Romans die onze blik veranderden - Willem Frederik Hermans De donkere kamer van Damokles

Wat is een held?

Dat goed of fout in de oorlog niet zo eenduidig was als na de bevrijding werd gedacht, liet Willem Frederik Hermans zien in zijn adembenemende roman over Henri Osewoudt. In hoeverre is hij verantwoordelijk voor zijn daden tijdens de oorlog?

Medium hh 2649959

Als drie jaar geleden tijdens de campagne van Nederland Leest De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans centraal staat, is het gratis te verkrijgen exemplaar van het boek onderdeel van de 47ste druk met een oplage van negenhonderdduizend exemplaren. Dat had Hermans in november 1958 bij het verschijnen van een eerste oplage van tweeduizend exemplaren DDKD, zoals het boek wel wordt afgekort, niet voorzien. Integendeel zelfs.

‘Ik had zelf ook geen vertrouwen in het boek’, schrijft Hermans in 1988 aan W.H.M. Smulders, de auteur van de studie De literaire misleiding in De donkere kamer van Damokles. ‘De belangstelling in die tijd was toch al klein’, verklaart Hermans zijn gebrek aan vertrouwen. ‘Zo herinner ik me nog hoe gedeprimeerd ik raakte toen ik voorjaar 1957 een hele stapel Ik heb altijd gelijk bij een tweehandsboekwinkel in Utrecht zag liggen…’

Hermans’ eerdere boeken verkochten niet echt goed. ‘Wel stond de publicatie van die boeken’, aldus Hermans-biograaf Willem Otterspeer in Dorbeck, waar ben je? (2012), ‘steeds garant voor een hoeveelheid herrie en schandaal die nieuw waren voor Nederland’. Otterspeer vat in dat biografische essay over De donkere kamer van Damokles ook kernachtig samen welke rol de schrijver volgens hem heeft gespeeld in de Nederlandse literaire wereld: ‘De hartstocht waarmee Hermans na de oorlog de literatuur binnenstormde, de woede waarmee hij zijn romans op papier wierp, de polemiek waarmee hij zich een plaats hakte, het was in Nederland nooit eerder vertoond en het zou ook niet meer voorkomen.’

Willem Frederik Hermans, geboren in Amsterdam in 1921, was al begin jaren vijftig begonnen aan de oorlogsroman De donkere kamer van Damokles. Dat bleek onder meer toen begin deze eeuw een manuscript ervan op de veiling kwam met aan het eind de woorden ‘voorjaar 1952’. Dat had nog als titel Een overgevoelige natuur. Aan zijn uitgever Geert van Oorschot had Hermans overigens in de jaren daarna eens geschreven dat hij het manuscript in de vuilnisbak had gegooid en hem gevraagd het contract voor dat boek te vernietigen.

De beginzinnen van dat manuscript luiden: ‘Wanneer de mensen niet bang waren, zouden zij nooit willen doen alsof zij anderen kenden. Zij zouden alleen oordelen over feiten en daden, niet over karakters.’ Volgens Otterspeer is dat ‘geen openingszin, het is een kreun, een confessie, een wereldbeeld’. In de uiteindelijke versie van de roman is die beginkreun er niet meer. De openingszinnen luiden dan: ‘Dagenlang zwierf hij rond op zijn vlot, zonder drinken. Hij stierf van dorst want het water van de oceaan was zout.’

Maar het wereldbeeld van Hermans is gebleven. Otterspeer vat het zo samen: ‘De onkenbaarheid van de werkelijkheid en haar chaos, dat was het thema van DDKD.’ Hermans zelf laat zijn wereldbeeld doorklinken in de woorden van een verzetsman in het boek: ‘Wat is een held? Iemand die straffeloos onvoorzichtig is geweest.’

Voor het naoorlogse Nederland dat sterk dacht in goed of fout, in zwart of wit zonder grijstinten daar tussenin, was dat wereldbeeld een schok. Mensen die in het verzet hadden gezeten waren immers helden. Als ze al fouten maakten, kwam dat hoogstens door onhandigheid en geklungel, zoals in Simons Vestdijks eerder verschenen Pastorale ’43, het morele gelijk hadden ze aan hun kant.

