Interview Neeltje Maria Min

«Wat is dat nou: trots?»

Met de debuutbundel van de 22-jarige Neeltje Maria Min uit Bergen, ‹Voor wie ik liefheb wil ik heten›, vond de dichtkunst voor het eerst een groot publiek. Nu, 35 jaar later, blikt Min terug. «Als ik gewoon Willy de Jong had geheten of zo, dan was het anders gelopen.»

Vorsend kijkt ze me aan, vanaf de andere kant van de robuuste houten tafel, in het pas verbouwde huis te Koedijk. «Zeg jij maar hoe het ging. Ik heb niet zo goed opgelet in die tijd.»

«Die tijd» is midden jaren zestig. Achttien was ze toen ze gedichten onder het pseudoniem Sophie Perk naar het Algemeen Handelsblad stuurde. Dichter Ed. Hoornik zocht vrij snel erna contact met haar, waardoor in 1964 drie gedichten in De Gids verschenen. Twee jaar later werd haar debuut voorafgegaan door een publicatie in Maatstaf. Bij de presentatie van haar bundel zei dorpsgenoot Adriaan Roland Holst: «Zij stoort zich alleen aan zichzelf. Ze is volkomen onafhankelijk en laat zich door niemand beïnvloeden.»

De debuutbundel van de 22-jarige Neeltje Maria Min uit Bergen, Voor wie ik liefheb wil ik heten (1966), werd ongekend goed verkocht. Was de eerste oplage al uitzonderlijk hoog voor een poëziebundel, zevenduizend, voorlopig konden er elke maand vijfduizend worden bijgedrukt. Niet eerder vond de dichtkunst op zo'n grote schaal aftrek. Het titelgedicht werd een meezinger: «mijn moeder is mijn naam vergeten,/ mijn kind weet nog niet hoe ik heet./ hoe moet ik mij geborgen weten?/ noem mij, bevestig mijn bestaan,/ laat mijn naam zijn als een keten./ noem mij, noem mij, spreek mij aan,/ o, noem mij bij mijn diepste naam./ voor wie ik liefheb, wil ik heten.»
De scepsis van de literaire kritiek («mixture van Vasalis en Lodeizen met een vleugje bijbeltaal») deed weinig aan de belangstelling af. Journalisten togen en masse naar Bergen, alwaar ze in De Rustende Jager elke zucht van Mins lippen optekenden. Echt mededeelzaam was ze niet, hetgeen het mysterie alleen maar vergrootte. «Neeltje kijkt langs, door en over je heen…» Iedereen kwam met hetzelfde verhaal thuis over het stugge meisjestalent. Ze heeft een kind van anderhalf, woont bij haar ouders in, heeft nooit een schoolopleiding afgemaakt en houdt van dobbelen.

Het succes leek ongezocht. Ongewenst misschien zelfs. Na de eerste hausse van aandacht gaf ze niet meer thuis. Jaren na dato liet ze zich door de VPRO verleiden om gefilmd te worden, in haar huis, gezeten voor de open haard, waarin ze nooit geopende fanmail wierp.

Neeltje is inmiddels Neel, maar haar blik en stemgeluid echoën het meisje van weleer. «Ik heb er niets leuks over te zeggen», zegt ze nog maar eens ter aanmoediging. Vanuit haar woonkamer biedt het raam aan de ene kant zicht op het Noord-Hollands Kanaal; de mooiste bootjes en schuiten komen langs dobberen. Het andere raam toont het in deze tijd van het jaar uitbundige groen van de Geestmerambacht. «Als je hier zit», zegt ze, «raakt de noodzaak tot heel veel dingen volkomen weg. De komende vijftig jaar kan ik volstaan met uit het raam kijken.»

Je dicht nog wel, toch?

«Jawel. Maar ik heb een heel lage productie. Als ik er eenmaal mee bezig ben, stel ik me voor dat dat het mooiste leven is. Gewoon elke dag alleen maar dat te doen. Maar zo werkt het niet. Er wordt toch steeds weer iets anders van je verwacht. Kennelijk ga ik erg op in alles wat ik doe. Als ik aardappelen moet schillen, vind ik het ook goed om de rest van mijn leven aardappelen te schillen. Maar dan moet het wel goed gebeuren.»

