Wat ik ben, gaat kapot

WANNEER JE het leven ervaart als tweedehands, dan wordt ook je eigen bestaan vanzelf een soort holte. Wanneer je doordrongen bent van het besef dat mensen eenzaam zijn en altijd eenzaam zullen blijven, dan doe je niet langer moeite de kloof tussen jou en de anderen te dichten. Wanneer je je bestaan ervaart als een chaotische verzameling betekenisloze gebeurtenissen, dan zul je vatbaar worden voor de illusie van ordening en structuur, zoals die wordt aangebracht in een (fictieve) biografie. Jouw biografie.

Je gaat stilaan je biografie zoals die in je hoofd gestalte krijgt, het verhaal van jouw leven zoals jij je het voorstelt, meer waarderen dan je leven zelf. Je gaat je leven leiden alsof het je biografie was, zoals een acteur regieaanwijzingen volgt.
Die mythe die je van je leven maakt, heeft de samenhang en structuur die je leven mist. Er is een verhaal. Met een begin en een eind. Een mooi, rond, afgesloten verhaal. Zoals je zou willen dat ook jouw leven was.
Wat je doet heeft dan in de eerste plaats waarde voor je biografie, en niet voor het gewone leven. Past het in de structuur? Maakt het een elegant einde aan een hoofdstuk? Of je andere mensen pijn doet, of je fouten maakt, dat is van minder belang dan de plek van het betreffende stukje in de grote legpuzzel van de biografie.
Je leeft niet echt. Je leeft het verhaal dat je van je leven maakt. Je verwart dat verhaal met de werkelijkheid. Je kunt ten slotte niet meer het onderscheid maken tussen realiteit en dat mythische verhaal over het leven van die jonge man, jij.
JOTIE T'HOOFT moet zijn eigen levensverhaal hebben geleefd, in plaats van zijn eigen leven. Narcistisch, angstig, overgevoelig, eenzaam, teleurgesteld, zelfverklaard ‘anders’ en zwaar verslaafd aan diverse middelen als hij was, had dat verhaal tenminste nog glans. Dat kon hij van dat matte junkiebestaan van hem allang niet meer zeggen.
Het begon allemaal zo voorspoedig. Jotie T'Hooft werd geboren op 9 mei 1956 in Oudenaarde, als eerste en enige zoon van Marcel T'Hooft en Roza Bostijn. Ondanks, of dankzij, zijn niet geringe intelligentie wordt hij meer dan eens van school gestuurd.
Al vroeg experimenteert hij met drugs. Eerst exotica als vliegenzwam, hoestsiroop en doornappel, dan hasj en lsd, valium en astmapillen, vervolgens speed, dan heroïne en cocaïne.
Gezegend met een buitengewoon taalgevoel leest hij wat hij lezen kan, met een voorliefde voor, behalve strips en science fiction, Herman Hesse en andere hippie-esoterie.
Zijn eerste zelfmoordpoging doet Jotie T'Hooft in 1973. Hij probeert zijn polsen open te snijden.
Op zijn elfde of twaalfde begint hij gedichten te schrijven. Zijn onmiskenbare talent ontwikkelt hij gestaag verder. In het najaar van 1975 verschijnt zijn debuutbundel Schreeuwlandschap, uitgegeven door Manteau, waarvan de directeur sinds kort Joties schoonvader is: Julien Weverbergh, vader van Ingrid.
Tweede zelfmoordpoging in de zomer van 1976. Pillen en een fles whisky. Voor zijn tweede dichtbundel, Junkieverdriet, die in het najaar van 1976 verschijnt, krijgt Jotie T'Hooft de Reina Prinsen Geerligsprijs.
Door die twee bundels wordt hij al snel bekend, met name in Vlaanderen. In Nederland zijn de reacties op zijn werk altijd overwegend van lauw tot ijskoud tot regelrecht vijandig geweest. Ondanks, of dankzij, zijn faam, weet Jotie T'Hooft zijn leven op geen enkele manier enige structuur, enige orde te geven. Men vindt hem maar raar. En hij zichzelf ook. Hij vergelijkt zichzelf in zijn gedichten onder andere met het monster van Frankenstein en een buitenaards wezen.
