Shockerende schaalmodelkunst

Wat is de wereld toch klein

Laat het maar aan kunstenaars over om van de nostalgische utopie van het schaalmodel iets bizars te maken. MärklinWorld in kunsthal KAdE in Amersfoort is boven alles leuk.

HET IS WELLICHT een vreemde of een wat triviale kwalificatie voor moderne kunst, maar de tentoonstelling MärklinWorld in kunsthal KAdE in Amersfoort is boven alles leuk. Op de begane grond ligt een spoor waar een miniatuurtrein overheen rijdt, zo eentje die je vader vroeger op zolder had staan en waar hij eigenlijk te zuinig op was om je ermee te laten spelen, alleen is deze trein aan de voor- en zijkanten behangen met camera’s, waarvan opnamen op een muur worden geprojecteerd.
Gewoonlijk rijdt de trein door de nostalgische, pittoreske Alpenlandschappen die je meestal met modelspoorbanen associeert, hier gaat het zestig meter lange parcours door installaties van acht kunstenaars uit binnen- en buitenland. In het werk van het Amerikaanse duo The Chadwicks rijdt de trein een Zeeuws landschap in. Molens, boerderijen, de velden staan blank, boeren waden tot hun middel door het water. Tegen de dijken beuken hoge (papieren) Delfts blauwe golven - vervolgens rijdt hij door de geschilderde horizon heen, door een muurtje, en komt de trein in wat een zeventiende-eeuwse kroeg lijkt, waar twee mannen laveloos op de grond tussen het stro liggen. Servies, bierpullen en oesters zijn op de vloer gevallen. Een van de mannen heeft een vat drank omgestoten, dat leegloopt door een gat in de muur, rechtstreeks het Zeeuwse landschap in. Dáár komt de watersnood vandaan.
Het is een grap met een hoog Efteling-gehalte, volgens mij rechtstreeks geleend uit Carnival Festival. Eenzelfde soort pretparktruc haalt het Tsjechische duo Gerda Steiner en Jörg Lenzlinger uit: de trein rijdt een bos in, recht op de opengesperde bek van een (speelgoed)krokodil af, om op het laatste moment voorlangs af te slaan. Het landschap van Steiner en Lenzlinger is het meest uitbundige: de trein baant zich een weg door een bos (takken) dat is opgetut met kerst- en paasversiering, tuinkabouters, plastic bloemen in kinderkamerkleuren, mid-coïtale kikkers en kikkers die versmolten zijn met mobiele telefoons, voor hij door een grote plas olie rijdt en dinosaurusskeletten passeert.
Het is leuk door het nostalgische tsjoek-tsjoek-geluid van de trein, het is leuk doordat zoveel kunstenaars hun fantasie de vrije loop hebben gelaten. Het is leuk want de camera’s op de trein werken briljant: je kunt je verplaatsen naar wat de passagiers in de trein zouden zien, je ziet de kunstwerken vanuit een nieuw perspectief en je ziet de bezoekers boven de schaalwerelden uittorenen, als Titanen, als Goden - al vergeten veel bezoekers de aanwezigheid van de camera’s en zit je geregeld tegen konten van moeders aan te kijken die over de kunstwerken staan gebogen, naar neuspeuterende kinderen, en naar jezelf met open mond (de beelden worden met een kleine vertraging geprojecteerd).
Hebben The Chadwicks ook echt iets te zeggen over het Nederlandse landschap? Waarschuwen Steiner en Lenzlinger ons voor een postapocalyptische toxicologische nachtmerrie? Met parende kikkers? Sfeervol is het werk van de Nederlander Rob Voerman. De trein rijdt een donkere, kartonnen stad in. De flatgebouwen zijn zwartgeblakerd, maar er zijn lichtbruine gebouwen tegen geplaatst, in organische vormen, alsof een nieuwe levensvorm opbloeit. Slim is Krijn de Koning, ook Nederlander. Als je voor zijn werk staat zie je enkel een speelgoedstad gemaakt van vrolijk gekleurde blokken, her en der een poppetje en een speelgoedfornuis. Pas als je de beelden ziet vanuit de trein zie je dat de blokken nét niet echt huizen zijn en dat de mensen hun best doen, maar er niet echt thuishoren. Ze zijn verloren in de vrolijkheid. Opeens krijgt het speelgoed iets wrangs.
Wie wil er niet voor God spelen? Want daar komt toch de aantrekkingskracht van modelwerelden vandaan. Je kunt je wereld inrichten zoals je het zelf wilt, tot in de kleinste details. De zucht naar de idylle. Alleen de trein beweegt, de rest van de wereld is bevroren in de tijd. Het gras van de modelletjes is zo ontzettend groen. De passagiers in de Märklintreintjes zien er zo gezond en harmonieus uit. Dat geldt vast ook voor de duizenden volwassen mannen die naar de jaarlijkse beurs voor modeltreintjes in Utrecht komen. Het geldt voor de jongens en meisjes die eversellers als Civilization of Age of Empires spelen op hun computer, waarin je hele wereldrijken kunt volbouwen zoals jij dat wil.

