Racisme in Nederland

‘Wat ik van IS vind? Wat denk je zelf?’

Jonge Nederlanders met een migratieachtergrond merken hoe het publieke debat de afgelopen decennia is veranderd. Politici normaliseren xenofobie, kranten dragen bij aan negatieve beeldvorming over moslims en op sociale media regent het racistische commentaren. Met eigen data-onderzoek bracht De Groene Amsterdammer die verschuiving in kaart.

2. Aantal spreekbeurten in de Tweede Kamer met ‘multiculturele’

Hij betreurde de ophef. Zijn uitspraken waren ‘bedoeld om te prikkelen’. Maar hij begreep best dat het onhandig overkwam toen hij zei dat hij geen enkel land kende waar verschillende etnische groepen vreedzaam samenleven. Amerika? Nee, daar was de oorspronkelijke bevolking uitgeroeid. Suriname? Dat was een failed state. Nederland? Gek genoeg niemand die het opperde. Stef Blok keek vragend in de rondte, de microfoon losjes in zijn rechterhand. Zo. Hij had zijn punt gemaakt. ‘Wij zijn niet goed in staat om een binding aan te gaan met ons onbekende mensen’, zei de minister van Buitenlandse Zaken afgelopen zomer. Dit was niet het zoveelste provocerende proefballonnetje voor de bühne, hij sprak immers op een besloten bijeenkomst en toen hij daar een vraag kreeg over xenofobie deelde hij gewoon zijn ‘pragmatische’ kijk.

Dat maakt het extra zorgwekkend, betoogden de zestig ondertekenaars van de open brief die kort daarop in de Volkskrant verscheen. Met de halfslachtige excuses van Blok namen ze geen genoegen. Want dit was geen geïsoleerd incident. Keer op keer doen politici uitspraken die racisme en xenofobie normaliseren. En dat geluid beperkt zich al lang niet meer tot de uiterste rechterzijde van het spectrum. Onze premier zegt dat Turkse Nederlanders kunnen ‘oppleuren’ als ze zich niet gedragen, volksvertegenwoordigers van keurige middenpartijen waarschuwen voor een aanval op ‘onze’ tradities en als het over vluchtelingen gaat gebeurt dat vaak in dreigende bewoordingen. De ‘affaire-Blok’ was slechts het laatste voorbeeld van de verruwing van het debat over immigratie en integratie, constateerden de ondertekenaars. ‘Uitspraken die tien, twintig jaar geleden onvoorstelbaar waren, worden zonder blikken of blozen uit de mouw geschud.’

Het is een veel gehoorde constatering: waar Hans Janmaat met zijn ‘Nederland voor de Nederlanders’ een kwart eeuw geleden nog Kamerbreed werd verafschuwd, lijkt zulke retoriek nu alomtegenwoordig. Met eigen data-onderzoek heeft De Groene Amsterdammer die verschuiving in het publieke debat in kaart gebracht. We analyseerden meer dan een miljoen spreekbeurten in de Tweede Kamer en zagen hoe de discussie over de multiculturele samenleving na de eeuwwisseling volledig werd overgenomen door de pvv. We goten tienduizenden krantenartikelen in grafieken en leerden dat er na de eeuwwisseling steeds minder over de islam wordt geschreven als een religie en vaker als een ‘radicaal’ gedachtegoed. Ondertussen is ‘de gewone Nederlander’ bezig aan een opmerkelijke opmars in het vocabulaire van politici (zie grafiek 1). Het kan verklaren waarom moslims in Nederland, in vergelijking met andere Europese landen, relatief vaak discriminatie ervaren, zoals twee jaar geleden bleek uit een studie van de EU. Of waarom jongeren met een migratieachtergrond zich steeds minder thuis voelen in Nederland, zoals het Sociaal en Cultureel Planbureau signaleerde in het rapport Integratie in zicht uit 2016.

Tegelijkertijd deinst die nieuwe generatie er niet voor terug om de strijd aan te gaan, merkten we tijdens gesprekken met jonge Nederlanders van kleur. Ze zijn hier niet te gast, ze zijn hier geboren en opgegroeid, dit is hún land en ze willen meepraten over de koers ervan. Ze verzetten zich tegen koloniale overblijfselen, eisen hun plek op en stellen racisme aan de kaak. En dat zorgt voor frictie in een land waar het ‘r-woord’ lange tijd met grote terughoudendheid werd gebezigd. Al begint daar langzaam verandering in te komen, zo laten de cijfers zien: de laatste jaren gaat het in het parlement, de kranten en op sociale media vaker over racisme, mede door de opkomst van een partij als Denk. In het debat naar aanleiding van de uitspraken van Stef Blok liet de lijsttrekker van die partij, Tunahan Kuzu, er geen misverstand over bestaan. Met zulke ‘raciale theorieën’ gaf de minister zuurstof aan het ‘verdorven gedachtegoed’ van xenofoben. ‘Wat is er de afgelopen veertien jaar met hem gebeurd?’ vroeg Kuzu zich af.

Bruggen bouwen. Dat was de titel van het rapport dat diezelfde Blok begin 2004 presenteerde als voorzitter van een parlementaire commissie die onderzoek had gedaan naar drie decennia minderhedenbeleid in Nederland. De conclusie? Het overheidsbeleid liet genoeg te wensen over, discriminatie bleef een hardnekkig probleem, desondanks was de integratie van ‘allochtonen’ eigenlijk behoorlijk geslaagd. Heuglijk nieuws zou je denken, maar in de Tweede Kamer overheerste vooral teleurstelling. ‘Uiterst jammer dat de commissie nergens de conclusie lijkt te willen of durven trekken dat het integratiebeleid gefaald heeft’, zei cda-fractievoorzitter Maxime Verhagen. Bloks partijgenoot Ayaan Hirsi Ali vond het ‘eigenlijk een waardeloos rapport’.