De hoeveelheid te schillen aardappels is sinds enige tijd aanzienlijk geslonken. Jarenlang bestierde ze, samen met de man met wie ze op haar 34ste trouwde, een huishouden met véél kinderen. Tot november vorig jaar woonden ze in Bergen, in het vroegere huis van haar oom, de kunstschilder Jaap Min. Haar eigen vader was elektromonteur. Hij overleed tien jaar geleden, op 91-jarige leeftijd, haar moeder is 82. Moge uit Mins gedichten een beeld opdoemen van sombere jeugdjaren, afgaande op wat ze over haar ouders vertelt kunnen die niet aan hen worden geweten. Het gezin telde zes kinderen die allemaal op hun eigen wijze lastig waren.

«Ik had heel aardige ouders, die probeerden hun kinderen naar de eigen aard op te voeden.»

Ze begrepen dat Neeltje niet naar de mulo wilde («ik had helemaal geen zin om me in te spannen en vier jaar vast te zitten om een múlopapiertje te halen, want daar keek ik ook nog erg op neer, natuurlijk»), de kortere opleiding aan de Landbouwhuishoudschool verkoos («dan kon je goed vrouw van een boer worden») en vervolgens een week voor de finish afhaakte. «Toen ik veertien werd, was ik niet meer leerplichtig en ben ik er lekker niet meer heen gegaan.»

Rond dezelfde tijd werd haar de verlossende kracht van poëzie gewaar.

«Ik kan me niet voorstellen dat ik zo'n gruwelijke puberteit doorgekomen was zónder.»

Het eerste gedicht dat ze bewust las, was De idioot in het bad van Vasalis. Gedichten van Achterberg en Nijhoff volgden alras. «Kort daarna Leopold. En natuurlijk ook Lucebert.»

Niet echt de makkelijkste of direct aansprekende poëzie.

«Jawel. Je hoeft er niets voor te weten en je hoeft het helemaal niet te begrijpen om het mooi te vinden.»

De eerste buitenstaander die ze weleens wat liet lezen, was de dichter Chris van Geel. «Daar kwam ik af en toe met mijn zusje. Soms moest hij verschrikkelijk lachen, dan was het wel iets heel stoms. Andere keren kreeg ik een pluimpje.»

Was je trots toen je gedichten eenmaal in het ‹Handelsblad› stonden?

«Ik kan me niets herinneren. Ik denk het niet, want wat is dat nou: trots?»

Had je de neiging het aan iemand te laten zien?

«Misschien aan mijn zusje, maar dat weet ik niet meer. Ik woonde toen met haar in Amsterdam. Het zou best kunnen, maar ik kan me er niets van herinneren.»

Hoe komt het dat je je zo weinig herinnert?

«Er waren andere dingen veel belangrijker. Ik kwam vanuit de provincie in Amsterdam terecht, op kamers. Dan valt er wel wat meer te ontdekken. Zeker in die jaren. Overdag werkte ik en ’s avonds ging ik naar het café.»

Ze had een oppasbaan bij een professorenstel. In hun kielzog vertoefde ze enige maanden in Cambridge, waar ze de vele vrije tijd én een grote kamer benutte om gedichten te schrijven. Tegen de tijd dat haar bundel uitkwam, woonde ze weer in Bergen. «Ik was m'n kamer kwijt, en m'n baan, alles eigenlijk. Tja, hoe zat dat toch ook allemaal weer in elkaar? Ik ben weer bij mijn ouders gaan wonen.»

Wilde je je ontdekkingstocht in Amsterdam niet doorzetten?

«Ik was niet zo'n echte avonturier, dat moet je nu ook weer niet denken.»

Nadat een eerder contact met Hans Andreus, destijds redacteur bij uitgeverij Holland, op niets uitliep («Ik moest er van alles uithalen en veranderen, tot ik zei: ík heb niet verzonnen dat er een bundel moest komen, doe het dan maar niet»), kwam ze via vrienden in contact met uitgever Bert Bakker.

«Hij zei: geef maar mee die gedichten, ik wil ze wel lezen. Vervolgens kon ik een niet-terugvorderbaar voorschot krijgen van 250 gulden, of vijfhonderd zelfs. Dat was aanlokkelijk veel geld. Ik had een kind, en leefde een beetje op de pof. Ik kon meteen mijn schulden afbetalen.»

