Wat is beter?

Ik weet niet wat er erg is aan een trauma als er geen angst bij komt kijken.

Er is iets in je leven gebeurd en daar hou je angsten aan over – dat is iets wat moet worden behandeld. Maar al het andere?

Het zou zo moeten zijn dat een psychiater of een dokter je beter maakt.

Maar ik blijf hangen op dat begrip ‘beter’. Wat is beter?

Als je ziek bent, moet je een geneesmiddel krijgen waardoor je beter bent dan toen je ziek was.

Maar waarom stopt het daar?

Het is een vraag die ik mezelf al stel sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw toen we experimenteerden met drugs.

Drugs tasten je gezondheid aan – zeiden ze, maar op een of andere manier kon je er wel anders door gaan denken, en dus, in ieder geval, een andere denker worden.

Ik gebruikte lsd en werd er angstig van, en stopte daarmee. Toen coke. Dat vond ik heerlijk, maar ik begreep wel dat het mijn leven kon gaan beheersen. Dus ik nam het af en toe. Andere drugs – nou ja, wat hasj af en toe – heb ik nooit gebruikt, en daar heb ik nu spijt van. Hoe zou mijn geest zijn als ik meer drugs had gebruikt?

Ik heb Herman Brood een paar dagen voor zijn dood gezien. Hij was vies. Hij had in zijn broek gepist en gepoept, althans dat zei hij. Ik kreeg de indruk dat hij niet meer goed kon horen en hij kwijlde een beetje.

Dat kwam door de drugs, begreep ik.

Maar zou Herman Brood Herman Brood zijn geweest zonder die drugs die hij gebruikte?

Een artsenvriend van mij zei: ‘Ik ben geen arts geworden om je fysiek naar de klote te helpen.’ Ik vroeg hem of hij ooit coke voorschreef, want dat leek me een goed geneesmiddel voor sommige kwalen. Hij vond mijn vragen nogal dom.

Maar ik zei: ‘Ik kan me bijna niet voorstellen dat die antidepressiva die jij voorschrijft niet net zo’n vernietigende werking hebben als coke.’ Hij bestreed dat.

Ik vroeg of hij ooit coke voorschreef, want dat leek me een goed geneesmiddel voor sommige kwalen

Ik ben op jonge leeftijd – door die lsd waar ik het over had – een tijdje verslaafd geweest aan valium en temesta. Ik weet niet eens of beide middelen nog bestaan. Ik vond het prettig om er verslaafd aan te zijn.

Die dikke ontspannende wolk waarop ik liep, gaf me een vorm van zelfvertrouwen die ik zonder drugs niet had.

Ik moest ervan af, want ik werd een zombie en deed niets meer.

Maar ik bleef me afvragen waarom ik die pillen niet kon blijven gebruiken. Het paradijs lag maar een poedertje of een pilletje van me vandaan. Waarom niet af en toe een stapje in het paradijs zetten?

Ik ben toen ik vader werd totaal met de drugs gestopt (nou ja, op een jointje na dan). Toen mijn dochter volwassen was heb ik af en toe, maar alleen echt heus af en toe, weer wat coke genomen. Het effect was anders dan vroeger. Ik ging er erg van praten. Mijn stemming veranderde er niet noemenswaardig door, en mijn gedachten ook niet.

Drugs blijven me intrigeren. Ik kan in normaal gebruik geen gevaar zien. ‘En hoe zou je het vinden als je kleinzoon straks verslaafd is?’

Dat is een vraag die me inderdaad bezighoudt. Het antwoord heeft te maken met de manier waarop hij leeft.

Als hij een creatief beroep heeft, zou ik het niet erg vinden.

ls hij daarentegen langs de straten schuimt, steelt, et cetera et cetera, dan zou ik me vreselijk voelen.

Dat is een gedachte die ik niet kan verdragen.

Die artsenvriend vertelde me dat verslaving voor een groot gedeelte genetisch is.

Ik weet bijna zeker dat ik die genen heb.

Ik heb angst – daar wil ik een pilletje tegen.