Dat denken in goed of fout had na de bevrijding, zoals Ewoud Kieft schrijft in zijn boek Oorlogsmythen, Willem Frederik Hermans en de Tweede Wereldoorlog, welhaast religieuze trekken. ‘De oorlog werd achteraf tot een metafysische strijd tussen God en Duivel gemaakt…’ Hermans trok daartegen ten strijde. In zijn ogen was het nazisme ten onder gegaan ‘aan de lafheid, luiheid, corruptie en onbekwaamheid van de leiders en de domheid van de meelopers. Allemaal omstandigheden die niets met de moraal, de cultuurfilosofie, de essayistiek, Nietzsche of wat dan ook te maken hebben…’ Oftewel, het was niet God die de Duivel had verslagen, niet het goede dat het kwade had overwonnen. Dat was even slikken. Toen zeker, maar ook nu nog.

Hoofdpersoon in De donkere kamer van Damokles is sigarenhandelaar Henri Osewoudt. ‘Die rare Henri Osewoudt’, schrijft Claudia de Breij in 2012 in haar Lofrede als het boek dat jaar het middelpunt is van Nederland Leest. ‘Die lelijke, te kleine jongen met zijn te hoge stem en wonderbaarlijk gebrek aan baardgroei.’ Op de eerste dag van de oorlog komt een Nederlandse officier, Dorbeck, Osewoudts winkel binnenlopen en vraagt hem een fotorolletje te ontwikkelen. Het is het begin van: ‘Verzetsdaden. Liquidaties. Persoonsverwisselingen.’ Dorbeck lijkt als twee druppels water op Osewoudt, maar is ook in alles zijn tegenbeeld. Of eigenlijk: dat wat Osewoudt wel zou willen zijn.

Hermans putte voor het verhaal over Osewoudt en Dorbeck uit de Parlementaire Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945. Hij noemt deze enquête ‘een onuitputtelijke bron van opwinding’. In een interview in Vrij Nederland heeft hij het over ‘al die tegenstrijdige verhoren waar totaal niets mee gedaan wordt’. En trekt daaruit zijn conclusie: ‘Zo zie je dat als je over een heel klein feit zo uitvoerig mogelijke verklaringen bezit, je er absoluut geen enkele conclusie op kunt baseren.’

Hermans was vooral gefascineerd door de verhoren van Antonius van der Waals. ‘Zo ben ik op het idee van de mysterieuze Dorbeck-figuur, in wiens opdracht de hoofdpersoon Osewoudt zou hebben gewerkt, gekomen door de verrader Van der Waals’, zegt hij begin jaren zestig in een interview. Die Van der Waals probeert aan zijn veroordeling als verrader te ontkomen door een opdrachtgever te verzinnen voor al zijn foute daden tijdens de oorlog. Hij wordt niet geloofd en ter dood veroordeeld. Vlak voor zijn executie bekent Van der Waals dat die opdrachtgever nooit heeft bestaan.

De morele vraag die deze echte casus oproept is: zouden precies dezelfde daden van Van der Waals heldendaden zijn geweest als hij er wél opdracht toe had gekregen? Dat is wat Hermans intrigeert. Daar wil hij de lezers van De donkere kamer mee confronteren, en verontrusten. Vandaar ook die woorden in de beginkreun van het eerste manuscript over ‘alleen oordelen over feiten en daden’.

Van de romanfiguur Dorbeck zullen we nooit weten of hij bestond dan wel was verzonnen door Osewoudt om zijn daden tijdens de oorlog goed te praten. Literatuurpluizers hebben elkaar daarover jarenlang in de haren gevlogen. Maar voor Hermans was die vraag niet belangrijk. Het zou in de roman maar hebben geleid tot zijpaden, zegt hij later in een interview tegen H.U. Jessurun d’Oliviera. Het gaat hem om de vraag in hoeverre Osewoudt verantwoordelijk is voor zijn eigen daden. Ook wil Hermans laten zien dat mensen uit Osewoudts omgeving er zelf steeds belang bij hebben hem tijdens zijn proces na de oorlog niet te geloven, ofwel omdat ze te kwader trouw zijn, uit domheid of vanuit een eigen wereld- of levensbeschouwing.

In 1954, vier jaar voor het verschijnen van het uiteindelijke boek, meldt Hermans de uiteindelijke titel aan zijn uitgever, De donkere kamer van Damocles, dan nog met een c. Hij geeft Van Oorschot ook een korte samenvatting van het boek en verklaart daarin tegelijkertijd de titel. ‘Bij zijn (Osewoudts – avr) spionagebezigheden speelt de fotografie een grote rol. Vandaar de titel. Telkens als hij in zijn donkere kamer een foto ontwikkelt, blijkt er niet te voorschijn te komen wat hij had gedacht. Door het ontwikkelen van foto’s ontdekt hij de meest schokkende geheimen. De donkere kamer betreedt hij ten slotte alleen met angst; zij hangt als een zwaard van Damocles boven zijn hoofd.’