Daarna ging het heel snel met de roem van Neeltje Maria Min. Volgens de nuchtere betrokkene allemaal op het conto van zakenman Bert Bakker te schrijven. «Hij haalde die dichtregel eruit als titel. Daar had hij wel verstand van. Denk maar niet dat het anders zo zou zijn gelopen, hoor.»

Denk je dat echt, door die titel?

«Natuurlijk. Dat maakt een heleboel uit. Als ik een andere naam had gehad, als ik gewoon Willy de Jong had geheten of zo, en dat bundeltje heette Sprietengras of weet ik wat, dan was het anders gelopen. Bert Bakker wist wat wel en niet kans had. De naam, de titel en het verhaal maakten het succes. De gedichten komen pas op de allerlaatste plaats.»

Van die tijd herinnert Min zich voornamelijk dat het druk was. «Mijn ouders hadden geen telefoon. Er werd heel veel bij de buren gebeld.»

Genoot je van je succes?

«Ik kan het me niet herinneren. Een beetje zal toch wel, hoop ik. Na enige tijd hield ik op met die interviews, omdat toch overal hetzelfde in stond. Ik had zelf natuurlijk ook niks anders te vertellen dan zó'n (geeft met duim en wijsvinger een minieme afstand aan) klein verhaaltje.»

Was het daarna moeilijk om weer aan het schrijven te komen?

«Een beetje wel. Die ophef, herkend worden, dat is echt vreselijk hoor. Het zijn altijd vervelende mensen die dan wat van je moeten. Die tijd is nu zo ver van me af. Het is ook net alsof het mijn naam niet is. Meer een merk dan een naam. Ik kreeg meer kinderen, en had het daar gewoon druk mee. En dacht dat dat het was.»

In 1985 verscheen haar tweede bundel: Een vrouw bezoeken. Voor- en achterflap worden gesierd door de foto die Philip Mechanicus van haar maakte. Dezelfde afwachtende blik als waarmee ze me nu aankijkt, meisjesachtig lang haar. Ze was 41.

Vond je het eng om met een nieuwe bundel te komen?

«Je kunt dat allemaal wel gaan denken, maar je kunt er niet bij stil blijven staan. Zo'n soort gedachte is alleen maar cerebraal. Je voelt er verder ook niets bij, want je moet gewoon weer de afwas doen en naar school komen om te praten over je vreselijke kinderen. Dat gaat allemaal door en dat is de werkelijkheid.»

Heb je niet het idee dat jouw poëzie je ware zelf is?

«Dat is het natuurlijk ook. Het is een afspiegeling van wat je op dat moment bent. Of een behoefte je op een bepaalde manier te presenteren. Maar de begingedichten uit de tweede bundel dateren al van vóór mijn debuut. Die konden er toen niet meer bij. Zo lang hebben die in de la gelegen.»

Zoals te verwachten viel, beoordeelden critici de tweede bundel in het licht van het succes van de eerste, en kon het dus alleen maar tegenvallen. Hans Warren: «De volwassen Min is veel minder interessant dan de juveniele Min. De vliegende start lijkt het enige belangrijke onderdeel van haar literaire loopbaan te blijven.» Jaap Goedegebuure noemde Min «een heksje» en haar gedichten «de vreemdste knittelverzen sinds De Schoolmeester». In De Groene schreef Maaike Meijer dat het succes van Min waarschijnlijk samenhing met het feit dat zij «een aantal kanten van het vrouwenleven toonde die in de jaren zestig op de rand van het kollektieve (vrouwen)bewustzijn lagen». Drie jaar later, in haar proefschrift, had Meijer het aantal kanten teruggebracht tot één. Mins gedichten zouden gaan over incest, of, zoals het in het toenmalige feministische idioom heette: dochterverkrachting.

«Eerst meende ik dat ik er helemaal geen last van hoefde te hebben. Tot het gerucht Bergen aandeed en het mijn vader ter ore kwam. Hij was toen al een ouwe man, kwam in heel Noord-Holland altijd overal, kende iedereen en nu dacht hij: ik kan me nergens meer vertonen, want dan gaan ze allemaal denken: ouwe viezerd. Mijn moeder redeneerde aanvankelijk net als ik: als het niet waar is, hoef je er ook geen last van te hebben. Maar mijn vader kon er niet meer van slapen. Zelf merkte ik dat ik veel minder werd gevraagd voor voorleesavondjes. De enkele keer dat ik ergens was, kwam in de signeerpauze een meneer likkebaardend naar me toe. ‹Is dit het incestboek?› Gruwelijk. Of ik zat in een programma waarvan de presentator leuk wilde wezen en het nog even in zijn praatje vermeldde.»