Nog geen jaar na publicatie van zijn tweede bundel sterft Jotie T'Hooft. In de nacht van 5 op 6 oktober 1977 wordt een overdosis cocaïne hem fataal. Dat dit zelfdoding met voorbedachten rade was, betwijfel ik. Dat T'Hooft de dood verwachtte, en klaar was om te sterven, niet.
ZOALS HUGO Brems opmerkt in zijn inleiding bij In mij is onstuitbaar de doodsbloem ontloken, is er naast die feiten ook nog de mythe-T'Hooft, 'waarin Jotie T'Hooft beurtelings optreedt als de romantische, decadente en verdoemde held, symbool van een generatie en van een dichterlijke levenshouding’. Brems heeft gelijk als hij zegt dat die twee beelden, dat van de gebeurtenissen en dat van de mythe, nauwelijks wat met elkaar te maken hebben.
Er hangt een waas om de dichter heen, waardoor het zicht op zijn ware aard en betekenis bemoeilijkt wordt. Er is heel wat afgeïnterpreteerd, de afgelopen decennia, er heeft heel wat imagebuilding plaatsgevonden - ook door T'Hoofts uitgever en de pers. De ingrediënten voor het creëren van een aansprekend imago heeft Jotie T'Hooft dan ook ruim geleverd: zijn zelfgekozen bestaan in de marge, zijn ongeschiktheid voor 'gewoon’ werk en een 'gewoon’ leven, zijn drugsverslaving, zijn herhaaldelijk beleden obsessie voor de dood, zijn stormachtige opkomst als dichter en zijn maar-toch-onverwachte dood, not with a whimper but with a bang. Daarbij dreigt men bijna te vergeten dat T'Hooft ook nog poëzie heeft geschreven. Vaak van goede tot zeer goede kwaliteit, ook dat nog.
DE ONLANGS verschenen biografie Een zeer treurige prins: Het leven van Jotie T'Hooft laat de gedichten eveneens links liggen. Jean-Paul Mulders en Annick Lesage zijn diep in T'Hoofts leven gedoken en hebben volgens mij elk boodschappenlijstje bestudeerd dat de dichter schreef. Hun grondig gespit en geduldig ondervragen hebben geleid tot een volwaardige biografie. Een erg dik boek over een erg mager leven. Dat het werk van Mulders en Lesage 'dankzij een schat aan nieuwe informatie’ vele onopgeloste vragen opheldert, is natuurlijk prachtig. Zo hoeft niemand meer te twijfelen aan welke stripboeken Jotie T'Hooft las toen hij klein was Guust Flater, De Rode Ridder, Robbedoes), of wat het eerste singletje was dat hij kocht ('Room to Move’ van John Mayall).
Een zeer treurige prins reconstrueert het leven van T'Hooft zeer nauwgezet en doet weinig pogingen te interpreteren. Dat is wel prettig. Bij al het interpreteren in het verleden is er ook heel wat verkeerd geïnterpreteerd. Van de verhalen dat de kleine Jotie een wonderkind was, is weinig waar: hij doorloopt als goede maar niet briljante leerling de lagere school. Ook de diepzinnige teruggetrokkenheid en afzondering die de jongen worden toegeschreven, zijn eerder verdichting dan waarheid. Jotie T'Hooft is een aardig ventje, dat leuk in de omgang is en makkelijk praat. Hij richt zelfs de ABN-club op, die ten doel heeft het dialect van de streek af te zweren en te vervangen door een vlekkeloos en 'stijlvol’ Vlaams. Op het gebruik van 'platte’ taal staan straffen, uitgedeeld door opperhoofd Jotie.
Tot zover weinig aan de hand. Een goede jongen, die Jotie. Zoals bij veel helden is er ook in zijn geval uitgebreid hineininterpretiert, op freudiaanse wijze. Om zijn latere doodsdrang en nerveuze dandyisme te verklaren, zocht men naar oorzaken en aanleidingen in de vroege jeugd. Zo is er het verhaal van de zieke moeder. Zij had ernstig letsel aan de ruggegraat en moest maandenlang in een gipsen corset op bed liggen, als in een wit harnas. Niet in staat zich te bewegen, kon ze niet voor haar zoontje zorgen. Daaruit wordt gretig geconcludeerd dat Jotie als baby aandacht en liefde tekortgekomen is en daarom natuurlijk later aan de heroïne ging. In werkelijkheid beschikte het jongetje echter over vier geweldige grootouders, die hem bedolven onder de liefde.
