De bibliotheek van de Führer

Wat Hitler las

Veel biografen lieten zijn boeken links liggen, maar de laatste jaren wordt meer onderzoek gedaan naar de bibliotheek van Adolf Hitler. Vaak pochte de Führer over zijn studie van de klassieke denkers. Verschaft zijn boekenvoorraad werkelijk inzicht in zijn karakter?

WASHINGTON — Op de derde verdieping van het Jefferson-gebouw, vlak achter Capitol Hill, staan twaalfhonderd boeken die ooit in het bezit waren van Adolf Hitler. De collectie is onderdeel van de American Library of Congress, de grootste publieke bibliotheek ter wereld. In het rariteiten kabinet op de derde verdieping hangen bordjes waarop in sierlijke letters staat geschreven welke boeken er zijn te vinden: de Roosevelt-collectie, de Wilson-bibliotheek, de werken uit het bezit van Thomas Jefferson. Geen aparte vermelding is er voor de Third Reich Collection, zoals de officiële naam van de Hitler-bibliotheek luidt. Waarschijnlijk klinkt de naam Hitler voor de directie van de bibliotheek te onplezierig tussen de namen van de Amerikaanse ex-presidenten.

De boeken van Hitler zijn naar Washington versleept door de militairen van de 101st Airborne Division. Ze troffen de verzameling in de lente van 1945 aan in een zoutmijn dicht bij Berchtesgaden. Van de aanvankelijk drieduizend boeken bleven alleen die met het ex-libris van de Führer in de collectie. De rest belandde in de algemene «gewone» verzameling van de Library of Congress of werd, als het om dubbele exemplaren ging, gewoon verkocht.

Zestig jaar geleden stonden deze twaalfhonderd boeken dus in de kast in de Berghof, het «adelaarsnest» van Adolf Hitler. Ze vormden een boekenvoorraad waarin de leider van het Derde Rijk placht te studeren en die sympathisanten ontzag inboezemde. Hij zei zich daarbij niet gek te hebben laten maken door de praatjes en schrijfsels van de intellectuele elite. Onder hen zaten veel te veel joden, de verantwoordelijken voor verderfelijke modernistische trends als kubisme en dadaïsme. Als man van het volk was Hitler bij uitstek in staat geweest om op eigen gezag het kaf van het koren te scheiden. Wat overbleef waren slechts de waarlijk Duitse dichters en denkers, de scheppers van de cultuur van het avondland.

Althans, zo deed Hitler het graag voor komen. Maar heeft hij de twaalfhonderd boeken die in Washington worden bewaard ook allemaal echt gelezen? Bladerend door de boeken — je kunt er vijf per keer aanvragen — rijst onweerstaanbaar de vraag of ook de vingers van Adolf Hitler over deze pagina’s zijn gegleden. Was dat potloodstreepje van hem? Zou hij het werkelijk geweest zijn die op bladzijde 241 van Worte Christi in de kantlijn dat dunne markeringsstreepje heeft gezet bij de zin «Heb uw naaste lief als uzelf»? Is dat dezelfde hand geweest van de uitroeptekens en vlaggenstokken in een van de twee exemplaren die in de bibliotheek zijn te vinden van Paul de Lagardes Duitse essays? Daarin is de zin waarin de auteur pleit voor gedwongen verhuizing van Poolse en Oostenrijkse joden naar Palestina niet alleen onderstreept, er staat ook nog eens een dubbele en vette lijn in de kantlijn.

Ook de andere aantekeningen in dit boek maken de verleiding onweerstaanbaar er onheilstijdingen in te lezen. Groot is ook de sensatie van de ontdekking dat in deze collectie inderdaad menig boek over architec tuur en schilderkunst is terug te vinden. Hitler had immers verklaard dat hij die veelvuldig ter hand nam in de meest penibele dagen van de oorlog. Na de opening van het Oostfront bladerde hij er uren in alvorens hij de slaap kon vatten.

