Philip Roth: seks en identiteit

Wat is een jood?

Er zit veel woede in Roth’s werk. En seks. Dat zijn pogingen een identiteit te vinden.

Portnoy’s Complaint, € 13,95
Portnoy’s klacht, € 12,50
The Counterlife, € 13,50
Het contraleven, € 17,50

Het lijkt zo’n overzichtelijk boek. Vijf delen, behulpzaam duidelijk getiteld naar plaats en onderwerp. The Counterlife is voer voor leraren der middelbare school en literatuuronderzoekers.

In ‘Basel’ ondergaat Nathan Zuckermans broer Henry een hartoperatie. De toegewijde tandarts en huisvader had kunnen leven zonder die operatie, maar de bijwerking van de medicatie, impotentie, vindt hij onverdraaglijk. Wanhopig door het onvermogen om zijn immer gewillige assistentie Wendy na praktijkuren te neuken en geplaagd door de herinnering aan een stormachtige affaire met de Weense Maria heeft Henry besloten tot de operatie. Die zou risicoloos moeten zijn, maar dat pakt anders uit. Hij overleeft het niet. Nathan, ondanks de moeizame relatie met zijn broer toch door hem in vertrouwen genomen, is niet in staat tijdens de begrafenis te spreken. In plaats daarvan maakt hij notities van de intieme seksuele bekentenissen die Henry heeft gedaan.

In ‘Judea’ leeft Henry. Hij heeft zijn familie verlaten, is naar Israël vertrokken en woont in een settlement op de West Bank die wordt geleid door een rechtse militant die ‘nooit meer Auschwitz’ heeft opgevat als een programma voor extreem nationalisme.

In ‘Aloft’ vliegt Nathan terug naar Engeland, hij schrijft een brief aan zijn broer en wordt betrokken bij een poging tot kaping door Jimmy, een gestoorde fan die hij eerder in Israël ontmoette.

In ‘Gloucestershire’ is Nathan degene met het hartprobleem. Hij ondergaat de operatie om zijn Engelse vrouw Maria te kunnen beminnen en een kind bij haar te verwekken. Hij sterft. Een boze en wraakzuchtige Henry neemt als onbekende vreemdeling deel aan de herdenkingsplechtigheid en gaat na afloop naar Nathans appartement, waar hij een deel van een manuscript verdonkeremaant dat als twee druppels water lijkt op The Counterlife.

In ‘Christendom’ ten slotte, leeft Nathan. Hij is, na zijn reis door Israël, aangekomen in ­Engeland, ontmoet de familie van Maria en komt in aanraking met Brits-beschaafd anti­semitisme.

The Counterlife mag op het eerste gezicht overzichtelijk in elkaar zitten, maar is bij lezing een spiegelpaleis waarin personages, standpunten en ideeën elkaars spiegelbeeld worden. Henry’s vertrek naar een nederzetting op de West Bank, bijvoorbeeld, biedt Roth de kans om Zuckermans ‘verlichte’ opvattingen over de joodse staat te confronteren met die van de rechtse nationalist die de nederzetting leidt. Een Israëlische vriend van Nathan speelt de rol van cynische pragmaticus, Henry is de relatieve buitenstaander die verdrinkt in de veelkantigheid van de kwestie-Israël. Dat wordt haarfijn uitgespeeld in ‘Judea’, maar hoewel dat hoofdstuk een traktaat lijkt over de staat gaat het vooral over de vraag die ook de vier andere delen van The Counterlife beheerst: wat is een jood?

Nathan Zuckerman benadert die kwestie met de bijna programmatische houding die Roth zelf koestert en die in zoveel van zijn romans doorschemert. Zuckerman definieert zich nadrukkelijk als de zoon van zijn ouders, een kind van de buurt en de tijd waarin hij opgroeide, als Amerikaan en, uiteindelijk, als jood. Dat is het melting pot-_ideaal dat Roth in een latere roman, _The Plot against America, onderwerpt aan het what-if-experiment dat onderzoekt wat had kunnen gebeuren als Charles Lindberghs isolationistische ideeën wortel voor de oorlog hadden geschoten. Van die melting pot blijft niet veel over als antisemitisme onder Lindbergh salonfähig wordt en zo houdt ook de ‘wij zijn gewone Amerikanen’-fictie die Zuckerman (en Roth) voor zichzelf hebben geschapen geen stand als het om de praktijk van leven en werk gaat. In de romans van het personage Zuckerman en de schrijver Roth gaat het ondanks al die mooie assimilatie-fantasieën vooral over joden en de vraag wat zij zijn, wie zij zijn en waarom. Zuckerman en Roth hebben een fictie geschapen waarin zij tot de verzameling ‘Amerikanen’ behoren, maar zijn niet in staat om de realiteit van de deelverzameling ‘joden’ als zodanig te kunnen zien.