Meijer schrijft in haar boek dat ze de poëzie van Min een dienst bewijst door een duistere oorsprong te onthullen, in plaats van genoegen te nemen met de kwalificaties «eenvoudig» en «expliciet» die de gevestigde critici op haar werk plakten. In een voetnoot vermeldt ze dat het haar gaat om het ervaringsverhaal dat in Mins poëzie leesbaar is, en níet om Mins persoonlijke biografie: «Ik hoop dan ook dat geen enkele journalist het in zijn hersens zal halen deze interpretatie bij Min te gaan ‹verifiëren›.»

Wel blijkt Meijer zelf een poging te hebben ondernomen het een en ander te verifiëren. «Toen ze bezig was met haar boek, stuurde ze me een brief om te vragen of ik ervaring had met incest. Eerst dacht ik: ja, die vieze oom van mij aan wie we allemaal zo'n hekel hadden. Maar omdat mijn ouders altijd hadden gezegd: ‹Kom niet te dicht bij›, heb ik nooit last gehad. Dus ik dacht: ik heb het niet, maar meteen dacht ik ook: wat heeft zij daar eigenlijk mee nodig? Had ik het nu maar kéurig aangepakt! Nu dacht zij blijkbaar: ze antwoordt niet, dus zal het wel zo zijn. Ze schrijft wel in haar boek dat het niet echt zo hoeft te zijn, maar daarmee dekt ze zich alleen maar in.»

In Opzij besloot Min haar weerwoord te laten horen. «Dan bereik je een bepaald soort vrouwen dat dat soort dingen graag leest.» Meijer belde op om haar excuses te maken. «Ik zei: ik heb niks aan jouw excuses, ga jij mijn ouders maar excuses maken.» Smadelijk lachend vertelt ze dat haar ouders een brief ontvingen waaraan geen touw was vast te knopen. «Mijn moeder heeft die brief meteen in de prullenmand gegooid. ‹Al die rare woorden›, zei ze. ‹Ik begrijp er niets van.›» Daarna besloot Min er het zwijgen toe te doen. «Als ik haar nog eens tegen kom, kan ze een mep krijgen, die heeft ze nog te goed. Al die andere dingen helpen niet.»

Ik wijs haar op een gedicht in haar derde bundel, Kindsbeen (1996). «Als zij haar spitsneus heeft geslepen,/ haar oren scherp getrokken heeft,/ maak dan van wat niet waar is werk./ Beschrijf hoe iemand iets,/ hoe toen een ander dat en dat…/ En huil er ook een beetje bij./ Juf gretigheid zijgt in de kuil/ van ieder ongehoord geheim./ Zij puil oogt, zwijmelt, draait zich om/ en neuriet: zwijgplicht, erewoord!»
«Nee, dat gedicht gaat niet over haar. Maar het zou heel goed kunnen.»

Kindsbeen kwam uit bij een andere uitgeverij. Met Bert Bakker junior had ze niet zo veel op. Van Oorschot liet de gedichten een zomerlang liggen, en besloot het toen niet te doen. Min liet de boel weer voor enige jaren in een la verdwijnen («Ik heb helemaal geen haast»), tot iemand van De Bezige Bij belangstellend informeerde. Ze werd in contact gebracht met toenmalig redacteur, tevens dichter Erik Menkveld, hetgeen op een vruchtbare samenwerking uitliep. «Hij heeft eruit gehaald wat er niet in moest en zelfs een gedicht heel drastisch ingekort. Hij had helemaal gelijk.»

De gedichten in Kindsbeen werden geprezen om hun heldere gekkigheden, waardoor ze geheimzinnig en «apekool» tegelijkertijd zijn. Het eerdere werk van Min werd met terugwerkende kracht geherwaardeerd.

«Ik moet zeggen: het is leuk om goed ontvangen te worden.» Een nieuwe bundel zal desondanks nog even op zich laten wachten. «Ik heb vaak wel zin, maar doe het dan toch niet. Het is heel prettig om te denken dat je aan je bureau kunt gaan zitten, of aan de waterkant of weet ik waar, met een vodje papier, en dat je dan de woorden op een plaats gaat jagen. De gedachte dat je dat elk moment kunt doen, is vaak al voldoende.»