De boodschap van de commissie-Blok strookte dan ook niet met de heersende opvatting in de Nederlandse politiek. Die luidde dat er genoeg gepamperd was, dat we moesten stoppen met wegkijken en dat onze tolerantie grenzen kende. Zelfs de pvda, de partij die wel eens quasi-gekscherend de ‘Partij voor de Allochtonen’ werd genoemd, was inmiddels tot ‘inkeer’ gekomen. Het was de sociaal-democraat Paul Scheffer die als eerste de stelling poneerde dat de multiculturele samenleving was uitgelopen op een faliekante mislukking. ‘Het multiculturele drama dat zich voltrekt is de grootste bedreiging voor de maatschappelijke vrede’, luidde de slotzin van zijn beruchte essay dat begin 2000 in NRC Handelsblad verscheen.

‘Ik heb het onlangs herlezen en het is echt schokkend wat Scheffer daar allemaal beweert’, zegt Nadia Bouras, docent migratiegeschiedenis aan de Universiteit Leiden. ‘Alsof de in Nederland geboren kinderen van gastarbeiders net zo conservatief of regressief zijn als hun ouders. Wat een flauwekul! Binnen één generatie is er juist een onvoorstelbare vooruitgang geboekt. Ik ken genoeg mensen met analfabete ouders die zijn gepromoveerd of journalist zijn geworden. Hoezo gaat het slecht met de integratie? Je vraagt je af hoe we daar massaal zijn ingetuind.’

Bouras (37) is zelf de belichaming van het succesverhaal van de ‘tweede generatie’. Haar Marokkaanse moeder kon haar droom om naar de universiteit te gaan nooit verwezenlijken, omdat ze migreerde naar Nederland. Zijzelf studeerde geschiedenis aan de Vrije Universiteit en promoveerde in Leiden op de banden tussen Marokkaanse migranten en het land van herkomst. Behalve historicus is Bouras iemand die zich, zowel op sociale media als op offline discussieplatformen, nadrukkelijk mengt in het maatschappelijke debat. Daarbij schuwt ze de confrontatie niet.

Afgelopen zomer kwam ze op Twitter in aanvaring met toenmalig vvd-Kamerlid Han ten Broeke, nadat ze hem op zijn hypocrisie had gewezen. Want als Ten Broeke niet wilde dat ‘achterlijke gewoontes uit het Midden-Oosten’ hier wortel schieten, waarom doet zijn partij dan zo graag zaken met dubieuze regimes uit die regio? De parlementariër reageerde met een onvervalste ad hominem: ‘Bent u werkelijk universitair docent? Aan mijn oude alma mater?’ Volgens Bouras illustreert het incident dat het voor sommige mensen nog steeds niet vanzelfsprekend is dat iemand zoals zij, een vrouw met Marokkaanse wortels, werkt op een instelling die van oudsher een bolwerk was van witte mannen. ‘Racisme komt niet altijd met een witte puntmuts op, het gebeurt ook subtieler’, zei ze er later over tegen de Volkskrant.

In een stationscafé op Amsterdam Centraal vertelt Bouras over haar jeugd, over de jaren negentig, toen ze naar een ‘integratieschool’ ging in de Amsterdamse Rivierenbuurt, speciaal voor kinderen met een Marokkaanse achtergrond. Aanvankelijk waren de lessen volledig in het Frans en het Arabisch. Iedereen heeft recht op een eigen identiteit, was de gedachte, ook omdat men ervan uitging dat de gastarbeiders weer zouden terugkeren naar hun geboorteland. Pas toen duidelijk werd dat de migranten hier zouden blijven kreeg de Nederlandse taal een plekje in het curriculum.

‘Wij groeiden op in een periode dat Marokkaan-zijn een vanzelfsprekendheid was en helemaal niet werd geproblematiseerd’, zegt Bouras. ‘Wij waren geen onderwerp van het publieke debat.’ Vergelijk dat met de generatie Marokkaanse of Turkse Nederlanders die volwassen zijn geworden na 9/11. ‘Die wordt constant geconfronteerd met hun anders-zijn, met hun moslim-zijn. In de media en de Tweede Kamer wordt er continu over hen gesproken. Wat dat betreft was mijn jeugd een stuk zorgelozer.’

‘Opinies lijken nu belangrijker dan feiten. Zeker als het over moslims gaat. En als jij nog nooit een moslim hebt ontmoet, neem je toch over wat je in de media ziet’

De omslag die Bouras beschrijft is duidelijk terug te zien in onze data-analyse. In de jaren negentig werd het debat over de multiculturele samenleving nog gedomineerd door de pvda, GroenLinks en d66 (zie grafiek 2). Het waren de jaren van de paarse kabinetten en als er in de Tweede Kamer over ‘allochtonen’ werd gesproken, ging dat vaak gepaard met neutrale termen, zoals ‘vrouw’, ‘jongeren’ of ‘leerlingen’. Een emancipatoire taal voerde de boventoon. Dat beeld kantelde compleet toen de pvv in 2006 haar intrede maakte in de Tweede Kamer. Onmiddellijk trok de partij van Wilders, met slechts negen zetels, het debat over de multiculturele samenleving naar zich toe. Plots doken woorden als ‘multiculonzin’ en ‘multicultiknuffeltheorie’ op in de notulen.

Ook de manier waarop er over ‘allochtonen’ werd gesproken veranderde. Al in haar eerste verkiezingsprogramma pleitte de pvv voor een ‘immigratiestop voor niet-westerse allochtonen (Marokkanen en Turken)’. Sindsdien zijn de culturele tegenstellingen alleen maar sterker op de voorgrond getreden: vanaf 2010 wordt in Kamerdebatten de toevoeging ‘(niet-)westers’ het meest gebruikt in combinatie met ‘allochtoon’. De afgelopen jaren is de term steeds meer in onbruik geraakt, zeker sinds de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in 2016 concludeerde dat het label zijn langste tijd heeft gehad, omdat het een ‘uitsluitende en onderschikkende werking’ heeft. De enige partij die het woord consequent blijft gebruiken is de pvv.

