Olga Ravn geeft de lezer geen voorkennis over haar personages © Laerke Posselt

‘Er zijn menselijken, en er zijn mensachtigen. Zij die geboren zijn, en zij die geschapen zijn. Zij die zullen sterven, en zij die dat niet zullen doen. Zij die zullen vergaan, en zij die niet zullen vergaan.’

Dit staat in getuigenverklaring 057, een van de vele getuigenverklaringen in Het personeel. Deze compacte roman, geschreven door de Deense Olga Ravn (1986), haar eerste vertaling in het Nederlands, is opgezet als, tja, wat eigenlijk? Als een verzameling fictieve getuigenverklaringen vanaf een ruimteschip, dat in elk geval. Alles speelt zich af in een onbestemde, onheilspellende toekomst, ver bij de aarde vandaan. Het personeel van het schip wordt ondervraagd over de meest uiteenlopende onderwerpen, over elkaar, en hun antwoorden vormen deze roman.

Je kunt Het personeel beschouwen als een langgerekt vormexperiment. Er is in het boek niets aanwezig wat lijkt op een reguliere plot. Cliffhangers of concrete handelingen ontbreken, evenals een verteller die je het verhaal binnenloodst of sympathie kweekt. En de toon van veel getuigenverslagen is veelal meer poëtisch dan verhalend, inclusief veel wit op de pagina’s, en inclusief overpeinzingen die maar half ingegeven lijken door concrete gebeurtenissen. Soms wordt terugverwezen naar iets wat talloze pagina’s eerder zijdelings is opgeworpen, ongetwijfeld ook omdat, een handig trucje, de bijna 180 getuigenissen net niet chronologisch zijn geordend.

‘Kun je een mens zijn die uit een zak slijm is geperst?’

Het personeel is een boek waar je je enigszins in moet vechten, en dat vechten loont. Voor mij kwam de roman tot bloei toen ik geen verwantschap meer probeerde te voelen met één afzonderlijke stem, maar me overgaf aan de sfeer van de kleine, geïsoleerde ruimtes op dat schip. En aan de ondoorgrondelijkheid van de vele verschillende getuigenissen en overpeinzingen, kriskras door elkaar. Al die monologen, af en toe slechts een paar zinnen lang, verschillen opvallend weinig van elkaar, en dat lijkt juist de bedoeling – zinnetjes komen woordelijk terug, namen worden weggebliept (‘Ik heb gehoord dat [redacted] is overleden’), alsof de inwisselbaarheid van de sprekers zo moet worden onderstreept.

Een kernthema van Het personeel is het verschil tussen mensen en robots en de vraag of dat wel vast te stellen is. Ook de getuigen zelf weten vaak niet zeker of ze wel mens zijn, wat hun verder af en toe doeltreffend strakke monologen een ontroerende ondertoon geeft. ‘Ik weet hoe eikenmos ruikt omdat jullie die geur in me hebben geplant’, staat dan plotseling in getuigenverklaring 011. Typisch zo’n zinnetje waarmee de aldoor aanwezige beklemming extra gestalte krijgt. Even later probeert getuige 011 de situatie op het schip te overzien. Er is oplopende spanning voelbaar tussen de bemanningsleden, alle contact met de aarde is verdwenen. En dan ineens doemt bij deze getuige de beangstigende vraag op of een beeld doelbewust in hem is geplant. ‘Of is het beeld vanzelf ontstaan, uit mijzelf?’

Getuigenverklaring 069: ‘Ben ik menselijk of mensachtig? Ben ik ontstaan in iemands dromen?’ Het antwoord blijft in het midden: Ravn geeft de lezer, heel effectief, nergens voorkennis over haar personages, de lezer is in deze roman net zo onwetend als degenen die het woord voeren. Getuigenverklaring 038: ‘Is het wezenlijk voor een mens dat je uit een ander mensenlichaam bent geboren? Of kun je een levende mens zijn die uit een zak slijm is geperst, uit een opeenhoping van kuit, uit een klomp eitjes in een meer of tussen tarwehalmen of wilde grassen?’

Het zijn ietwat veel, maar bovenal boeiende vragen die Olga Ravn in Het personeel blijft opwerpen. Om antwoorden draait het haar niet. Wie van een roman overzichtelijkheid, een meeslepende spanningsboog of een heldere climax verlangt, moet dit verhaal vooral onberoerd laten. Maar wat bijzonder goed werkt aan Het personeel, en wat mij ten slotte helemaal meetrok, deze wereld in, is dat Ravn juist door die ongebruikelijke constructie en het gebrek aan houvast veel onderwerpen kan beroeren zonder dat haar roman overvol of pretentieus aanvoelt. Wat maakt iemand, als hij of zij wordt losgetrokken van de aarde, nog tot mens? Hoe werkt het geheugen, kunnen we dat ooit helemaal vertrouwen? En wat is het effect van de wetenschap dat je nooit zal sterven, kun je dan nog spreken van een psyche? En betekent mens-zijn niet bovenal: de wetenschap dat je ooit gaat sterven?

Hier openbaart zich natuurlijk een wezenlijke kloof tussen de getuigen, de bron van veel van de frictie in Het personeel: de mensen aan boord weten dat ze sterfelijk zijn, dat ze géén eindeloze toekomst voor zich hebben, in tegenstelling tot hun machinale reisgenoten. Maar wie op het schip behoort tot welke groep? Wat is de toekomst van dit ruimteschip, dolend door de lucht? Het personeel roept een kleine wereld op vol wantrouwen en afzondering, chaos en isolatie. Voor niemand is er nog ontkomen aan. Er bestaat geen alledaagse afleiding meer, geen gewoon leventje dat aandacht verlangt. Er is alleen nog dit, een bestaan gestript van alle opsmuk en ruis, en de vraag wat het leven dan nog voorstelt.