Toch ligt daar, zegt althans vader T'Hooft, wellicht een bron van Joties latere obsessie voor dood en verderf. Op zijn derde sterft peter Elektriek, zijn toffe bonpa. In het geboortejaar van zijn kleinzoon wordt de goede man 'ernstig geëlektrocuteerd’, zoals de biografen schrijven. Hij werkt voor een elektriciteitsmaatschappij, en als hij na een onweer een defect aan een cabine moet herstellen, krijgt hij een ongeluk. Het gevolg: peter Elektriek verliest twee vingers en een onderarm.
Deze verminking oefent op de kleine Jotie een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. Telkens weer vraagt hij aan zijn opa of die zijn kunstarm weer eens wil losmaken. Dan kan hij het stompje bewonderen en de riempjes bestuderen waarmee de prothese vastzit.
JOTIE T'HOOFT leest als jongen gewoon strips en verzamelt schelpen. De T'Hooft-mythologen roepen hier om het hardst dat hij dat laatste deed omdat schelpen huizen van dode dieren zijn - zie je wel, doodsobsessie! Mulders en Lesage zijn zo wijs en zo objectief dat ze hieraan toevoegen: 'In de meeste publicaties wordt gemakshalve verzwegen dat hij ook voor die uitspraak zijn inspiratie uit een boekje haalt. Er circuleert op dat moment immers ook een Hamster-uitgave die alle schelpen van de Belgische kust inventariseert: “Maar ook al houden de jongens en meisjes die ’s zomers uren aan het strand doorbrengen de fraaie, platte schaaltjes of de eigenaardig gewonden slakkenhorentjes als kleine wonderen in de hand, zelden vermoeden ze, dat deze kalken dingetjes reeds een boeiende en wonderlijke levensgeschiedenis achter de rug hebben en dat het slechts de dode restanten en meteen de stille getuigen zijn van een bewogen en vergeten bestaan.”’
Deze anekdote is in al zijn kleinheid toch veelzeggend. In het verlengde ervan ligt een andere geschiedenis die wijst in dezelfde richting - de richting van het tot werkelijkheid maken van (andermans) fictie, het leven van het eigen leven als was het een biografie, het leven van de eigen mythe. Jotie is inmiddels puber geworden en gedraagt zich daarnaar. Hij geeft zich uit voor communist en verspreidt kopieën van het Rode boekje onder zijn medeleerlingen.
Op het kerstfeest bij zijn tante Lieve verpest Jotie de boel door een discussie op gang te brengen over 'eerlijkheid’. 'Als je bijvoorbeeld deze schouwgarnituur die jullie hebben, lelijk vindt, mag je dat dan zeggen?’ Jotie vindt van wel, in tegenstelling tot zijn familie. Hij probeert ze van zijn gelijk te overtuigen. 'Toen hij voelde dat het geen zin had, trok hij zich terug en ging dansen, afwezig, als in een soort trance.’
Dit provocerende optreden kwam niet uit de lucht vallen, maar uit een boek. In Herman Hesses fameuze roman De pewolf komt een soortgelijke scène voor. De steppewolf, Harry Haller, is op visite bij een bevriende professor en kraakt een kunstwerk af dat Goethe moet voorstellen, en wel zodanig dat de professor en diens echtgenote de vriendschap opzeggen. 'Natuurlijk was het dom van mij geweest die goede mensen te treffen in hun salonversiering, het was dom en onwellevend, maar ik kon nu eenmaal niet anders, ik kon dit tamme, leugenachtige, vriendelijke leven niet meer verdragen.’