Hitler liet zich er graag op voorstaan een groot denker te zijn, geïnspireerd door andere grote denkers. In een van de monologen die hij tijdens de oorlog afstak in de Wolfschanze, het Führerhauptquartier, verklaarde hij politicus te zijn tegen wil en dank. Als hij niet was uitverkoren om Duitsland te leiden, had hij kunstenaar willen worden of filosoof. («Als er iemand anders was gevonden, was ik nooit de politiek in gegaan; ik zou kunstenaar zijn geworden, of filosoof.») Zijn naaste omgeving bevestigde dit beeld. Goebbels schrijft in zijn dagboek dat Hitler urenlang met hem sprak over Hegel, Kant, Schopenhauer en Nietzsche. En zijn enige vriend in zijn middelbareschooltijd, August Kubizek, schrijft in zijn memoires: «Boeken, boeken, altijd boeken! Ik kan me Adolf gewoon niet voorstellen zonder boeken. Boeken waren zijn wereld.» Maar die memoires van Kubizek (Adolf Hitler; mein Jugendfreund) werden deels geschreven toen Hitler nog leefde, betaald met een toelage van de partij. Overdreven of niet, in elk geval bevestigen ze het beeld van Hitler als lezer.

Ook ingenieur Josef Greiner deed een duit in het zakje. Naar eigen zeggen was hij vanaf 1906 in Wenen en later in München met Hitler omgegaan, wat nadien overigens op goede gronden is betwijfeld. Greiner schreef in Das Ende des Hitler-Mythos (1947) dat Hitler eindeloos vertalingen las van Oudgriekse en Romeinse teksten. Ook kende hij de 25.000 verzen van Parsifal beter dan «menige professor». En ja, in 1936 verklaarde Hitler inderdaad: «Aus ‹Parsifal› baue ich meine Religion.»

Voor de oorlog al wisten voor- en tegenstanders van Hitlers gepoch met boeken wijsheid. In 1938 schreef Maurits Dekker na lezing van Mein Kampf in een kritische brochure getiteld Adolf Hitler: Een poging tot verklaring dat Hitler «er alle mogelijke moeite voor doet zijn lezers de indruk te geven dat hij een zeer belezen man is (wat tot op zekere hoogte in overeenstemming met de waarheid is), die zich een eigen oordeel vormt (wat minder in overeenstemming met de waarheid is)». Belangrijk is daarbij te bedenken dat die belezenheid voor zijn tijd niet bijzonder was. Onlangs promoveerde politicoloog Jaap Hagen aan de Universiteit Leiden met het proefschrift Nietzsches weerklank in nazi-Duitsland, waarin hij het lees gedrag van nazi’s en ook van hun leider nagaat. Hagen: «Natuurlijk las Hitler. Hij was zelf ook een cultuur product. Anders gezegd: een product van een samenleving waarin lezen werd gewaardeerd en gepraktiseerd.»

Hagen bevestigt dat er weinig zinvol onderzoek is gedaan naar het leesgedrag van de Führer. «De impliciete opdracht aan veel Hitler-onderzoekers is natuurlijk: maak van Hitler geen intellectueel. Dat was hij ook niet, maar geheel onbelezen kun je hem niet noemen. Na de oorlog kwam het natuurlijk beter uit hem te banaliseren dan hem te portretteren als een lezer.» Maar dergelijk onderzoek is ook niet eenvoudig. Hagen: «Er zijn zoveel pogingen gedaan het nazi-regime te legitimeren en juist te banaliseren. Bovendien had Hitler, zoals menige autodidact, de neiging om zich alles dat hij hoorde of las toe te eigenen. Hij heeft niet netjes verteld wat hij had gelezen.»

