‘wat ik maak, maak ik niet mee’

Deze maand koos de jury - Graa Boomsma, Yves van Kempen, Xandra Schutte en Jacq Vogelaar - De letterpiloot van Willem Jan Otten tot Boek van de Maand (uitg. Van Oorschot, 306 blz., \f39.-). De andere drie mededingers waren: Joseph Conrad, Hart der duisternis (vertaling Bas Heijne, uitg. L. J. Veen, 144 blz., \f34,90): het meeslepende verhaal van kapitein Marlows tocht over de Kongo tot in het donkere hart van Afrika en zijn ironische overpeinzingen over het kolonialisme zijn, bijna honderd jaar na eerste publikatie, nog steeds van een grote kracht en indringendheid. Alfred Jarry, Roemruchte daden en opvattingen van doctor Faustroll, patafysicus (vertaling Liesbeth van Nes, uitg. Perdu, 150 blz., \f34,50): Ook tachtig jaar na dato zijn de grappen en grollen die Alfred Jarry in zijn ‘neo-wetenschappelijke roman’ ten beste geeft, een feest om te lezen. Faustroll bestudeert de wetten van de uitzondering. J. J. Saer, Het onuitwisbare (vertaling Johanna Vuyk-Bosdriesz, uitg. Prometheus, 160 blz., \f36,90): ‘Wat later een herinnering wordt, hebben we niet altijd zo bedoeld.’ Een vertelling vol toeval rond een Argentijnse bar waarin geheugen, fictie en realiteit tot angstaanjagende spookverschijningen worden.

WILLEM JAN OTTEN lezen is een lust voor het oog. Niet alleen omdat hij zo ingetogen bevlogen en vernuftig kan schrijven, maar ook omdat die breekbare lens in ons hoofd en kwetsbare spiegel van de ziel regelmatig onderwerp is in zijn werk. Zijn nieuwste boek moet blijkens de ondertitel een bundeling verhalen, essays en kronieken zijn, maar tast in feite de grenzen en mogelijkheden van deze genres af. De letterpiloot stelde me hooguit op een plaats wat teleur: daar waar Otten zijn herinneringen aan een verblijf in het Berlijn van voor de val van de Muur ophaalt. Elders weet hij altijd te boeien met trefzekere beelden en zinnen waarin de stappen van zijn denken opklinken.
Het is zonder meer fascinerend om Otten op zijn gedachtenomzwervingen te volgen en zo al lezend binnengeleid te worden in zijn ‘denkend bewustzijn’, zoals hij dat noemt. Al beschouwt hij zichzelf niet als een theoreticus aangezien hij, zoals hij aan het begin van zijn eerste gastcollege aan de universiteit van Groningen meedeelde, 'nauwelijks gestudeerd’ heeft, zelden brengt iemand zich zo hartstochtelijk analyserend in beeld, met zoveel affiniteit voor de zaak die hij onder de aandacht wil brengen en met zoveel aandacht voor elke detail.
Otten is in deze bundel veel tegelijk: registeraccountant van het gevoel en de fantasie, de - ook pornografische - dichter van de ervaring, theoreticus van de dagelijkse werkelijkheid, leerling en analyticus van zijn literaire leermeesters Van Schendel, Alberts en Koolhaas.
DE EERSTE AFDELING van het boek heet eveneens De letterpiloot. Dit deel bevat op het eerste gezicht nogal uiteenlopende beschouwingen over zaken als kindertijd, vaderschap, het werk van Harry Mulisch en van de toneelschrijver Arthur Schnitzler. Wel suggereren de verschillende titels, waarin herhaaldelijk het woord 'vader’ terugkomt, een zeker patroon. Dat blijkt er inderdaad te zijn. Het bindmiddel dat deze verschillende teksten bij elkaar houdt, vormt een cruciaal begrip uit Ottens vocabulaire: ervaring.
Voor Willem Jan Otten heeft ervaring in de eerste plaats met tijd en daarmee met ouder worden te maken, met een rijpingsproces dat leidt tot 'wijsheid, onthechtheid en leerzame introspectie’. Ouder worden wil ook zeggen: het vaderschap ambieren, een kind op de wereld zetten en grootbrengen. Dat in Schnitzlers literaire werk beide elementen samen komen, maakt de Oostenrijker voor Otten tot een belangrijk auteur. Deze noteerde in zijn dagboek: 'Er bestaat slechts een ware belevenis - dat is het ouder worden’, en oogstte alom bewondering met zijn toneelstuk De eenzame weg, waarin dit verlangen naar een kind als een primaire kracht in elk mannenleven wordt gezien.
