Opheffer

Wat is een leven waard?

Het gaat altijd fout wanneer een letterlijke vraag een figuurlijk, metaforisch of symbolisch antwoord krijgt.
‘Wat is een mensenleven waard?’
‘Een mensenleven is onbetaalbaar.’
‘Waarom moeten we ontwikkelingshulp geven?’
‘Dat is je verantwoordelijkheid als mens.’
‘Waarom mag ik geen kritiek hebben op Allah?’
‘Dat getuigt niet van respect.’
‘Waarom moet ik respect hebben voor een godsdienst?’
‘Omdat je mensen die geloven niet mag krenken in hun diepste gevoel.’
Et cetera…
Ik wilde eens, voor de televisie, met die eerste vraag (de waarde van een mensenleven)
allerlei instanties af (kerk, onderwereld, ziekenhuis, topeconomen, defensie, enzovoort). Ik was benieuwd wat wel en wat niet te kwantificeren viel. Zou je bijvoorbeeld kunnen stellen dat het leven van iemand uit Eritrea minder waard was dan het onze, en waarom dan? En was het leven van een misdadiger misschien wel meer waard dan dat van een gemiddelde Nederlander – allemaal vragen waarop ik het antwoord wilde weten.
Maar men vond deze vragen ‘niet ethisch’ en de reportages gingen niet door.
Die eerste vraag houdt me vaak bezig. Ikzelf kom uit een militair geslacht waarin een mensenleven zeer werd gerespecteerd, maar ook, in tijden van oorlog, volstrekt waardeloos bleek. Mijn Engelse oom had eens opdracht gegeven zo’n 350 mensen ‘over de kling te jagen’ waarbij er aan geallieerde zijde 120 waren gesneuveld (D-Day). Dat laatste was ‘very sad’. Terecht. Ik kan om die 350 omgekomen Duitsers nog steeds niet echt treuren, maar dat wordt me nu vaker kwalijk genomen dan dertig jaar geleden. (‘Ik vind het erg onsmakelijk als je zoiets zegt… Het gaat wel om mensenlevens!’)
Een mens is op zichzelf niets waard. Hij wordt wat waard door zijn verhouding met anderen en door wat hij zelf van zijn leven maakt – maar veel is dat niet. En inderdaad: voor de rest is hij een zak met zinloze, zelfzuchtige genen.
Daar durven we alleen de consequenties niet uit te trekken – en daarom vluchten we in metaforiek of symboliek. Dat is altijd een vluchtweg.
Als liefhebber van oorlog was ik vóór de oorlog in Irak en tegen ‘onze aanwezigheid’ in Afghanistan. Eén slag heb ik gewonnen, één verloren. Voor beide had ik in feite veel krijgskundige en weinig ideologische argumenten, maar alleen de ideologische redenen heb ik gemeld. (Bij een oorlog, neemt u dat dan van me aan, de rest mag u vergeten, zijn ideologische argumenten altijd de slechtste!) Irak: door verschillende legers tegelijkertijd het land te laten bezetten, zou je Saddam en zijn leger sneller hebben overrompeld. Wat ook gebeurd is. Afghanistan: wat moeten wij in een land dat we militair nooit en nooit en nooit kunnen beheersen, zeker niet met een strategie die nergens toe leidt? Niet doen dus. Zowel in Irak als in Afghanistan zijn we de strijd om ideologische redenen aangegaan. Bij Irak gaven we slechts ‘politieke steun’ (oorlog voeren is politiek, zoals Clausewitz al zei) en bij Afghanistan is het nog steeds niet duidelijk wat we daar doen. Iets met hearts and minds en ontwikkelingshulp, geloof ik; we verliezen er alleen jonge jongens door en doden veel Taliban – die nu in Pakistan de macht hebben.
De Romeinen deden het slim. Ze bezetten een gebied, roofden zo veel mogelijk vrouwen en doodden zo veel mogelijk mannen, legden wegen aan, zodat er flink handel gedreven kon worden, leerden de plaatselijke bevolking het alfabet om dezelfde reden, voerden een soort van democratie in met twee consuls die niet te lang mochten blijven en lieten verder iedereen geloven wat men wilde.
Ik zie Bert Koenders zoiets niet snel voorstellen.