar van de ver leidelijkheid. Aristoteles beschreef dat mechanisme al. Wetenschappelijke argumentatie gebruikt stellingen die expliciet met elkaar verbonden worden en zo aan kritiek bloot kunnen staan. Voor politieke argumen tatie is veeleer kenmerkend dat de spreker een beroep doet op impliciete meningen, op vooroordelen van het publiek, en dat hij het publiek de redenering zelf laat afmaken (dit heet werken met het enthymeem). Juist de publieksgerichte spreker die zijn gehoor stapje voor stapje medeplichtig maakt aan de redenering, weet veel te bereiken.

Hoewel Hitler niet geschoold was in de klassieke retorica gebruikte hij in Mein Kampf dit procédé. Het is interessant dat er een retoricus aan te pas moest komen om te laten zien hoe het werkte. Kenneth Burke was de belangrijkste Amerikaanse auteur over retorica uit de vorige eeuw. In 1939 maakte hij voor het tijdschrift The Southern Review een indringende analyse van de retorische strategie van Hitler. Mein Kampf was kort daarvoor in Amerika in vertaling verschenen. Er waren meteen negatieve reacties op gekomen, maar Burke vindt die te «vandalistisch». Men ging over tot het toebrengen van symbolische verwondingen en wierp het boek op een denkbeeldige brandstapel, maar het zou verstandiger zijn eerst eens goed te analyseren wat het boek eigenlijk teweegbracht en waarom. Want Mein Kampf is het politieke testament van een man die een volk wist te verenigen, en die analyse kan helpen te voorspellen waartoe deze man verder in staat is en wat voor «medicijn» hij de gewonde Duitse natie aanbiedt; als we dat weten, kunnen we ons ook beter teweerstellen tegen soortgelijke medicijnen in de Amerikaanse situatie. Let wel: Burke schrijft dit op een moment waarop men nog niet weet wat Hitler met de joden van plan is en men in Amerika nog niet weet dat men in oorlog zal raken.

De analyse van Burke komt neer op een reconstructie van Hitlers beeld van zijn publiek. De Duitsers zijn militair vernederd en zitten economisch aan de grond; de staatsorde van Weimar valt uit elkaar. Het publiek wil eenheid, kracht en glorie. Hitler biedt de eenheid, de kracht en de glorie van het arische ras dat de bestemming heeft een volk van heersers te zijn. Hij projecteert alle kwalen en kwaden op een zondebok: de joden, de vijand die met alle kracht — en dus in gehoorzaamheid aan de Leider — bestreden moet worden om als arische natie met een hoge bestemming zichzelf te realiseren. Burke ontwaart in deze strategie christelijke motieven. Hitlers wereldvisie is een verbastering, een perversie van religieuze denkpatronen, waarbij Hitler uiteindelijk de positie krijgt toebedeeld van de Messias (en de joden die van de schuldigen aan de kruisiging).

Omdat die religieuze denkpatronen ook aanwezig zijn in de Amerikaanse cultuur vreest Burke dat het risico bestaat dat de redeneertrant van Hitler door Amerikaanse leiders in een wat andere vorm wordt nagedaan. Het verlangen naar eenheid kan worden gemanipuleerd in een religieus vocabulaire, met voorbijgaan aan de werkelijke economische en sociale tegenstellingen.

De retoricus Burke zag het gevaar van de retoricus Hitler op een moment dat velen in Amerika Hitler nog zagen als een leider die stabiliteit bracht op het Europese continent. De retoricus Burke ontmaskerde de retoricus Hitler en voorspelde gevaar — niet alleen voor de joden, maar voor iedereen die in religieuze motieven houvast zoekt in een onveilige en verwarrende wereld. De retoricus Burke kunnen we nu nog met vrucht lezen als we geconfronteerd worden met christelijk fundamentalisme in de politiek, als we nadenken over de zondebokken van deze tijd, als we ons afvragen hoe economische tegenstellingen zich nu van eenheidsstichtende ideologieën bedienen. En we kunnen van Burke leren dat de retorica zeker een gevaarlijke kunst is, maar dat juist de geschoolde retoricus de strategieën van de macht weet te ontmaskeren. Ook de heel verleidelijke strategieën zijn verdacht: mensen aanspreken op het gesundes Volks empfinden: de dingen waarvan iedereen denkt dat ze politiek correct zijn. De retorica leert de redenaar dat er geen enkele argumentatie is die onaantastbaar of onweerlegbaar is en dat er altijd een wisseling van perspectief mogelijk is. De retoricus doet zijn werk in het besef dat er in een vrije samenleving ruimte is voor een pluralisme van waarden, visies en analyses. Zo levert de retorica een onmisbare bijdrage aan de democratie. Inderdaad, welsprekendheid en morele kwaliteiten versterken elkaar.