1. Aantal spreekbeurten in de Tweede Kamer met ‘gewone Nederlander’

Natuurlijk zijn er al voor de opkomst van Wilders genoeg kantelpunten aan te wijzen: de aanslag op de Twin Towers, de Fortuyn-revolte en de moord op Theo van Gogh. Vooral die laatste gebeurtenis had een enorme impact op Nadia Bouras: ‘Dit was iemand uit míjn stad die op klaarlichte dag vermoord werd. Iemand die ik wel eens tegenkwam en best aardig vond, ook al was hij natuurlijk een provocateur.’ Omdat de dader net als zij een Marokkaanse Amsterdammer was, voelde het alsof mensen haar persoonlijk verantwoordelijk hielden. ‘Het kwam heel dichtbij. Ik zat huilend voor de tv, maar durfde niet naar de lawaaidemonstratie op de Dam, bang dat ik als vijand zou worden gezien.’

Niet dat Bouras wil beweren dat voor die tijd alles pais en vree was in de Marokkaanse gemeenschap. Rond de eeuwwisseling waren er al klachten over overlast. ‘Niemand weet raad met Marokkaanse jongeren’, kopte dagblad Trouw in 1998 boven een bericht over straatrellen in Amsterdam. Bij de gezinnen van haar klasgenootjes op de integratieschool zag Bouras genoeg worstelingen: gebrekkige beheersing van de taal, werkloosheid, armoede. Alleen werden die problemen destijds nog niet beschouwd als een symptoom van een botsing der culturen. ‘Een vriendin van me verwoordde het goed. Haar vader was een strenge en autoritaire man. Niet omdat hij moslim was, maar omdat hij geen baan had. Voor die sociaal-economische factoren hebben we veel te weinig oog gehad, we zijn het verleerd om in klasse te denken. We hebben in Nederland een etnische obsessie en willen maatschappelijke misstanden heel graag duiden in termen van culturele verschillen.’

In de politiek was Frits Bolkestein de eerste die daarmee begon, zegt Ineke van der Valk, onderzoeker bij de Universiteit van Leiden en gespecialiseerd in racisme, islamofobie en extremisme. Al voordat Fortuyn op het toneel verscheen waarschuwde de vvd-coryfee voor een clash of civilizations in de polder. Met name de islam, het geloof van veel nieuwe Nederlanders, zou op gespannen voet staan met de liberale democratie. ‘Daarmee brak Bolkestein met de Haagse debatcultuur, die vrij technisch en weinig ideologisch was’, zegt Van der Valk. Over racisme ging het eigenlijk nooit in het parlement, merkte ze toen ze voor haar promotieonderzoek het politieke debat over ‘etnische kwesties’ in Nederland vergeleek met dat in Frankrijk. In 1996 en 1997 kwam het onderwerp zelfs helemaal niet aan bod in de Kamer. ‘Racisme is hier jarenlang ontkend en doodgezwegen – het bestond niet, omdat men niet wilde dat het bestond.’

Een wereld van verschil met Frankrijk, waar vooral de linkse partijen de taal van gelijkheid en mensenrechten hanteerden en het er fel aan toe kon gaan in de Assemblée Nationale. Op het Binnenhof waren de discussies in de eerste plaats gericht op het zoeken naar overeenstemming. Daarom viel Bolkestein ook zo uit de toon: hij was degene die de consensus ter discussie stelde en durfde te polariseren. Maar anders dan in Frankrijk kwam er geen weerwoord uit de anti-racismehoek. In plaats daarvan ontstond er in Nederland een nieuwe consensus: de multiculturele samenleving is uitgedraaid op een fiasco en de islam vormt een bedreiging. ‘Er loopt een duidelijke lijn van Bolkestein naar Fortuyn en uiteindelijk Wilders’, zegt Van der Valk. ‘In Nederland begon de problematisering van de islam op politiek niveau eerder dan in veel andere landen.’

Rida Hamdi (21) weet een snellere route naar lokaal 1A21 in het hoofdgebouw van de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam. ‘Als ik druk ben, loop ik vaker zo’, zegt de student farmaceutische wetenschappen. ‘Dan is de kans groter dat ik onderweg geen bekenden tegenkom die me ophouden.’ Lokaal 1A21 op de eerste verdieping is geen reguliere studiezaal, maar een gebedsruimte voor islamitische studenten. Hamdi is hier dagelijks te vinden. Op deze vrijdag aan het eind van de ochtend is het er nog rustig. ‘Straks rond half twee kun je hier geen vrij plekje meer vinden’, zegt Atica Riaz (18) terwijl ze naar de bidruimte voor vrouwen wijst. ‘Dat geldt ook voor de mannen. Vaak is het voor het vrijdaggebed zo druk dat er gebruik wordt gemaakt van een extra ruimte.’

Riaz is net als Hamdi als commissielid actief binnen de Islamitische Studentenvereniging Amsterdam (isa). Samen voelen de ruim achthonderd leden zich gesterkt en kunnen ze op universiteiten en hogescholen ‘gewoon zichzelf zijn’ zonder dat ze moeten uitleggen waarom ze een hoofddoek dragen of meedoen aan de ramadan. ‘En we willen laten zien dat een academische opleiding en je geloof actief belijden prima samengaan’, aldus Hamdi, die ook in de Studentenraad van de VU zit.

De leden van isa (Arabisch voor Jezus) zijn allemaal jonge moslims die grotendeels opgroeiden na de aanslagen van 11 september, na de moord op Theo van Gogh en tijdens de opkomst van de pvv. Zij zijn het gewend dat hun geloof altijd bevraagd wordt, een grote politieke partij er ‘minder, minder’ van hen in dit land wil en werden volwassen terwijl ze zich bij hun klasgenootjes moesten verantwoorden voor aanslagen die ze zelf net zo verafschuwden. ‘Wat ik van Islamitische Staat vind? Wat denk je zelf dat ik van een groepering vind die willekeurig mensen doodt en onthoofdt? Dit vroegen vriendinnen met wie ik dagelijks omging op de middelbare school.’ Riaz, van Pakistaanse komaf, groeide op in het Brabantse Boxtel en begon als een van de weinige biculturele leerlingen op het gymnasium. En dan droeg ze ook nog een hoofddoek. ‘Dat was een enorme cultuurshock, en niet alleen voor mij. Ik kwam bij een jongen in de klas uit een naburig dorp die nog nooit met een moslim had gesproken. Die wist totaal niet wat hij met me aan moest.’