‘THERE IS a strange omnipotence in standing over a model’, schrijft de Brits-Italiaanse uitgever en kunstcriticus Marc Valli in Microworlds, een onlangs verschenen door hem samengesteld fotoboek waarin werelden op schaalmodel van een stuk of twintig internationale kunstenaars te zien zijn. En zoals je van kunstenaars mag verwachten, trekken zij de utopie van het schaalmodel naar iets anders toe. Het beste voorbeeld is Fucking Hell, misschien wel het meest indrukwekkende recente, moderne kunstwerk dat ik ooit in het echt heb gezien, van de Britse broers Jake en Dinos Chapman uit 2004. Het staat in Punta della Dogana, een van de musea in Venetië waar de Franse multimiljardair François Pinault zijn kunstverzameling uitstalt, uitkijkend op de San Giorgio Maggiore kerk, beroemd van zo ongeveer elke ansichtkaart uit de Dogenstad.
Fucking Hell bestaat uit negen vitrines met tienduizenden miniatuurfiguurtjes verwikkeld in een soort Derde Rijk-Götterdämmerung. De landschappen zijn abattoirs. Elk verzet is gebroken, de mensen worden van alle kanten aangevallen, onthoofd, gevierendeeld, verkracht, doorkliefd, gekruisigd - een Vlad de Spietser-achtige geweldsorgie uitgevoerd door skeletfiguurtjes met nazihelmen op. Waar deze skeletten niet te druk zijn met folteren en massamoorden, spelen ze jeu de boules met afgehakte hoofden, luisteren vredig in de kerk naar orgelmuziek, of doen racewedstrijdjes op schildpadden. Het is overweldigend (uitputtend) gedetailleerd, geen ruimte blijft onbenut. Boven op een berg staat een breed lachende, gekruisigde sneeuwpop. Op een tropisch eilandje zit Stephen Hawking, omringd door beachvolleyballende bikini-babes; ergens verscholen hebben de Chapman-broers ook Hitler zelf geplaatst, niet als Führer van een duizendjarig rijk, maar als kunstschilder achter een ezeltje. Op zijn doek is niet de slachting te zien, maar een aquarel van een vriendelijk, Beiers stilleven.
In de drie kwartier dat ik tussen de vitrines stond, mijn neus tegen het glas, miste het kunstwerk op geen van de bezoekers zijn uitwerking. Steevast viel de mond open of werd er een uitgerekte kreet geslaakt: 'Oh… my… god!’ In één geval, het zou de Chapman-broers goed hebben gedaan, sloeg een man zijn hand voor zijn mond en stamelde letterlijk 'Fuck-ing hell’.
Waarom is het werk zo shockerend? De combinatie van het gruwelijke met het grappige is niet iets nieuws, zeker niet voor de bezoeker van Punta della Dogana die inmiddels wel iets gewend is. In de route naar Fucking Hell (in eerste instantie heette het Hell, uit 2000; nadat het in 2004 was afgebrand en het weer opgebouwd moest worden voegden de Chapman-broers het adjectief toe) heeft hij/zij al genoeg werken over oorlog, genocide, aids en seks gezien. Wat het werk zo shockerend maakt is juist de miniatuurvorm. Om de door de wol geverfde, cynische kunstbezoeker aan het schrikken te krijgen, zul je eerst een gevoel van onschuld moeten creëren; iedereen die wel eens met miniatuurtreintjes of speelgoedsoldaatjes heeft gespeeld herkent ogenblikkelijk die vredige, kinderlijke deugd. Vanuit die onschuld zie je vervolgens, zodra je dichterbij komt, voor welke perversiteit de miniatuurtjes zijn ingezet, en komt de schrik.

FUCKING HELL is het meest extreme exemplaar in Microworlds, maar opvallend veel kunstenaars zoeken het shockeffect van de miniatuur. Redelijk hilarisch zijn de Alpenlandschappen van de Canadees Jonah Samson; alleen laat Samson in de bergen zijn padvinders langs flashende vrouwen lopen, of langs een kampeerbusje waar een vrouw net hardhandig wordt genomen door een man. Bijtend ook is Smiles and Shots van de Siciliaanse Adalberto Abbate, waarin een jeep naast de weg geparkeerd staat en een man in zondagskostuum over een wit, houten hekje buigt en met een karabijn een groepje spelende kinderen onder vuur neemt; of Miracle in the Park, waarin een groepje parkbezoekers toekijkt hoe een Maria-beeld bloedtranen huilt.
Je mist die harde grappen een beetje in Amersfoort. De kunstenaars werken misschien minder mediumbewust, meer vanuit hun eigen fantasie. Toch zie je hoezeer de modelwerelden urgentie krijgen als ze de vrolijke willekeur ontstijgen en de link met de werkelijkheid steviger wordt aangehaald. Enger (want: echter) is het uitgestorven landschap van de Rus Leonid Tsvetkov. De trein passeert gebouwen gemaakt van uitgebrande computeronderdelen (wat zijn dat toch heerlijke voorwerpen voor kunstenaars, als metafoor, als materiaal dat er van nature uitziet als metropool). Van bovenaf zie je een landschap dat is opgedeeld in rechte vakken, zoals je ziet als je boven Schiphol cirkelt. De kavels zijn in schimmelachtig groen en wit beslagen. Als de Apocalyps achter de Nederlandse dijken zou toeslaan, zou het er zo uitzien.


MärklinWorld is tot 8 januari te zien in KAdE, Smallepad 3, Amersfoort.
Marc Valli, Margherita Dessanay, Microworlds, Laurence King Publishing, 144 blz., € 24,95