Om begrijpelijke redenen is lezen niet de eerste associatie bij het horen van de naam Hitler. De niet te bevatten omvang van zijn misdaden maakt hem bij uitstek een man van de daad, niet een van contemplatie. Ook zal hij eerder worden geassocieerd met het verbranden van boeken dan met het lezen ervan. Toch zijn er genoeg aanwijzingen dat hij ook echt las, vooral in de vormende Weense periode, toen hij, bijna negentien jaar oud, als wees in Wenen arriveerde. Er was niemand die hem raad kon geven en hij moest zelf selecteren wat waard was om tot zich te nemen. In Mein Kampf beschrijft hij deze tijd als een tijd van romantische armoede, waarin hij ansichten moest schilderen om aan de kost te komen. Tegelijkertijd ziet hij het als een periode waarin hij van moederskindje uitgroeide tot een cultuurliefhebber die maaltijden oversloeg om een opera kaartje te kunnen kopen. Door volhardende studie, beweert hij, kreeg hij inzicht in het lot van het Duitse volk en werd zo de geroepene om dat volk te verdedigen tegen het marxisme en het jodendom. Hij was in deze periode ook verslaafd aan het lezen van kranten, zo erg dat het ten koste ging van zijn werk als schilder.

In Mein Kampf legt Hitler ook zijn persoonlijke leesmethode uit, in een passage waarin hij opnieuw zijn afkeer uitspreekt van «intellectuele nietsnutten»: «Ik ken mensen die ononderbroken lezen, boek na boek, van pagina tot pagina, en toch zou ik ze geen ‹belezen mensen› willen noemen. Natuurlijk ‹weten› ze immens veel; maar hun brein schijnt niet in staat te zijn het materiaal dat ze uit de boeken hebben verzameld te schikken en classificeren.» Het lukt Hitler, naar eigen zeggen, de essentie uit boeken te isoleren en te bewaren als een steen in het mozaïek van zijn eigen wereldbeeld. «Lezen», schrijft Hitler, «is geen doel op zich maar middel.» Hij vindt dat wie zijn leesmethode hanteert altijd ogenblikkelijk weet wat hoofdzaak is in krant, boek of pamflet. De gewoonte te krassen en te onderstrepen tijdens het lezen lijkt hiermee in overeenstemming.

In Washington valt de diversiteit van de Hitler-bibliotheek op. Het is een bonte verzameling verheven en minder verheven werk. In de memoires van Hitlers oogappel Albert Speer, die de Neurenberger processen overleefde, wordt bevestigd dat Hitler een uiterst platte smaak combineerde met onmiskenbaar vertoon van goede smaak. Hij was een culturele omnivoor. Behalve dat hij genoot van Tiroler jodelfilms en gek was op de stompzinnige en volstrekt onnozele operette Die lustige Witwe van Franz Lehár las hij ook Goethe en Schopenhauer.

Vrij algemeen bekend is dat Hitler de boeken van de Duitser Karl May verslond. Hitler was dol op Winnetou en de verhalen met Old Shatterhand in de hoofdrol. In zijn jeugd las hij al graag avonturenverhalen als Robinson Crusoe, Gullivers reizen, De negerhut van oom Tom en Don Quichot; eenmaal volwassen bleef hij Karl May een plek op de boekenplank bij zijn bed gunnen, zoals een Duitse journalist in 1933 had gezien in Hitlers buiten verblijf in Beieren. Van hof architect en latere minister van Bewapening Albert Speer weten we dat Hitler de boeken van May gebruikte in tirades tegen zijn generaals. Als hij ze gebrek aan verbeeldingskracht verweet, raadde hij aan Karl May te lezen. «Geconfronteerd met schijnbaar hopeloze situaties», schrijft Speer, «zou hij deze boeken soms ter hand nemen, omdat ze hem moed verstrekten, net als filosofieboeken dat voor anderen doen, of de bijbel voor ouderen.» Speer geeft geschiedkundigen die de krijgsheer Adolf Hitler wilden begrijpen de tip Winnetou-verhalen te lezen. Van May leerde Hitler dat je de wereld ook kon leren kennen zonder er zelf doorheen te hebben gereisd. Dat je ook de strategie van een woestijnoorlog kon opstellen zonder een woestijn te hebben gezien. Nog in 1943 liet hij voor zijn frontsoldaten driehonderd duizend exemplaren van Winnetou drukken.