Dit is ook de generatie die volwassen werd in het internettijdperk, waarin een nieuw soort publieke ruimte ontstond. Maar wel een publieke ruimte die je veilig van achter je computer of telefoon en desnoods anoniem kon betreden in een tijd dat alles gezegd mocht worden onder het mom van vrijheid van meningsuiting. Wie vorige week op sociale media keek toen bekend werd dat oud-pvv’er Joram van Klaveren zich had bekeerd tot de islam zag hoe normaal islamofobe uitspraken zijn geworden. ‘Liever doodgaan dan moslim worden’, ‘land- en cultuurverrader’ of ‘nu nog een bontkraagje en oude vrouwtjes beroven en dan is hij compleet ingeburgerd’ zijn nog enkele van de milde reacties.

‘Het is opmerkelijk hoe er geleidelijk gewenning plaatsvindt’, constateert ook de laatste monitor Moslimdiscriminatie uit 2017. Het rapport wijdt een apart hoofdstuk aan de online beeldvorming over moslims, met name op rechtse blogs als GeenStijl en PowNed. Zowel het aantal artikelen als het aantal comments over moslims nam daar tussen 2005 en 2015 enorm toe. En in veel van die berichten wordt de islam afgeschilderd als een culturele of politieke dreiging. Wilderiaanse neologismen, zoals ‘kopvoddentaks’ of ‘haatimam’, worden gretig overgenomen door de auteurs en reaguurders. ‘De beeldvorming over moslims/islam is op beide weblogs vrijwel over de hele linie negatief’, concludeert de monitor.

Digitale media hebben een belangrijke invloed gehad op de manier waarop er nu naar moslims wordt gekeken, menen Riaz en Hamdi. Ze weten niet beter dan dat op Facebook en Twitter zeer hatelijk wordt gereageerd op nieuwsberichten die iets met de islam te maken hebben. Hamdi: ‘Voorheen antwoordde ik geregeld op die nare berichten, ook om het beeld recht te zetten dat er heerst van moslims. Maar daar ben ik mee gestopt, want ik neem dat gescheld op sociale media niet meer serieus.’

Ook de rol van de reguliere media vinden ze kwalijk. Riaz heeft voor haar studie politicologie oude nieuwsberichten uit de jaren tachtig bekeken en haar viel meteen op dat er vroeger veel feitelijker werd bericht. ‘Vandaag zie je dat er in bepaalde media bijna campagne wordt gevoerd en dat opinies belangrijker lijken te zijn geworden dan de feiten. Zeker als het over moslims en de islam gaat. En als jij nog nooit een moslim hebt ontmoet, neem je toch over wat je in de media ziet.’

3. De vijf meest gebruikte woorden rondom ‘islam’ in de Volkskrant en de NRC

Iedere ochtend vallen in Amsterdam Nieuw-West drie kranten op de deurmat van historicus Tayfun Balçık: de Volkskrant, het AD en De Telegraaf. Hij neemt ze mee naar zijn bureau, waar het werk begint: met een pen in de aanslag pluist hij iedere pagina na op berichtgeving over moslims. Omdat NRC Handelsblad een avondkrant is, leest hij die vooral digitaal. Balçık heeft er zowat een volle dagtaak aan. ‘Het is niet altijd even leuk, maar dit werkt voor mij het best om de berichten ook kwalitatief te beoordelen’, zegt hij in een Turkse patisserie in Osdorp. Balçık begon met zijn onderzoek nadat hem was opgevallen dat er eenzijdig over moslims wordt bericht in Nederland. ‘Als het over geweld gaat, worden moslims veel sneller gelinkt aan terrorisme. Dat frustreerde me en daarom ben ik het gaan bijhouden.’

‘Wat opvalt bij racisme: mensen met een praktische opleiding hebben te maken met directe discriminatie, bij academisch geschoolden is het subtieler’

De eerste resultaten publiceerde hij begin dit jaar op de online mediaplatforms Republiek Allochtonië en Nieuw Wij. In vrijwel ieder bericht over terrorisme wordt de link met moslims gelegd. Zo publiceerde De Telegraaf in ruim twee maanden tijd 102 artikelen over terrorisme, waarbij het in 101 gevallen over moslims ging. In de andere kranten was het patroon niet veel anders. Hij wilde zijn bevindingen bespreken met de hoofdredacties van de dagbladen maar kreeg nul op het rekest. Volkskrant-hoofdredacteur Philippe Remarque reageerde later op verzoek van de Britse website Index on Censorship op de voorlopige resultaten van Balçık. ‘Het is logisch dat de woorden moslim en terreur veel samen voorkomen, omdat die gebeurtenissen in het nieuws zijn.’

Uit ons eigen onderzoek blijkt een opvallende verschuiving als het gaat over hoe er in de Nederlandse pers wordt geschreven over de islam. Tot 2004 wordt de islam in de NRC en de Volkskrant vooral in één adem genoemd met ‘religie’ en ‘levensbeschouwing’ (zie grafiek 3). Vanaf 2004 kantelt dat beeld en zijn de drie woorden die het meest rondom ‘islam’ worden genoemd ‘radicale’, ‘politieke’ en ‘Nederland’. Daarnaast verschijnt het woord ‘islamisering’, een term die in het parlement vooral door de pvv wordt gebruikt, vanaf 2006 aanzienlijk vaker in de twee kwaliteitskranten. Op het toppunt in 2010 staat het woord in bijna honderd artikelen. De laatste drie jaar is dit gemiddeld vijftig berichten, wat nog steeds in groot contrast staat met de jaren rond de eeuwwisseling, toen ‘islamisering’ jaarlijks voorkwam in slechts tien of minder stukken.

