Wat ik denk

Als je aan Karel van het Reve vroeg: ‘Hoe denkt u over het huidige politieke klimaat?’, dan antwoordde hij: ‘Ik denk nooit. Ik weet niet wat dat is.’ Dan ontspon zich daarover altijd een discussie: ‘Hoe komt u dan aan uw opvattingen?’ Karel: ‘Dat weet ik niet. Opvattingen heb je. Als die opvattingen juist blijken, waarom zou je ze dan veranderen?’

‘Maar u hebt het communisme toch op een gegeven moment vaarwel gezegd?’

‘Dat was niet van de ene op de andere dag. Het was een misdadige organisatie, dus zo moeilijk was het niet om tot een andere opvatting te komen.’

Ik parafraseer de discussie die ik enkele keren met Karel heb gevoerd omdat ik hem wel eens in het publiek mocht interviewen. Hij raakte daarover soms geïrriteerd.

‘Wat doe jij dan? Ga jij wel eens zitten en denk je dan na? Hoe doe je dat dan?’ vroeg hij.

Ik antwoordde dan eigenwijs: ‘Ik weeg het een af tegen het ander, dan probeer ik de juiste keuze te maken op basis van informatie, en…’

‘Knap hoor’, zei Karel dan. ‘Hoe doe je dat, dat afwegen, en hoe weet je dat je de juiste afweging maakt en de juiste informatie hebt?’

En zo ging het door. Ik raakte verstrikt in mijn eigen woorden. Karel had natuurlijk gelijk: je denkt niet na. Net als hij was ik vroeger ook communist. En toen ik merkte dat communisten geen afscheid konden nemen van het geweld werd ik socialist. Waarom accepteerde ik dat geweld niet? Weet ik niet. Ik was domweg tegen geweld in die tijd. En ook het socialisme heb ik verlaten – en het gekke is dat dat nog steeds pijn doet, omdat je je ook niet wil ­vereenzelvigen met dat dixieland-rechts waar je vroeger op neerkeek. Dat ik rechts ben geworden heeft ongetwijfeld te maken met een aantal gebeurtenissen in mijn leven, met opvattingen die niet bleken te werken, neusstoterij, teleurstellingen, en een groeiend cynisme.

Naarmate ik ouder werd, kreeg ik een steeds grotere hekel aan idealisme.

Cynisme is een vriendin die ik ergens ben tegengekomen en bij wie ik me thuis voelde. Ze is misschien niet mooi, maar wel lekker, grappig en betrouwbaar.

Laatst was ik op een bijeenkomst waar jonge mensen waren en een jongen zei: ‘U kunt het zich permitteren om cynisch te zijn, want u bent intelligent.’

‘Ik ben niet intelligent’, zei ik naar waarheid. En ik moest denken aan de woorden van Karel en ik antwoordde: ‘Wat is dat, intelligentie? Dat je snel combinaties doorziet, snel patronen kunt herkennen, snel het antwoord weet op 49 maal 398? Dat kan ik allemaal niet, en dat wordt met de jaren steeds minder.’

Maar toch een interessant probleem: kan ik mij cynisme permitteren? Zou ik niet iets van idealisme moeten omarmen, iets van hoop moeten koesteren als plicht, uit verantwoordelijkheid voor mijn omgeving?

Ik kan dat niet, en ik wil het niet, en intuïtief voel ik aan dat het niet goed is.

De filosofische vraag van tegenwoordig schijnt te zijn: wat is mijn identiteit? Uiteraard weet ik niet wat identiteit is. Wat ik ben, wordt – ook door de leeftijd – steeds irrelevanter.

Ik heb altijd gemeend dat wat ik ‘ben’ bestond uit de ambities die ik heb waargemaakt en de ambities die ik had.

Maar de koekjestrommel met ambities is bijna leeg. Komt dat door cynisme? Ik hoop het.

Ambities: op een stoel zitten met een glas wijn in de zon. Een kleinkind in een kinderbadje zien spelen. Gepijpt worden door je vriendin. Iets leuks schrijven. Een boek lezen waarom je moet lachen. Een beetje vriend worden met de dood. Daar hoort ook bij: er niet tegenop zien om iemand te vermoorden die je kwaad doet.

Waarom? Geen idee.

Ik denk nooit.