Tot Hermans’ eigen verbazing wordt De donkere kamer goed ontvangen. Twee maanden na het verschijnen van het boek schrijft hij aan de Antwerpse dichter Gust Gils: ‘Je hebt misschien gehoord dat het boek succes heeft. Er is nog geen enkele afwijzende kritiek verschenen.’ In de recensies duiken woorden op als ‘adembenemend’, ‘meeslepend’, ‘grandioos’ en ‘aangrijpend’. Aan de onlangs overleden schrijver en dichter Sybren Polet schrijft Hermans in diezelfde eerste maand van 1959 dat hij de gunstige recensies een beklemmende gewaarwording vindt: ‘De bijval die “Damokles” ondervindt blijft mij verbazen en verontrusten.’

Die verbazing en verontrusting komen mede doordat zelfs de Idil van dat moment over dit boek schrijft dat daarin sprake is van ‘brandende deernis voor de medemens’. Idil is de Informatie Dienst Inzake Lectuur van de katholieke kerk die boeken cijfers geeft van I tot en met V, waarbij de I staat voor Verboden. De deernis voor de medemens in het boek komt van de persoon pater Beer, die zich op zijn knieën laat vallen en zijn armen om Osewoudt heen slaat als deze uiteindelijk wordt neergeschoten: ‘Osewoudt, Osewoudt!, riep hij, zeg me wat ik voor je kan doen.’

De reactie van Idil is opmerkelijk omdat begin jaren vijftig Hermans nog de woede van de katholieken op de hals had gehaald door een passage in Ik heb altijd gelijk: ‘De katholieken! Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk. Maar die naaien erop los. Als konijnen, ratten, vlooien, luizen. Die emigreren niet. Die blijven wel zitten in Brabant en Limburg met puisten op hun wangen en rotte kiezen van het ouwels vreten.’ Die passage leidde tot een rechtszaak, politiek rumoer en veel publiciteit. Zou vandaag zo over moslims worden geschreven, dan zouden de reacties eender zijn. Hermans’ boek verkocht er destijds overigens niet beter door.

Dat De donkere kamer van Damokles wel goed verkocht, was omdat het, zoals Claudia de Breij in 2012 schrijft, ‘op het eerste gezicht een spannende thriller is waarin, zo zou de tv-commercial ronken als het boek vandaag voor het eerst uitkwam, “niemand te vertrouwen is en niets is wat het lijkt”’.

Maar er is direct na verschijnen ook kritiek. Uiteraard, zou je nu zeggen, op het punt waardoor het boek meer is geworden dan een thriller en juist invloed heeft gehad op de manier van denken over goed of fout in de oorlog. De communist Jef Last schrijft in mei 1959 in De Nieuwe Stem dat hij er moeite mee heeft dat het verzet door Hermans wordt neergezet als ‘uitsluitend bestaande uit laffe, zinloze moorden, een verzet (…) waarin van het hardnekkige, systematische werk om slachtoffers aan bonkaarten en persoonsbewijzen te helpen, van de opofferingen en stille heldenmoed waarmee jarenlang onderduikers gehuisvest en verpleegd werden nauwelijks sprake was’. Volgens Last heeft Hermans daarmee een wapen klaargelegd ‘voor alle ex-nazi’s, voor alle lammelingen die het verzet wrok toedragen omdat ze er te beroerd voor waren’.

Hermans reageert. Uiteraard. Hij haat politieke correctheid. ‘Personen die kwaad worden over de manier waarop ik verzet en verzetsdaden bekijk, zijn te vergelijken met literatuurminnaars die zeggen dat psychologen de literatuur kapotmaken omdat ze beweren dat schrijvers oraal gefixeerd zijn…’ Jef Last zou volgens hem een aanwinst voor Idil zijn. Het is een manier van polemiek bedrijven, over en weer, waar we niet meer van opkijken.

‘De oorlog werd achteraf tot een metafysische strijd tussen God en Duivel gemaakt…’


Romans die onze blik veranderden

Zoals we vorige zomer een serie maakten over ‘de boeken die ons denken veranderden’, zo gaan we nu op zoek naar de romans die niet alleen samenvallen met de tijdgeest waarin ze geschreven werden, maar die tijdgeest ook vormgaven. Liet Salman Rushdie’s De duivelsverzen ons anders over de islam denken? In hoeverre is Turks fruit van Jan Wolkers de bril geworden waarmee we naar de vrije jaren zestig van Amsterdam kijken?


Beeld: Willem Frederik Hermans, 1964. “De bijval die "Damokles ondervindt blijft mij verbazen en verontrusten’. Foto Ed van der Elsken / Nederlands Fotomuseum