Wat is een hond eigenlijk?

José de Kruif, Marijke Meijer Drees, Jeroen Salman (red.)
Het lange leven van het pamflet: Boekhistorische, iconografische, literaire en politieke aspecten van pamfletten 1600-1900. Verloren, 235 blz., e 19,-

Opeens waren ze er weer: pamfletten. Vooral na Geert Maks Gedoemd tot kwetsbaarheid voelen steeds meer auteurs zich geroepen in een niet al te dik geschrift stelling te nemen tegen bepaalde politieke of maatschappelijke ontwikkelingen. In dit tijdperk van televisie en internet, waarin alles snel en kort moet, lijkt het pamflet een anachronisme, maar toch is er blijkbaar een lezersmarkt voor.

Maar wat is een pamflet eigenlijk? Volgens George Orwell was het antwoord hierop even moeilijk te geven als op de vraag wat een hond is. Wanneer we een hond zien herkennen we hem, maar probeer er maar eens een definitie van te geven.

In Het lange leven van het pamflet wordt dit fenomeen vanuit verschillende invalshoeken bestudeerd. Vanuit boekhistorisch perspectief is een aantal artikelen gewijd aan de categorisering, verspreiding en de toeschrijving van de dikwijls anonieme pamfletten, terwijl kunsthistorici zich buigen over de iconografie van vooral zestiende- en zeventiende-eeuwse pamfletten.

Op de inhoud van de pamfletten wordt vooral ingegaan door neerlandici en historici. Interessant is bijvoorbeeld het artikel over de in de zeventiende eeuw veelgebruikte metafoor van de bril als middel om de tegenstander te betichten van verdraaiing van de waarheid. Tussen 1600 en 1750 verschenen niet minder dan vijftig pamfletten waarin deze brilmetaforiek een rol speelde.

Zo verscheen in 1613 een pamflet met kritiek op de onverdraagzaamheid van bepaalde contraremonstranten. Dit geschrift had als titel Cristalijnen Bril, Tot versterckinge van ’t schemerend ghesicht der Eenvoudighen die in de Huyden-daegsche verschillen der Religie met onverstand yveren […].

De repliek liet niet lang op zich wachten, en was getiteld: Polyst-steen Tot weghneminghe van de vuyle vlecken des Christalijnen Brils […].

Opvallend is eveneens de constatering dat de opkomst van de kranten in de negentiende eeuw geenszins het einde van het pamflet betekende. Uit onderzoek dat recentelijk is gedaan, blijkt immers dat er juist sprake is van een zekere dynamiek tussen pamflet en krant, wat leidde tot een hausse aan pamfletten en brochures.

Jammer genoeg citeren de auteurs niet Carel Vosmaer, die in 1864 klaagde over de immense hoeveelheid pamfletten die op zijn bureau belandden. Nadat hij eerst een uitputtende opsomming had gegeven van de titels, soms over in onze ogen onbetekenende kwesties, verzuchtte hij: ‘Claudite jam rivos pueri, sat prata biberunt, ’t welck overgeset sijnde betekent: Jongens, doet de duiker dicht, ’t land dient niet verzopen.’