Maar Hitler zou ook de populaire filosofen van zijn tijd hebben gelezen, overigens altijd in het Duits. Zijn persoonlijke advocaat en de latere alleenheerser («General gouverneur») van Polen, Hans Frank, vertelde in zijn levensbericht Im Angesicht des Galgens, vlak voordat hij in Neurenberg werd opgehangen, dat Hitler zich in de gevangenis onledig had gehouden met het lezen van Nietzsche, Treitschke, Chamberlain, Ranke, Marx, Bismarck en andere politieke denkers. Geen betrouwbare bron kan dit bevestigen of ontkennen. Wel komt van verschillende bronnen de bewering dat Hitler gedurende de hele Eerste Wereldoorlog een tweedelig exemplaar van Schopenhauers Die Welt als Wille und Vorstellung met zich meezeulde. Joachim Fest is daar het stelligst over: «Hij beweerde zijn [Schopenhauers] werk mee naar het front te hebben genomen, en hij kon er hele passages uit citeren.»

Dat laatste is niet helemaal zeker. In Mein Kampf valt het nogal tegen. Daarin haalt Hitler Schopenhauer twee keer aan en beide keren met hetzelfde citaat over de jood als «de meester van de leugen», een gedachte die toch zeker niet centraal staat in de filosofie van de Duitse denker. Opvallend is ook de afwezigheid van Die Welt als Wille und Vorstellung in de Library of Congress. Toch is het waar dat Hitler dweepte met de Duitse filosoof. In een toespraak in maart 1942 brulde hij: «We hebben vandaag de dag geen dichters.» Althans, geen dichters die in staat waren «de taal te veranderen», waartoe alleen «de grootste denkers van een volk in staat zijn». «In de tijd die voor ons ligt», hield Hitler zijn gehoor voor, «is er maar één man opgewassen tegen die taak.» En of die nu al dood was of niet, Hitler loeide het antwoord over de menigte: «Schopenhauer!»

Het is niet verwonderlijk dat Hitler koketteerde met zijn zelfverklaarde begrip van Schopenhauers filosofie. In de tijd dat de Führer opgroeide las iedereen Schopenhauer. Bovendien had zijn held Wagner de filosoof «een geschenk uit de hemel» genoemd. Waarschijnlijk hielp het ook dat Schopenhauer zich bijzonder helder uitdrukte voor een Duitse negentiende-eeuwse denker, zeker in vergelijking met tijd genoten als Hegel, Schelling en Fichte.

Omdat Hitler zo met Schopenhauer wegliep, is het natuurlijk verleidelijk om in het werk van de filosoof het politieke en historische lot van de Europese twintigste eeuw te zoeken. Velen zijn voor die verleiding bezweken, en niet de minsten. Georg Lukács schreef: «Met Schopenhauer begint de voorbestemde en beslissende rol van de Duitse filosofie als ideologische gids van de extreme Reactie.» En Schopenhauers magnum opus is wel gebrandmerkt als «de bijbel van Hitlers denken». In een boek vol doldwaze speculaties, met de titel De jood van Linz, doet Kimberley Cornisch hetzelfde. Hij brengt Wittgenstein en Hitler bij elkaar, niet alleen als schoolgenoten, maar vooral ook als Schopenhauer-fans. Hij ziet Hitler al aan de macht wanneer Schopenhauer «de wil» boven kennis plaatst. Inderdaad speelt het woord «wil» een belangrijke rol in de nazi-propaganda. De bekendste film van Leni Riefenstahl heet zelfs Triumph des Willens. Toch moet een nazi Schopenhauer wel erg onzinnig interpreteren om er de nationaal-socialistische gewelddadige opvattingen over een nieuwe wereldorde mee te ondersteunen. In de tijd van zijn vroegste opkomst, omstreeks 1923, is het nationaal-socialisme door een scherpe criticus wel als «Die Welt als Wille ohne Vorstellung» gekarakteriseerd.