Eenzelfde trend zien we bij het analyseren van de ruim één miljoen ‘spreekbeurten’ in de Tweede Kamer sinds 1995 (zie grafiek 4). Vanaf 2004 wordt er in combinatie met de islam in het parlement vooral gesproken over ‘Nederland’, ‘ideologie’, ‘radicale’ en ‘invloed’, maar amper over wat het voor de overgrote meerderheid van de Nederlandse moslims zelf is: een religie. Opvallend is verder dat de islam pas na de eeuwwisseling een onderwerp van debat is geworden op het Binnenhof, terwijl het in de jaren negentig nog nauwelijks besproken werd. Van 1995 tot 2000 werd ‘islam’ in totaal 104 keer genoemd. De afgelopen vijf jaar was dat 1475 keer, in 45 procent van de gevallen door parlementariërs van de pvv – een partij die nog geen vijftien procent van de stemmen kreeg. In de NRC en de Volkskrant bereikte de berichtgeving over de islam een piek in 2006, met ruim tweeduizend artikelen. Sindsdien ligt het aantal vrij constant rond de 1200 artikelen per jaar. Tussen 1995 en 2000 was dat jaarlijks nog minder dan 750.

‘Nawal, heb je dat stuk van het AD gezien?’ Op 4 april 2017 krijgt Nawal Mustafa (33) een telefoontje van haar broertje, over een nieuwsbericht op de website van het Algemeen Dagblad.aivd: salafisten zetten gematigde moslims onder druk’, luidt de kop. Normaal gesproken niet iets waar haar broertje over zou bellen, ware het niet dat boven het artikel een foto van hun vader staat. Hij zit aan een tafel met drie andere mannen en allemaal dragen ze lange gewaden en een kufi-muts. Nawal herkent de foto wel, hij is genomen tijdens een inzamelingsactie voor de lokale moskee en stond op hun Facebook-pagina. Maar wat doet hij boven een artikel over radicale salafisten? De fotograaf had al naar de redactie gebeld met het verzoek om het beeld te verwijderen, maar werd afgewimpeld omdat hij gebrekkig Nederlands spreekt. Dus werd zij ingeschakeld: ‘Jij bent toch activistisch en uitgesproken? Kun jij er niet wat aan doen?’

Na wat aandringen kreeg ze de dienstdoende beeldredacteur aan de telefoon. Tsja, ze was gewoon via Google bij deze foto uitgekomen, legde ze uit. Nee, het had inderdaad niets te maken met de inhoud, moest ze erkennen. En ja, ze kon zich voorstellen dat het vervelend was, maar geen zorgen – dan veranderde ze het beeld toch gewoon. Met een klik van de muis werd de foto van haar vader vervangen door de zwarte vlag van IS. ‘Zo bizar’, zegt Mustafa nu. ‘Ik snap wel dat het allemaal snel moet op zo’n redactie, maar het is veelzeggend dat er kennelijk niemand rondloopt die hier twee keer over nadenkt. Ik vind het tekenend voor de manier waarop veel Nederlandse media werken. Ze hebben veel schade aangericht als het gaat om de beeldvorming over moslims.’

Ze merkte de omslag na 11 september 2001. Ze was vijftien en woonde in Oost-Groningen, waar ze vaak genoeg racistische scheldwoorden naar haar hoofd geslingerd kreeg, maar nooit gingen die beledigingen over de islam. In die tijd was ze ook niet bewust bezig met haar geloof, als ze op schoolreisje ging naar Amsterdam deed ze haar hoofddoek af en droeg ze haar haar in vlechtjes. Maar na de aanslagen van al-Qaeda werd ze opeens gedwongen om een positie in te nemen. ‘Ik moest uitleggen waarom moslims niet slecht zijn’, zegt ze in de koffiehoek van de Vrije Universiteit, waar ze nu haar promotieonderzoek doet naar de historische regulering van gemengde liefdesrelaties. ‘Je voelde gewoon dat er iets veranderd was in de samenleving.’

Die verandering heeft zich sindsdien alleen maar verder doorgezet. Ze weet nog goed hoe ze na de moord op Fortuyn terugfietste van een vriendin en bad: laat het alsjeblieft geen moslim zijn. ‘Iedere Nederlandse moslim had diezelfde gedachte, want we wisten dat we als groep verantwoordelijk zouden worden gehouden.’ Twee jaar later gebeurde door de moordaanslag van Mohammed B. alsnog waar ze voor vreesde: er groeide openlijke vijandigheid tegenover moslims. ‘Ik kwam uit Somalië als oorlogsvluchteling en zag Nederland als een betrouwbaar en veilig land, waar ik me kon ontwikkelen en mezelf kon zijn, maar in de afgelopen twintig jaar is dat veiligheidsgevoel stukje bij beetje afgebrokkeld. Kort na de aanslagen in Brussel zat ik ’s avonds in de trein en stapten er twee kerels met kale hoofden en getatoeëerde armen de coupé binnen. Ik probeerde me onzichtbaar te maken, omdat ik dacht dat ze me iets aan zouden doen. Er gebeurde niets, maar ik schrok van mijn eigen gedachten. Die zou ik tien jaar geleden nooit hebben gehad. Ik heb echt het gevoel dat moslims public enemy number one zijn geworden.’

Dat Mustafa lang niet de enige moslim in Nederland is met zo’n gevoel bewijst het vergelijkende onderzoek van het European Union Agency on Fundamental Human Rights. In geen enkele andere lidstaat zeggen moslims vaker gediscrimineerd te worden vanwege hun geloof. Alleen in Italië voelen moslims zich nog minder verbonden met hun thuisland. Misschien nog wel zorgwekkender is dat de ‘tweede generatie’ een slechtere band heeft met Nederland dan hun ouders. Datzelfde signaleert het scp-rapport Integratie in zicht (2016): de kinderen van Turkse en Marokkaanse gastarbeiders zijn minder tevreden over de Nederlandse samenleving. Ook in dat opzicht is ons land een uitzondering in Europa.

