In welk antiquariaat ik hem precies tegenkwam weet ik niet meer, maar Boudewijn Büch had een opvallende tas vol boeken bij zich. Het was zeker op een mooie dag in 1990. Dat het ‘mooi’ was, weet ik omdat Boudewijn, wiens columns ik af en toe voor Het Parool mocht redigeren, tegen mij zei, wijzend op mijn korte broek: ‘Dit kan echt niet! Boven de veertien hoor je geen korte broek meer te dragen.’

Ik vond dat hij wel gelijk had, maar mijn nieuwe vriendin had gezegd: ‘Je benen vind ik werkelijk razend aantrekkelijk.’ En dus droeg ik destijds, zodra de temperatuur boven de twaalf graden kwam, mijn scherp gesneden korte jongenspantalon.

‘Hoe staat het trouwens met dat jonge dochtertje van je over wie je echt veel te veel in de krant schrijft?’ vroeg Boudewijn en terwijl ik dat vertelde rommelde hij in z’n tas en zei: ‘Hier, dit is voor haar.’ Hij gaf mij zijn enige door hem geschreven kinderboek: Plinius Pinguïn.

Ik was ontroerd en dankte hem hartelijk. Het boek bleek net verschenen. Toen ik het thuis wilde voorlezen, bleken er hele happen uit de pagina’s te zijn genomen, alsof een jonge hond z’n puberale jachtinstinct had uitgeleefd.

Het boek zelf vond ik matig, al zou het tegenwoordig weleens een succes kunnen worden. ‘Plinius Pinguïn denkt dat hij in Nederland een veel beter leven kan krijgen dan op de Zuidpool. Zijn hoofd is op hol gebracht door de leden van een expeditie die de Zuidpool van vervuiling wil redden’, lees ik bij boekmeter.nl.

Matig vond ik vooral Boudewijns stijl van schrijven. Zinnen als: ‘Scheer je weg!’ En: ‘“Maar Plinius toch”’, zei de professor heel erg aardig terwijl hij hem over zijn kop streelde (…).’ En: ‘Freddy krabde zich achter zijn oor. “Daar vraag je me wat.”’

Boudewijn was waarschijnlijk ook verzamelaar van het werk van Dik Trom.

Maar Plinius vond ik een leuke naam. Die pinguïn niet. Ik dacht dat die naam een koosnaampje was voor Boudewijns vriendin Pauline Drost, die de aardige tekeningetjes in het boek had gemaakt.

Een paar jaar later, in september 2004, kwam ik de columnist Hugo Brandt Corstius tegen in een boekwinkel in de Amsterdamse Beethovenstraat.

‘Ik zoek een boek voor mijn dochter. Die wordt binnenkort negentien’, zei ik.

Hugo wees mij op het boek De wereld: Naturalis historia door Plinius. Vertaald door Joost van Gelder, Mark Nieuwenhuis en Ton Peters. Uitgegeven bij Athenaeum – Polak & Van Gennep. Een boek van bijna duizend pagina’s.

Non-fictie wordt fictie. Dat gebeurt als de werkelijkheid paart met absurditeit

Ik twijfelde.

‘In het boek staat alles wat een jonge vrouw moet weten. Van vrouwenkwalen tot magische formules’, zei Hugo.

Meende hij het of nam hij me in de maling? Overdreef hij? Ik kocht het boek. Voor mezelf.

Een paar dagen later stond er in Trouw een razend enthousiaste recensie van Hugo. Hij schreef: ‘Ik ben dus Plinius gaan lezen en ik heb mij zeer geamuseerd en ook veel geleerd. Soms lijkt het op een pagina uit het Guinness Records-boek. De kleinste vrouw, de duurste slaaf, de oudste mens.

Soms lijkt het op een roddelblad – dat gaat dan meestal over keizers. Plinius was een verstandig man en dus een republikein (“Op Ceylon wordt de koning afgezet als hij een kind krijgt”), maar hij leefde in de keizertijd.’

Inderdaad: weinig boeken zijn zo fascinerend als deze ‘eerste encyclopedie ter wereld’. Niet onvermeld mag blijven het indrukwekkende nawoord van de drie vertalers dat vol zit met duiding en biografische gegevens.

Ik zag ook iets anders. Deze encyclopedie was zeker ook literair. Plinius schreef alles op en over wat hij hoorde en las. Soms humoristisch en hilarisch, soms boos, onbegrijpelijk en absurd. Hij was constant aan het werk en maakte geen onderscheid tussen feit en fictie. Hij plagieerde, noteerde en fabuleerde. Je leest dus soms J.M.A. Biesheuvel, soms I.F. Stone en soms Karel van het Reve.

Duizenden en duizenden onderwerpen waaronder: ‘Vissen met voorspellende gaven; Rijkdom van de aarde en misbruik van de mens; Planten die de geslachtsdrift beïnvloeden; Genezende woorden en formules; Mensen met magische gaven; Seksuele gemeenschap; Menstruatie.’

Plinius schreef en schreef. Non-fictie wordt fictie. Dat gebeurt als de werkelijkheid paart met absurditeit. Het was een doos vol bewaarde cultuur.

Nu begrijp ik hoe Boudewijn Büch Plinius wilde zijn: een allesweter die wat hij niet wist verzon uit liefde voor kennis.

Gesproken over absurditeit: Toen Hugo mij De wereld aanraadde om voor mijn dochter te kopen, konden hij en ik niet vermoeden dat we spraken over de moeder van wat – helaas pas na zijn dood – zijn kleinkind zou worden.