In The Counterlife heeft Roth van ‘de jood’ net zo’n sociologisch proefkonijn gemaakt als Shakespeare dat deed met Shylock. Hij ging daarop door in Operation Shylock, dat twee jaar na The Counterlife verscheen. Daarin komen de schrijver Philip Roth en zijn dubbelganger in Israël in conflict over de campagne die de dubbelganger lanceert om alle joden terug te brengen naar de landen waar ze vandaan kwamen. In The Counterlife probeert Roth’s geschifte fan Jimmy een dergelijke herschrijving van de geschiedenis als hij het vliegtuig wil kapen om aandacht te vragen voor zijn plan om elke vorm van herinnering aan joods lijden, en de shoah in het bijzonder, uit te bannen. Het zijn pogingen het joodse te definiëren aan de hand van wat daar niet bij zou moeten horen. De rothiaanse fictie van de Amerikaan die joods is in plaats van de joodse Amerikaan houdt geen stand als ze wordt geconfronteerd met het feit van de geschiedenis. Het is een thema dat Roth’s oeuvre beheerst en in het postmoderne spiegelpaleis van The Counterlife nauwkeurig wordt uitgewerkt.

Het scharnierpunt voor die botsende feiten en ficties, het gevecht van de joodse en de niet-joodse jood (zoals Isaac Deutscher zichzelf ooit noemde) is seks. Henry keert terug naar een extreme vorm van jodendom als hij impotent raakt en sterft wanneer hij de middle-class-joodse droom van familieleven en braaf huisvaderschap in de waagschaal stelt om zijn niet-joodse assistente te kunnen neuken. Spiegelbeeld Nathan overkomt hetzelfde in zijn streven naar een ‘normaal’ huwelijksleven met Maria. Freud heeft dan wel gezegd dat er vier om het bed staan als twee mensen de daad bedrijven, maar in het oeuvre van Roth is het een stuk drukker in de slaapkamer. De hele moeizame joods-christelijke geschiedenis verdringt zich en is getuige van de daad. Zo is het geen wonder dat impotentie een belangrijke rol speelt in The Counterlife en veel van Roth’s andere romans.

Het begint al in Portnoy’s Complaint, als Alexander Portnoy masturbeert en neukt alsof zijn leven ervan afhangt en uitgerekend in Israël net zo impotent raakt als de gebroeders Zuckerman. Is er een verbinding tussen het gekibbel en gepieker van de Zuckermans over hun identiteit en hun vermogen om de daad te bedrijven en Portnoy’s fascinatie voor het joodse van zijn opvoeding en omgeving en zijn seksuele onvermogen in de staat waar het geen uitzondering is om joods te zijn?

De seksuele drift en het vermogen gevoelens van lust te uiten zijn in Roth’s romans altijd verbonden met de kwestie van identiteit. Roth’s jood is iemand die op afkomst en geschiedenis reageert met pen en penis. Zo heeft Nathan Zuckerman volgens zijn broer de familie genaaid door haar te portretteren in Carnovsky, een boek dat erg veel lijkt op Portnoy’s Complaint en neukt Alexander Portnoy, in zijn eigen woorden, de lunch van zijn familie door te masturberen met een pond lever dat bestemd was voor het middagmaal.

De jood, het jodendom en de joodse geschiedenis zijn in Roth’s oeuvre geseksualiseerd en hoewel dat voor mij op de een of andere manier klopt als ik zijn romans lees, kan ik niets bedenken wat dat logisch maakt. Is het particulier en werkt het omdat ik het accepteer als een natuurwet in het rothiaanse universum? Of is het archetypischer en zijn de wortels van dit amalgaam van seks en joodse identiteit zo diep en duister dat er misschien geen logica in valt te ontdekken? Waarom is de jood en het joodse geseksualiseerd? Wat betekent seks dan? En waarom heeft seks in Roth’s oeuvre zo vaak te maken met schending en ontering en onmacht? Is dat ‘fifty shades of judaism’?

Roth’s romans bevatten bijna allemaal vormen van beheerste en op hol geslagen woede. Of het Alexander Portnoy is die zich zozeer tegen de joodse kleinburgerlijkheid en verstikkende liefde van zijn familie verzet dat hij zich aan hun eten vergrijpt, of zijn vele metgezellen die sletterige shiksa’s neuken omdat ze niet-joods zijn en joodse vrouwen omdat ze dat juist wel zijn. Seks is woede en wraak, vernietiging en zelf­vernietiging en wat daaraan ten grondslag ligt lijkt een ambigue identiteit, het idee ondanks alle uiterlijkheden niet als vanzelf tot de grote verzameling te behoren, maar ook niet meer in staat te zijn werkelijk op te gaan in de deelverzameling.

De woede wordt meestal samengebald in een op hol geslagen gek, alsof de Roth die krachtige en vernietigende emotie daarmee wil beperken tot het particuliere. Maar als er sprake van seks is, dan komt het onbeheerste, de monomane fascinatie en lustvolle razernij in zijn ‘gewone’ personages naar buiten in de vorm van een intimiteit die nieuwe betekenis geeft aan Bataille’s opvatting dat de daad een vorm van doden is.

In The Counterlife strijden impotentie, identiteit en het verlangen om op te gaan in het leven dat anderen leven (Christendom, Judea, Basel) om voorrang als uitingen van een veel dieper liggend ongemak. De woede in Roth’s boeken keert zich tegen de definities van het joodse, hoe ‘de ander’ dat definieert, hoe joden dat definiëren, zelfs hoe zijn personages dat definiëren als ze zich los willen maken van de bestaande definities. Het conflict is uitzichtloos en onophoudelijk en er is geen einde aan gekomen nu Roth besloten heeft dat zijn werk gedaan is. In het werk van Roth is het joodse probleem een probleem van joden geworden.