‘Discriminatie van moslims als moslims is een relatief nieuw fenomeen’, zegt Ineke van der Valk, die al jarenlang als onderzoeker betrokken is bij de monitor Moslimdiscriminatie en diverse boeken publiceerde over islamofobie. Waar ‘antisemitisme’ een ingeburgerd begrip is, roept die term nog altijd veel weerstand op. ‘Islamofobie is ook een vreemd begrip, omdat het suggereert dat het alleen om angst gaat’, zegt Van der Valk. ‘Terwijl het ook gaat over ideeën van superioriteit. Het duidt op de denkbeelden die ten grondslag liggen aan moslimdiscriminatie. Die afwijzende reactie bij het horen van de term islamofobie laat zien dat veel mensen niet onder ogen willen zien dat dit een reëel bestaand probleem is. Er is in Nederland sowieso sprake van achterstallig onderhoud in ons begrip over racisme. We zien het als een persoonlijk verwijt, terwijl het over maatschappelijke structuren gaat.’

4. De vijf meest gebruikte woorden rondom ‘islam’ in de Tweede Kamer

‘Jullie willen het over racisme hebben’, zegt Mitchell Esajas (30), terwijl hij een deur opent op de bovenste etage van een monumentaal pand in Amsterdam-Oost. Hij betreedt een ruimte met duizenden boeken, decennia oude tijdschriften met zwarte iconen als Martin Luther King en James Baldwin op de cover, hier en daar T-shirts en truien tegen Zwarte Piet en andere uitingen van Blackface: The Black Archives. ‘Kijk maar even rond.’

Met The Black Archives proberen Esajas en een aantal anderen de geschiedenis te laten zien vanuit een zwart perspectief, juist omdat hij betoogt dat racisme een systeem is dat ‘voortkomt uit een bepaald verleden’. Dat is ook de boodschap die hij verkondigt als hij presentaties geeft in het land. Esajas: ‘Honderden jaren zijn er allerlei theorieën ontwikkeld en gepromoot dat bepaalde menselijke rassen, zoals West-Europeanen, superieur zijn ten opzichte van bijvoorbeeld Afrikaanse rassen. Na de Tweede Wereldoorlog werd in Nederland gezegd: kijk waar rassendenken toe kan leiden. Er werd besloten: dit nooit meer. En dat gegeven is het Nederlandse zelfbeeld gaan bepalen.’ Onterecht, zegt Esajas, want veel Nederlanders met een migratieachtergrond hebben net als de voorgaande generaties te maken met racisme. ‘Het verschil is alleen: deze generatie laat het niet zomaar over z’n kant gaan.’

Samen met Jerry Afriyie is Esajas een van de leiders van Kick Out Zwarte Piet (kozp); hij hult zich in kleding met afbeeldingen van burgerrechtenactivisten als Malcolm X en schroomt niet de straat op te gaan om zijn stem te laten horen of anderszins het racismedebat los te wrikken. Het maakt Esajas tot een geliefd figuur binnen antiracistische kringen, maar het komt hem ook te staan op ongefundeerde verdachtmakingen.

Dieptepunt was een stuk in De Telegraaf halverwege november, net op het moment dat er een rechtszaak liep tegen de zogenaamde Blokkeerfriezen en de intocht van Sinterklaas aanstaande was. Hij werd wakker en zag dat hij talloze berichten had ontvangen op zijn telefoon over dat hij in de krant stond. ‘Ik ben meteen naar de kiosk gelopen en zag mijn foto in De Telegraaf met de kop “Het gevaar van een radicale agenda”.’ Esajas moest eerst nog lachen toen hij las dat hij het zou hebben gemunt op ‘Nederlandse iconen’, molens en het oorlogsmonument op de Dam – en dat hij grote sommen geld ontvangt van filantroop George Soros – maar hij besefte al snel dat het ronduit gevaarlijk kan zijn. ‘Het stuk schetste het beeld dat Jerry en ik een gevaar zijn voor de Nederlandse cultuur. Terwijl ik alleen maar strijd voor gelijke behandeling en dat iedereen mee mag praten over de invulling van Nederland. Maar de heftige reacties rond Zwarte Piet bewijzen wel dat er nog een lange weg te gaan is.’

‘Er is nu een mondige generatie die terugpraat. Ze durven tegengas te geven. Voorheen was die houding er minder, onze ouders gingen veel meer in de verdediging’

Op sociale media krijgt de anti-racismebeweging een hoop haat over zich heen. Dat blijkt uit onze analyse van de meest ‘gelikete’ reacties onder Facebook-posts van verschillende actualiteitenprogramma’s. Zeker op de pagina van PowNews moeten de activisten het ontgelden. ‘Wat krijg je als je geestelijk achtergestelde mensen zonder begeleiders op pad laat? Juist, deze demonstratie’, reageert iemand onder een bericht over een mars tegen racisme. Hij ontvangt 1297 duimen omhoog. Een vrouw die in een filmpje over de Zwarte-Pietenban van rtl zegt dat Sylana Simons ‘terug moet naar d’r eigen land’ krijgt veel bijval in reacties. ‘Wat ’n baas’, aldus een van de ‘topcomments’. Uit dezelfde dataset, met in totaal 2,8 miljoen reacties, blijkt ook dat de Facebook-gebruikers voornamelijk schrijven dat Zwarte Piet ‘zwart’, ‘een traditie’, ‘niet racistisch’ en ‘geen racisme’ is. Nederlands gelabelde tweets in 2018 met ‘zwarte piet’ laten een vrij gelijk beeld zien, al klinkt hier meer tegengeluid. Zo zijn #kozp en #zwartepietisracisme veelvoorkomende hashtags.