DE STEPPEWOLF was Jotie T'Hoofts favoriete roman. Hij identificeerde zich met de hoofdpersoon en toetste diens handelingen aan de werkelijkheid. Vervolgens stemde hij zijn eigen realiteit af op de roman. Dit is weer een duidelijk symptoom: Jotie T'Hooft zag zijn eigen bestaan steeds meer als een gestileerde, geromantiseerde biografie die tot leven was gekomen. Ik geloof niet dat dat voortkwam uit een diepgewortelde behoefte om te poseren, maar eerder uit een nog dieper gewortelde onmogelijkheid te leven, zich neer te leggen bij het eigen bestaan.
Een andere roman waaraan ik direct moet denken, is A rebours van Joris-Karl Huysmans, die de degeneratie beschrijft van Jean des Esseintes, dandy van het nerveuze soort. Diens voorliefde voor de kleur zwart alsmede zijn afkeer van het gewone, lompe volk lijkt Jotie T'Hooft rechtstreeks uit die roman te hebben gekopieerd. Net zoals hij het een en ander overnam van Nico (Velvet Underground) en van andere gedoemde kunstenaars. Hij leefde zogezegd zijn eigen mythe aan de hand van wat hij las en hoorde.
IK GELOOF dat Jotie T'Hooft een uiterst gevoelige, moeilijke jongen was, die om duistere redenen niet in staat was zijn leven te leiden als een onbekommerd mens: zonder zich te bekommeren om wezenlijke vragen, zonder zich druk te maken over de dood, zonder zich voortdurend af te vragen waarom de dingen zijn zoals ze zijn.
Er hoeft niet per se een bron te worden aangewezen voor zijn gedrag. Jotie T'Hooft was uiteindelijk wie hij was. Daar zal hij niet vrijwillig voor hebben gekozen; in die zin was hij inderdaad een poète maudit. Niemand spuit zichzelf de vernieling in om interessant gevonden te worden. Niemand laat zijn leven volledig in het honderd lopen als pose. T'Hooft daarvan beschuldigen, of verdenken, is pervers.
Een schrijnend voorbeeld daarvan is een interview met de Poëziekrant, vlak na de verschijning van Junkieverdriet.
'PK: Men zou uw bundel kunnen afdoen als een inspelen op een modieuze trend: de cultus van verslaving, en als het dan nog een verdrietige verslaafde dichter op een eng zolderkamertje betreft, is de zaak helemaal voor mekaar.’
In plaats van die gast linea recta het huis uit te mieteren, geeft Jotie beleefd antwoord.
’T'Hooft: Voor mij is dat allemaal onzin. Trends, ik weet daar niets over. Ik heb geen krant, geen televisie. Ik ben een junkie en ik schrijf daarover. (…) Alles wat ik denk of doe, weeg ik af aan mijn goede vriend daar (wijst naar een doodshoofd op zijn werktafel). En van zodra je de dood betrekt bij alles wat je doet, relativeer je vele zaken. (…) Wat ik maak, gaat kapot en wat ik ben, gaat ook kapot.’
JOTIE T'HOOFT is een tragische figuur. Of zijn tragiek nu zijn verslaving was, of zijn levensangst, of zijn verlangen er niet te zijn, of zijn verlangen er optimaal te zijn, of een combinatie van dat alles - dat maakt nu geen verschil meer. Hij heeft er al de uiterste consequentie van moeten aanvaarden. Dat zijn dood zelfmoord was, lijkt me sterk. Het heeft er eerder de schijn van dat hij een beetje dom is geweest, onervaren als hij was met het spuiten van cocaïne. Iemand die de speed met grammen zijn aderen in jaagt, zal, als hij voor het eerst zijn spuit met cocaïne vult, niet denken aan een overdosis. Die hij echter wel neemt. En waaraan hij wel doodgaat.
Het was niet het meest benijdenswaardige leven, dat van Jotie T'Hooft. Dat moet hij zelf ook hebben geconcludeerd, toen hij wist 'dat de mens een naald is zoekend naar een ader/ zoekend naar de kiespijn van zijn ver verleden’, en vervolgens verstrikt raakte in zijn eigen mythe. Met Brecht in de hand was het altijd: 'Hij die lacht heeft het vreselijke nieuws nog niet gehoord.’
T'Hooft had het nieuws wel gehoord. Maar misschien niet helemaal goed verstaan.