Bij Schopenhauer is de triomf van de wil juist de oorzaak van al het lijden. Om enige verlichting te krijgen, moet de mens zijn eigen wil van die kwade wereldwil bevrijden. Het helpt daarbij om zich te concentreren op het leed van de anderen.

Medelijden met de wereld, leg dat een nazi maar eens uit. Schopenhauer, die diep onder de indruk was van oosterse filoso fieën en religies als boeddhisme en hin doeïsme, gebruikte zelfs het woord «nirwana» om de weldadige toestand van willoosheid te beschrijven.

Natuurlijk zijn er ook prozaïscher redenen om Hitler en Schopenhauer te koppelen: hun dédain voor het christendom, hun liefde voor dieren — wat bij Hitler tot vegetarisme leidde en bij Schopenhauer tot lofzangen op zijn honden —, hun verlangen naar een autarkische staat, de gedeelde hekel aan vroeg opstaan, hun humorloze conversatie, de lange tenen en het opvliegende karakter. Toch staan daar veel verschillen tegen over. Hervormingen, revolutie en andere maatschappelijke veranderingen zijn bij Schopenhauer gedoemd te mislukken. En neem de voor Schopenhauers tijd ongewone maar sterke afkeer van het nationalisme. Nationale trots noemde Schopenhauer eens «de goedkoopste soort van trots», die «in degene die daarmee behept is het gebrek aan individuele eigenschappen verraadt waarop hij trots zou kunnen zijn».

De collectie in Washington bevestigt het beeld van Hitler-biograaf Alan Bullock, die schrijft dat Hitler «een onsystematische lezer» was. Zijn interesses waren talrijk en onsamenhangend. Astrologie, het antieke Rome, oosterse religies, vrij veel esoterie en religieuze werken: alles had zijn aandacht, maar nergens blijkt uit of hij van een van deze onderwerpen ook werkelijk iets heeft geweten, zo benadrukt Bullock. Decennia voordat het postmodernisme de scheiding tussen hoog en laag obsoleet verklaarde, las Hitler alles door elkaar. Net zoals hij idolaat was van Wagner maar ook graag meedeinde met een van zijn favoriete liederen: In meiner Badewanne bin ich Kapitän («In mijn badkuip ben ik kapitein»).

Opvallend is wel dat veel schrijvers die Hitlers interesse hadden buiten de gevestigde wetenschappelijke paden trachtten te treden of zich regelrecht afzetten tegen wetenschappelijke en intellectuele elites. Zo ging de door Hitler vaak aangehaalde H.S. Chamberlain er ronduit prat op een «unlearned man» te zijn. De Engelse antisemiet zag in het dilettantisme een belangrijke kracht en een gezonde «reactie op de autoritaire rol van de wetenschap». Het antwoord van Albert Speer op de vraag naar zijn kortste definitie van Hitler krijgt na bestudering van de bibliotheek meer diepte. Speer: «Hij was een genie in dilettantisme.»

Maar wat is nu het belang van deze verzameling boeken op de derde verdieping van het Jefferson-gebouw? Leren we Hitler beter kennen door wat hij las? We weten niet eens zeker welke boeken hij echt tot zich nam. In een artikel in Atlantic Monthly van mei vorig jaar klaagt Timothy Ryback de biografen aan die geen aandacht schonken aan de restanten van Hitlers privé-bibliotheek in Washington, niet in hun tekst, noch in hun verwijzingen. Verontwaardigd vraagt Ryback aan Ian Kershaw waarom hij de Washington-collectie niet aan nadere studie heeft onderworpen. Kershaw vertelt hem eerlijk dat de bibliotheek hem niet belangrijk leek.

Daar zegt de biograaf nu spijt van te hebben, vermeldt Ryback trots. Want Ryback meent dat hij grootse ontdekkingen heeft gedaan in de bibliotheek. Uit de strepen en aantekeningen in de kantlijn valt namelijk van alles op te maken, en dat doet Ryback ook. Ook Ambrus Miskolczy, een Hongaarse hoogleraar die afgelopen jaar Hitler’s Library publiceerde, trekt verregaande conclusies en herleidt allerhande denkbeelden van Hitler aan de hand van boeken en onderstrepingen.