Nog voordat het debat over Zwarte Piet losbarstte, voelden Surinaamse Nederlanders zich al minder thuis in Nederland, stelde het scp vast in 2016. ‘Vond in 2006 nog vijftien procent van de Surinaamse Nederlanders dat migranten (zeer) vaak door autochtone Nederlanders worden gediscrimineerd, in 2015 was dat aandeel bijna verdrievoudigd naar 41 procent.’ Deze ‘spectaculaire stijging’ vond vooral plaats tussen 2006 en 2011. Ook vinden Surinaamse Nederlanders in dezelfde periode dat Nederland minder open en gelijkwaardig is geworden.

‘Die toename heeft er ook mee te maken dat de jongere generatie racisme en discriminatie eerder herkent en zich ook uitspreekt’, zegt Surya Nahumury, die is geboren uit een Molukse vader en een Surinaamse moeder. Ze zit in een eettentje in het centrum van Amsterdam met hoge tafels en veel planten, kleurige schilderingen op de muren en reggaemuziek op de achtergrond.

Nahumury (25) is onderdeel van die nieuwe generatie die zich uitspreekt tegen discriminatie. Zo nodigt ze bij haar thuis in Amsterdam-Zuidoost elke maand een grote groep bekenden uit om over actuele thema’s te praten onder de naam Speak Up! ‘We hebben het over onderwerpen als de verkiezingen en duurzaamheid, maar de bijeenkomsten over racisme zijn altijd het drukst. Het mooie is dat de aanwezigen uit alle lagen van de bevolking komen en je dus een breed perspectief krijgt. Wat bijvoorbeeld opvalt bij racisme: mensen met een praktische opleiding hebben te maken met directe discriminatie, bij academisch geschoolden is het subtieler.’

Zelf behoort Nahumury tot die laatste groep. Ze studeerde antropologie aan de Universiteit van Amsterdam en hoewel ze in dezelfde stad werd geboren en getogen, belandde ze in een totaal nieuwe wereld. Het begon al tijdens de introductieweek, toen alle andere studenten vooral heel dronken werden en zij er een beetje verloren bij liep. ‘Daarna kwamen de vragen: hoe is het om in Amsterdam-Zuidoost op te groeien? Durf je daar wel over straat?’ Ook tijdens colleges merkte ze dat ze een andere werkelijkheid had dan haar studiegenoten en docenten. Vaak liet ze het gaan en zei ze er niks over. ‘Maar toen een docent een keer het n-woord gebruikte tijdens een college ben ik na afloop wel naar hem toe gegaan om hem te wijzen op de geschiedenis van die term en heb ik hem duidelijk gemaakt dat dat woord echt niet meer kan. Dat begreep hij.’

Het is iets wat terugkomt in alle gesprekken die we voeren en waar Nahumury ook op wijst: in Nederland zijn we nog bezig met het vinden van een taal om de discussie over racisme op een constructieve wijze te voeren. Het n-woord is al uit de gratie en ook woorden als ‘blank’ en ‘allochtoon’ worden minder gebruikt, maar termen als ‘wit privilege’ en ‘intersectionaliteit’ stuiten nog op grote weerstand.

Om ook de eigen jongeren bewust te maken van de taal die ze gebruiken, bedacht Nahumury samen met Nyanga Weder het project ‘Welke Sporen Horen We?’ waarmee ze bewustwording willen creëren over problematische muziekteksten en de artiesten wijzen op hun verantwoordelijkheid. Met een kop gemberthee in haar hand geeft ze een voorbeeld van een tekst van de populaire rapper Frenna, die zelf van Ghanese komaf is. ‘In een van zijn teksten rapt hij dat het nu zó goed met hem gaat dat hij zijn ov-chipkaart heeft ingeruild voor een dure auto, munten voor briefgeld en een vrouw met “dark skin” voor een barbie. Alsof dat laatste dus ook een upgrade is. Jongeren luisteren daarnaar en nemen dat ook over.’ Nahumury en Weder gaan met jongeren en de muzikanten samen in gesprek en filmen dat. De video’s worden vervolgens online gezet. ‘We hebben geprobeerd een omroep te vinden om het uit te zenden, dat is op niets uitgelopen. We moesten zoveel veranderen aan ons plan dat we ervoor hebben gekozen het zelf te maken.’

5. ‘Racisme’ in het publieke debat

Het publieke debat is gepolariseerd, daarover is iedereen die we voor dit verhaal hebben gesproken het eens. Maar lang niet iedereen ziet dat als een negatieve ontwikkeling. ‘Het is niet erg om hard te clashen’, zegt VU-promovendus Nawal Mustafa. ‘Dat kan veranderingen versnellen. Mensen worden gedwongen om te reflecteren en stelling te nemen. Misschien doen we twee stappen naar voren en één stap terug, maar we komen wel vooruit.’ Mustafa kwam als kind naar Nederland en weigert zichzelf te beschouwen als gast, dit is het land waar zij haar toekomst opbouwt en haar kinderen wil grootbrengen. ‘Ik ben een actieve participant met rechten en plichten. Waarom zou ik me moeten invechten? De samenleving moet veranderen.’

‘Er is nu een mondige generatie die terugpraat’, zegt Nadia Bouras. ‘Ze zijn unapologetic en durven tegengas te geven. Voorheen was die houding er minder, onze ouders werden veel meer in de verdediging gedrongen.’ De opkomst van partijen als Denk en Bij1 ziet ze als onderdeel van een democratiseringsproces. Nederlanders met een migratieachtergrond voelen zich in de steek gelaten door de gevestigde partijen, die meebuigen met de retoriek van Wilders, in plaats van er tegenin te gaan. ‘Bij veel politici van het zogenaamde redelijke midden heb ik zoiets van: potverdorie, trek je bek eens open!’ Logisch dus dat er een voedingsbodem is voor nieuwe partijen die dat geluid wél uitdragen. ‘Denk is een fotonegatief van de pvv. De witte Nederlander die zich niet gehoord voelt trekt naar de ene flank, de “allochtone” kiezer naar de andere.’ Die polarisatie is terug te zien in onze data-analyse: na de pvv is Denk de partij die zich de afgelopen jaren het meest roert in het politieke debat over de multiculturele samenleving (zie grafiek 2).