DE ALLESOVERHEERSENDE ervaring van het verblijf op deze aardse plek is uiteindelijk het verdwijnen van alles, de dood. Wie wil blijven door te schrijven zal moeten evoceren wat uit het leven is verdwenen en zich in de herinnering schuilhoudt. Een schrijver hoort dat gemis onder woorden te brengen, zo lijkt Otten aan het adagium 'wie schrijft die blijft’ toe te voegen. Alleen door een terugkeer naar de concrete belevenissen, in het opdiepen van de eerste indrukken waarmee een gebeurtenis is omgeven, verrijkt literatuur ons met ware ervaringen.
Dat gaat niet zonder problemen, omdat de taal en het onbetrouwbare herinneringsvermogen de schrijver voortdurend in de weg zitten en ook omdat in het schrijven zelf elke ervaring ontbreekt.
Om de complexiteit van dit alles te verhelderen gebruikt Otten een beeld van kinderlijke eenvoud, dat van de letterpiloot. Eigenlijk is er in de bundel sprake van twee letterpiloten. De ene komt uit Grondslagen van de mythologie van het schrijverschap van Harry Mulisch en illustreert het gevolg van de afwezigheid van ervaring. Het gaat hier om de gemanicuurde wijsvinger van Mulisch’ vader. De man had de gewoonte om onafgebroken woorden in de lucht te schrijven die alleen zijn vrouw kon ontcijferen. 'Dat behoort tot mijn oudste herinneringen, en god weet wat het in mij teweeg heeft gebracht’, schrijft Mulisch. Otten becommentarieert: 'In die zin zit de methode Mulisch vervat: want wat het heeft aangericht, dat weten we donders goed, datgene wat in deze herinnering wordt opgevoerd als gebeurtenis, dat heeft geleid tot… Mulisch.’
En al heeft het er wel de schijn van, de zin van Mulisch bevat geen herinnerde ervaring: Mulisch ontkent dat er tijd is verstreken, en Otten raakt hem op die zwakke plek. 'Door zulk denken vanuit de conclusie, dat de kern van Mulisch’ denktrant uitmaakt, lijkt het alsof er in zijn universum niet zoiets als een ervaring bestaat.’ Ofte wel: 'Alsof het jongetje van toen al Mulisch was.’ Nooit zag ik de Mulisch-r methode effectiever gefileerd dan in dit essay. Otten had een paar alinea’s eerder al geconstateerd dat het verschil tussen hem en zijn negenjarig zoontje ligt in het aplomb waarmee de dingen worden begrepen.
Aplomb, bovenhistorische geheimtaal, dat is het laatste wat een observerend en (onder)zoekend schrijver, een schrijver die voor zichzelf en de lezer ervaring wil veroorzaken, kan gebruiken. Wat hij daar tegenover zet, maakt Willem Jan Otten duidelijk met een eigen kinderherinnering. Zijn letterpiloot verscheen op windstille, zonovergoten stranddagen in een reclamevliegtuigje en schreef wolkwitte woorden aan de hemel. Zo'n piloot kende de tekst, maar zag hem niet, tenzij in zijn verbeelding. 'Wat ik maak, maak ik niet mee’, schrijft Otten.
ERVARING KAN NIET zonder verbeelding. Het thema van de verbeelding krijgt op twee plaatsen de volle aandacht. In 'Erotische evolutie’ belicht Otten het vanuit 'pornografische zucht’, in zijn Groningse gastcolleges vanuit een dichtregel van Stevens: 'Things as they are/ Are changed upon the blue gitar.’
Vooral de gastcolleges die in deze bundel zijn opgenomen, dwingen mijn bewondering af. Daarin analyseert hij behalve de poezie van Stevens, Shakespeare’s Othello, Van Schendels Het fregatschip Johanna Maria en de films van Ozu. Allemaal onderwerpen die al een tijd door zijn hoofd dreven 'als wolken die ik wel onthouden had maar ik wist niet hoe en ook niet waarom’. Ze hielden in elk geval een belofte in, die uiteindelijk wordt ingelost: in alle gevallen blijken ze iets te verduidelijken over 'ons verlangen naar verbeelding’. Eigenlijk kan er uit deze essays geen woord worden gemist. Ze zijn zo meesterlijk geschreven, denken en formuleren zijn zo hecht met elkaar verbonden dat elke samenvatting een verminking betekent.
MET STEVENS’ dichtregel weet Otten klaarheid te brengen in de paradox die hij tot zijn leidmotief heeft gemaakt: de werkelijkheid zoals ze is, is een omzetting van onze verbeelding. Verbeelding maakt ons bewust van onszelf, structureert de werkelijkheid en schept dank zij de ander ons betere ik. Tenminste, als ze een (onbaatzuchtig) verlangen blijft, dus niet op een resultaat uit is (een politiek systeem, een God, een paradijs op aarde). Of zoals Otten over Othello zegt: 'Othello ziet niet een vrouw die toevallig op hem valt, maar hij ziet dank zij haar zichzelf op zijn best.’
Otten lezen is een belevenis die uitnodigt tot herlezen.