Toch blijft twijfelachtig of Hitler de boeken uit deze collectie wel werkelijk heeft bekeken, laat staan gelezen. Uit onderzoek blijkt — want er is natuurlijk wel degelijk serieus bibliografisch onderzoek naar de collectie verricht — dat grote aantallen boeken giften betroffen van auteurs en uitgevers. Phillipp Gassert en Daniel Mattern zijn in vijf jaar tijd door alle boeken gegaan en hebben uitgezocht waar Hitler zijn boeken bewaarde, hoeveel boeken hij had gekregen en hoeveel hij er waarschijnlijk had aangeschaft. In The Hitler Library, een 550 pagina’s tellende bibliografie (Greenwood Press, 2001) concluderen ze dat de collectie in Washington waarschijnlijk slechts tien procent betreft van het totale aantal boeken dat Hitler aan het einde van de oorlog had verzameld. Hij kreeg in de jaren dertig jaarlijks honderden boeken opgestuurd, van uitgevers, vrienden, bewonderaars en auteurs. Aan het einde van de jaren dertig had hij drie verschillende privé-bibliotheken verspreid over het land, waarvan de collecties onophoudelijk groeiden. Uit veel exemplaren blijkt dat het geschenken van de auteur zijn.

Dit wordt in Washington bevestigd door de bibliothecaris, die enthousiast boeken laat zien waar voorin teksten staan geschreven als: «Für mein geliebter Führer». Onder andere van de familie Wagner. Hij laat ook zien dat de krabbels in de verschillende boeken soms onmogelijk van één en dezelfde persoon kunnen zijn. Gassert en Mattern maken daarom terecht een groot voorbehoud bij het trekken van conclusies na het doornemen van de twaalfhonderd boeken. Bibliothecaris Clark Evans moet wellicht daarom grinniken als hem naar Timothy Ryback van Atlantic Monthly wordt gevraagd. Hij herinnert zich hem; de man heeft inderdaad menig boek opgevraagd. Is Evans dan niet onder de indruk van de mooie vondst van Ryback, die in de vouw tussen bladzijden 162 en 163 van een reisgids voor Berlijn een lange zwarte haar vond? Het boek had er «heel gelezen» uitgezien, met gekrulde hoeken van met rood kaarsvet bezoedelde pagina’s en door Hitler gesigneerd op de openingspagina, na de in zijn handschrift gestelde aanduiding: «Fournes, 22 november 1915». Bibliothecaris Evans over de gevonden haar: «Yeah, right… zo’n man heeft iets moois bedacht, een artikel over deze collectie, hij raakt opgewonden en wil dan met iets groots thuiskomen. En dan vindt hij zo’n haar. Beste buitenlander, dat is nu typisch Amerikaans.»

Wel, het verlangen spectaculair met Hitler aan de haal te gaan, blijkt ook Nederlanders niet vreemd. Harry Mulisch verklaarde nog na de verschijning van zijn roman Siegfried: «Het was mijn ambitie om aan het slot van de twintigste eeuw iets definitiefs over Hitler te zeggen.» Maar het lijkt nu juist onmogelijk om iets definitiefs te zeggen over Hitler, ook na bestudering van diens bibliotheek. En toch, het zeggen van iets definitiefs over Hitler zonder bestudering van zijn bibliotheek lijkt al helemaal een onmogelijke opgave. Na enig grasduinen in de collectie wint in ieder geval Leonard Woolfs typering van Hitler aan kracht. Woolf, echtgenoot van Virginia, moest bij Hitler denken aan jachtpartijen in Ceylon. De halfverteerde voedselresten uit de ingewanden van de gedode roofdieren deden hem denken aan Hitler, uit wiens mond ook zo’n slecht verteerde massa feiten, pseudo-feiten en onzin kwam, opgedaan uit een amalgaam van onsamenhangende brokken literatuur, kunst, geschiedenis, muziek, theater, politiek en filosofie.