Het ‘wij-zij-denken’ is sterker geworden, merkt Tayfun Balçik en dat baart hem zorgen. Hij verkiest de dialoog boven de confrontatie. Onvermoeibaar gaat hij het gesprek aan met mensen die anders denken. Dat begint al aan de eettafel van zijn ouderlijk huis. Zijn familie komt uit een nationalistisch milieu, dus als hij thuis vertelt over de gesprekken die hij organiseert tussen Koerden, Turken en Armeniërs stuit hij op onbegrip. Voor hen zijn alle pkk’ers terroristen en heeft de Armeense genocide nooit plaatsgevonden. Ook in de anti-racismebeweging stelt niet iedereen zijn verzoenende houding op prijs. Zo joeg hij anti-Zwarte Piet-activisten tegen zich in het harnas toen hij tijdens een paneldiscussie pleitte voor meer dialoog. ‘Als je nog een keer over dialoog begint heb je een probleem’, beten ze hem toe. Maar Balçik blijft overtuigd van zijn strategie: ‘Soms is schreeuwen goed, want dan horen mensen het, maar het gesprek is een belangrijk middel. Hoe ga je anders mensen voor je winnen?’

Het helpt dat ‘het volk’ veel minder boos en xenofoob is dan degenen die zich opwerpen als de spreekbuis ervan. Terwijl de toon in de politiek en de media verhardt, blijkt het overgrote deel van de Nederlanders opvallend mild. In 1994 vond bijna de helft van de bevolking dat hier ‘te veel mensen van een andere nationaliteit wonen’, in 2017 was dat 31 procent. ‘Dat is misschien contra-intuïtief, vooral omdat er in het publieke en politieke debat na 2002 veel meer aandacht is voor dit thema, waarbij het “multiculturele taboe” van de jaren negentig als negatief ankerpunt wordt gebruikt’, schreef het scp in De sociale staat van Nederland. Ook het draagvlak voor de opvang van oorlogsvluchtelingen is met 77 procent van de volwassen bevolking onverminderd groot. En uit onderzoek van het Pew Research Centre bleek dat, ondanks alle stigmatiserende nieuwsberichten en de politiek-besmettelijke islamofobie van Wilders, 88 procent van de Nederlanders een moslim in hun familie zou verwelkomen. Meer dan in andere Europese landen. Nederlanders staan, kortom, een stuk positiever tegenover de multiculturele samenleving dan de berichtgeving in kranten, de retoriek van politici en de scheldkanonnades op sociale media doen vermoeden.

Dat betekent niet dat het allemaal wel meevalt met racisme in ons land, want zolang moskeeën bekogeld worden met brandbommen, Sylvana Simons met de dood wordt bedreigd en Nederlanders met een migratieachtergrond moeilijker aan een baan en een huis komen, valt er genoeg af te dingen op ons tolerante zelfbeeld. Maar het betekent wel dat een luidruchtige minderheid, gevoed door rechtse populisten, geholpen door meebuigende middenpartijen en gefaciliteerd door vertekenende beeldvorming, een onevenredig grote invloed heeft op het maatschappelijke klimaat. ‘Perceptie en werkelijkheid lopen uiteen’, zegt Nawal Mustafa. ‘In mijn wijk Bos en Lommer gaan mensen met allerlei achtergronden naar dezelfde Marokkaanse slager en Turkse bakker en is er in het dagelijkse leven eigenlijk weinig frictie. Ik denk dat dat voor een groot deel van Nederland geldt. Maar tegelijkertijd wordt er constant herhaald dat de multiculturele samenleving mislukt is. Het is makkelijk om in dat valse narratief te gaan geloven. Neem nou zo’n uitspraak van Stef Blok. Hoezo kent hij geen samenleving waar mensen uit verschillende culturen vreedzaam samenleven? Hij woont toch in Nederland!’

Over dit onderzoek

Om de verschuiving in het publieke debat in kaart te brengen hebben we gebruik gemaakt van data uit het parlement, krantenarchieven en sociale media. We hebben meer dan een miljoen spreekbeurten in de Tweede Kamer gedownload, vanaf 1995 tot en met eind vorig jaar. Vervolgens konden we kijken hoe vaak en door welke partijen bepaalde trefwoorden – ‘islam’, ‘allochtoon’, ‘gewone Nederlander’, ‘multiculturele’ en ‘racisme’ – door de jaren heen zijn gebruikt (zie grafiek 1 en 2). Ook hebben we onderzocht welke relevante woorden het meest worden gebruikt rondom deze trefwoorden (zie grafiek 4).

Datzelfde hebben we gedaan met de ruim vijftigduizend artikelen uit NRC Handelsblad en de Volkskrant (zie grafiek 3). We verzamelden alle berichten tussen 1995 en 2018 over de bovengenoemde trefwoorden. Aanvankelijk was het plan om ook De Telegraaf en het Algemeen Dagblad mee te nemen, maar aangezien deze kranten pas later zijn gearchiveerd hebben we ze buiten beschouwing gelaten.

Tot slot hebben we gekeken naar ruim 2,8 miljoen comments op de Facebook-pagina’s van achttien actualiteitenprogramma’s en kranten, die zijn verzameld door Bernhard Rieder, hoofddocent nieuwe media en digitale cultuur aan de Universiteit van Amsterdam. Ook analyseerden we ruim achthonderdduizend Nederlands-gelabelde tweets met ‘racisme’ en ‘zwarte piet’. Met deze sociale-mediadata konden we het online discours rond de Zwarte-Pietendiscussie verkennen.

Het data-onderzoek is uitgevoerd door Sal Hagen, onderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Op onze website, groene.nl, heeft hij een uitgebreidere onderzoeksverantwoording geschreven, waarin ook meer grafieken staan.


Op maandagavond 6 mei vindt er in Pakhuis de Zwijger een ‘De Groene-live’ plaats over ons journalistieke onderzoek naar racisme in Nederland. Houd de website in de gaten voor meer informatie.